Soera 12. Joesoef — Jozef
Deze vertaling is in bewerking en heeft de status van een concept; de tekst wordt nog gecontroleerd en kan wijzigen.
De Nederlandse weergave van soera 12 (Joesoef, “Jozef”), 111 verzen, naar de Engelse vertaling van Abdullah Yusuf Ali (1934, publiek domein). Lees deze soera interactief met het Arabische origineel, transliteratie, voorleesfunctie en toelichting.
Inleiding: de schoonste geschiedenis
Alif, Lām, Rā (الٓر) Dit zijn de tekenen (of verzen) van het heldere Boek.
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ الٓر تِلْكَ ءَايَٰتُ ٱلْكِتَٰبِ ٱلْمُبِينِ
Wij hebben het neergezonden als een Arabische Koran, opdat u wijsheid zou leren.
إِنَّآ أَنزَلْنَٰهُ قُرْءَٰنًا عَرَبِيًّا لَّعَلَّكُمْ تَعْقِلُونَ
Wij verhalen u het schoonste van de geschiedenissen, doordat Wij u dit (deel van de) Koran openbaren: vóór dit behoorde ook u tot hen die het niet kenden.
نَحْنُ نَقُصُّ عَلَيْكَ أَحْسَنَ ٱلْقَصَصِ بِمَآ أَوْحَيْنَآ إِلَيْكَ هَٰذَا ٱلْقُرْءَانَ وَإِن كُنتَ مِن قَبْلِهِۦ لَمِنَ ٱلْغَٰفِلِينَ
De droom van Jozef
Zie! Jozef zei tot zijn vader: "O mijn vader! Ik zag elf sterren en de zon en de maan: ik zag dat zij zich voor mij neerbogen!"
إِذْ قَالَ يُوسُفُ لِأَبِيهِ يَٰٓأَبَتِ إِنِّى رَأَيْتُ أَحَدَ عَشَرَ كَوْكَبًا وَٱلشَّمْسَ وَٱلْقَمَرَ رَأَيْتُهُمْ لِى سَٰجِدِينَ
(De vader) zei: "Mijn (lieve) zoontje! vertel uw visioen niet aan uw broers, opdat zij geen complot tegen u smeden: want Satan is voor de mens een verklaarde vijand!"
قَالَ يَٰبُنَىَّ لَا تَقْصُصْ رُءْيَاكَ عَلَىٰٓ إِخْوَتِكَ فَيَكِيدُوا۟ لَكَ كَيْدًا إِنَّ ٱلشَّيْطَٰنَ لِلْإِنسَٰنِ عَدُوٌّ مُّبِينٌ
"Zo zal uw Heer u uitverkiezen en u de uitleg van geschiedenissen (en gebeurtenissen) leren en Zijn gunst aan u volmaken en aan het nageslacht van Jakob - zoals Hij die eertijds volmaakte aan uw vaderen Abraham en Izak! want Allah is vol kennis en wijsheid."
وَكَذَٰلِكَ يَجْتَبِيكَ رَبُّكَ وَيُعَلِّمُكَ مِن تَأْوِيلِ ٱلْأَحَادِيثِ وَيُتِمُّ نِعْمَتَهُۥ عَلَيْكَ وَعَلَىٰٓ ءَالِ يَعْقُوبَ كَمَآ أَتَمَّهَا عَلَىٰٓ أَبَوَيْكَ مِن قَبْلُ إِبْرَٰهِيمَ وَإِسْحَٰقَ إِنَّ رَبَّكَ عَلِيمٌ حَكِيمٌ
De broers beramen een aanslag
Voorwaar, in Jozef en zijn broers zijn tekenen (of zinnebeelden) voor de zoekers (naar de waarheid).
لَّقَدْ كَانَ فِى يُوسُفَ وَإِخْوَتِهِۦٓ ءَايَٰتٌ لِّلسَّآئِلِينَ
Zij zeiden: "Waarlijk, Jozef en zijn broer worden door onze vader meer geliefd dan wij: maar wij zijn een flinke schare! werkelijk, onze vader dwaalt kennelijk (in zijn geest)!"
إِذْ قَالُوا۟ لَيُوسُفُ وَأَخُوهُ أَحَبُّ إِلَىٰٓ أَبِينَا مِنَّا وَنَحْنُ عُصْبَةٌ إِنَّ أَبَانَا لَفِى ضَلَٰلٍ مُّبِينٍ
"Dood Jozef of verdrijf hem naar een (onbekend) land, opdat de gunst van uw vader aan u alleen gegeven worde: (er zal tijd genoeg zijn) voor u om daarna rechtvaardig te zijn!"
ٱقْتُلُوا۟ يُوسُفَ أَوِ ٱطْرَحُوهُ أَرْضًا يَخْلُ لَكُمْ وَجْهُ أَبِيكُمْ وَتَكُونُوا۟ مِنۢ بَعْدِهِۦ قَوْمًا صَٰلِحِينَ
Eén van hen zei: "Dood Jozef niet, maar als u iets doen moet, werp hem dan neer op de bodem van de put: hij zal door een of andere karavaan van reizigers worden opgenomen."
قَالَ قَآئِلٌ مِّنْهُمْ لَا تَقْتُلُوا۟ يُوسُفَ وَأَلْقُوهُ فِى غَيَٰبَتِ ٱلْجُبِّ يَلْتَقِطْهُ بَعْضُ ٱلسَّيَّارَةِ إِن كُنتُمْ فَٰعِلِينَ
Zij zeiden: "O onze vader! waarom vertrouwt u ons Jozef niet toe,- daar wij hem toch waarlijk oprecht welgezind zijn?"
قَالُوا۟ يَٰٓأَبَانَا مَا لَكَ لَا تَأْمَ۫نَّا عَلَىٰ يُوسُفَ وَإِنَّا لَهُۥ لَنَٰصِحُونَ
"Zend hem morgen met ons mee om zich te vermaken en te spelen, en wij zullen goed op hem passen."
أَرْسِلْهُ مَعَنَا غَدًا يَرْتَعْ وَيَلْعَبْ وَإِنَّا لَهُۥ لَحَٰفِظُونَ
(Jakob) zei: "Werkelijk, het bedroeft mij dat u hem zou meenemen: ik vrees dat de wolf hem zal verslinden terwijl u niet op hem let."
قَالَ إِنِّى لَيَحْزُنُنِىٓ أَن تَذْهَبُوا۟ بِهِۦ وَأَخَافُ أَن يَأْكُلَهُ ٱلذِّئْبُ وَأَنتُمْ عَنْهُ غَٰفِلُونَ
Zij zeiden: "Als de wolf hem zou verslinden terwijl wij met (zo'n grote) groep zijn, dan zouden wij waarlijk zelf (eerst) omgekomen moeten zijn!"
قَالُوا۟ لَئِنْ أَكَلَهُ ٱلذِّئْبُ وَنَحْنُ عُصْبَةٌ إِنَّآ إِذًا لَّخَٰسِرُونَ
Zo namen zij hem mee, en zij kwamen allen overeen hem neer te werpen op de bodem van de put: en Wij legden in zijn hart (deze boodschap): 'Voorzeker, u zult hun (eens) de waarheid van deze hun zaak vertellen, terwijl zij (u) niet kennen'
فَلَمَّا ذَهَبُوا۟ بِهِۦ وَأَجْمَعُوٓا۟ أَن يَجْعَلُوهُ فِى غَيَٰبَتِ ٱلْجُبِّ وَأَوْحَيْنَآ إِلَيْهِ لَتُنَبِّئَنَّهُم بِأَمْرِهِمْ هَٰذَا وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ
Toen kwamen zij in het eerste deel van de nacht wenend tot hun vader.
وَجَآءُوٓ أَبَاهُمْ عِشَآءً يَبْكُونَ
Zij zeiden: "O onze vader! Wij gingen met elkander om het hardst lopen, en lieten Jozef bij onze spullen achter; en de wolf verslond hem.... Maar u zult ons nooit geloven, ook al spreken wij de waarheid."
قَالُوا۟ يَٰٓأَبَانَآ إِنَّا ذَهَبْنَا نَسْتَبِقُ وَتَرَكْنَا يُوسُفَ عِندَ مَتَٰعِنَا فَأَكَلَهُ ٱلذِّئْبُ وَمَآ أَنتَ بِمُؤْمِنٍ لَّنَا وَلَوْ كُنَّا صَٰدِقِينَ
Zij besmeurden zijn hemd met vals bloed. Hij zei: "Nee, maar uw gemoed heeft u een verhaal wijsgemaakt (dat bij u kan doorgaan), (voor mij) is geduld het meest passend: tegen hetgeen u beweert, is het Allah (alleen) Wiens hulp gezocht kan worden"..
وَجَآءُو عَلَىٰ قَمِيصِهِۦ بِدَمٍ كَذِبٍ قَالَ بَلْ سَوَّلَتْ لَكُمْ أَنفُسُكُمْ أَمْرًا فَصَبْرٌ جَمِيلٌ وَٱللَّهُ ٱلْمُسْتَعَانُ عَلَىٰ مَا تَصِفُونَ
Jozef verkocht als slaaf in Egypte
Toen kwam er een karavaan van reizigers: zij zonden hun waterdrager (om water), en hij liet zijn emmer neer (in de put)... Hij zei: "Ha daar! Goed nieuws! Hier is een (schone) jongeling!" Zo verborgen zij hem als een schat! Maar Allah weet wel alles wat zij doen!
وَجَآءَتْ سَيَّارَةٌ فَأَرْسَلُوا۟ وَارِدَهُمْ فَأَدْلَىٰ دَلْوَهُۥ قَالَ يَٰبُشْرَىٰ هَٰذَا غُلَٰمٌ وَأَسَرُّوهُ بِضَٰعَةً وَٱللَّهُ عَلِيمٌۢ بِمَا يَعْمَلُونَ
De (broers) verkochten hem voor een armzalige prijs, voor enkele uitgetelde dirhams: zo gering achtten zij hem!
وَشَرَوْهُ بِثَمَنٍۭ بَخْسٍ دَرَٰهِمَ مَعْدُودَةٍ وَكَانُوا۟ فِيهِ مِنَ ٱلزَّٰهِدِينَ
De man in Egypte die hem kocht, zei tot zijn vrouw: "Maak zijn verblijf (onder ons) eervol: mogelijk zal hij ons veel goeds brengen, of wij zullen hem als zoon aannemen." Zo vestigden Wij Jozef in het land, opdat Wij hem de uitleg van geschiedenissen (en gebeurtenissen) zouden leren. En Allah heeft volle macht en heerschappij over Zijn zaken; maar de meesten onder de mensen weten het niet.
وَقَالَ ٱلَّذِى ٱشْتَرَىٰهُ مِن مِّصْرَ لِٱمْرَأَتِهِۦٓ أَكْرِمِى مَثْوَىٰهُ عَسَىٰٓ أَن يَنفَعَنَآ أَوْ نَتَّخِذَهُۥ وَلَدًا وَكَذَٰلِكَ مَكَّنَّا لِيُوسُفَ فِى ٱلْأَرْضِ وَلِنُعَلِّمَهُۥ مِن تَأْوِيلِ ٱلْأَحَادِيثِ وَٱللَّهُ غَالِبٌ عَلَىٰٓ أَمْرِهِۦ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَعْلَمُونَ
Toen Jozef zijn volle mannelijkheid bereikte, gaven Wij hem macht en kennis: zo belonen Wij hen die goeddoen.
وَلَمَّا بَلَغَ أَشُدَّهُۥٓ ءَاتَيْنَٰهُ حُكْمًا وَعِلْمًا وَكَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ
De verleiding door de vrouw van de Aziz
Maar zij in wier huis hij was, zocht hem te verleiden van zijn (ware) zelf: zij sloot de deuren en zei: "Kom nu, u (lieve)!" Hij zei: "Allah verhoede het! waarlijk, (uw echtgenoot) is mijn heer! hij heeft mijn verblijf aangenaam gemaakt! waarlijk, zij die onrecht doen komen tot geen goed!"
وَرَٰوَدَتْهُ ٱلَّتِى هُوَ فِى بَيْتِهَا عَن نَّفْسِهِۦ وَغَلَّقَتِ ٱلْأَبْوَٰبَ وَقَالَتْ هَيْتَ لَكَ قَالَ مَعَاذَ ٱللَّهِ إِنَّهُۥ رَبِّىٓ أَحْسَنَ مَثْوَاىَ إِنَّهُۥ لَا يُفْلِحُ ٱلظَّٰلِمُونَ
En (met hartstocht) begeerde zij hem, en hij zou haar begeerd hebben, ware het niet dat hij het bewijs van zijn Heer zag: zo (beschikten Wij het) opdat Wij (alle) kwade en schandelijke daden van hem zouden afwenden: want hij was één van Onze dienaren, oprecht en gelouterd.
وَلَقَدْ هَمَّتْ بِهِۦ وَهَمَّ بِهَا لَوْلَآ أَن رَّءَا بُرْهَٰنَ رَبِّهِۦ كَذَٰلِكَ لِنَصْرِفَ عَنْهُ ٱلسُّوٓءَ وَٱلْفَحْشَآءَ إِنَّهُۥ مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُخْلَصِينَ
Zo renden zij beiden om het hardst naar de deur, en zij scheurde zijn hemd van achteren: zij vonden beiden haar heer bij de deur. Zij zei: "Wat is de (passende) straf voor iemand die een boos opzet tegen uw vrouw beraamde, anders dan gevangenis of een smartelijke kastijding?"
وَٱسْتَبَقَا ٱلْبَابَ وَقَدَّتْ قَمِيصَهُۥ مِن دُبُرٍ وَأَلْفَيَا سَيِّدَهَا لَدَا ٱلْبَابِ قَالَتْ مَا جَزَآءُ مَنْ أَرَادَ بِأَهْلِكَ سُوٓءًا إِلَّآ أَن يُسْجَنَ أَوْ عَذَابٌ أَلِيمٌ
Hij zei: "Zij was het die mij zocht te verleiden - van mijn (ware) zelf." En één van haar huisgenoten zag (dit) en legde getuigenis af, (aldus):- "Indien zijn hemd van voren gescheurd is, dan is haar verhaal waar, en is hij een leugenaar!"
قَالَ هِىَ رَٰوَدَتْنِى عَن نَّفْسِى وَشَهِدَ شَاهِدٌ مِّنْ أَهْلِهَآ إِن كَانَ قَمِيصُهُۥ قُدَّ مِن قُبُلٍ فَصَدَقَتْ وَهُوَ مِنَ ٱلْكَٰذِبِينَ
"Maar indien zijn hemd van achteren gescheurd is, dan is zij de leugenares, en spreekt hij de waarheid!"
وَإِن كَانَ قَمِيصُهُۥ قُدَّ مِن دُبُرٍ فَكَذَبَتْ وَهُوَ مِنَ ٱلصَّٰدِقِينَ
Toen hij dan zijn hemd zag,- dat het van achteren gescheurd was,- zei (haar echtgenoot): "Zie! Het is een list van u, vrouwen! waarlijk, machtig is uw list!"
فَلَمَّا رَءَا قَمِيصَهُۥ قُدَّ مِن دُبُرٍ قَالَ إِنَّهُۥ مِن كَيْدِكُنَّ إِنَّ كَيْدَكُنَّ عَظِيمٌ
"O Jozef, ga hieraan voorbij! (O vrouw), vraag vergeving voor uw zonde, want waarlijk, u bent in gebreke geweest!"
يُوسُفُ أَعْرِضْ عَنْ هَٰذَا وَٱسْتَغْفِرِى لِذَنۢبِكِ إِنَّكِ كُنتِ مِنَ ٱلْخَاطِـِٔينَ
De vrouwen van de stad en Jozefs keuze voor de gevangenis
Vrouwen in de stad zeiden: "De vrouw van de (grote) 'Aziz zoekt haar slaaf te verleiden van zijn (ware) zelf: waarlijk, hij heeft haar met hevige liefde vervuld: wij zien dat zij kennelijk aan het afdwalen is."
وَقَالَ نِسْوَةٌ فِى ٱلْمَدِينَةِ ٱمْرَأَتُ ٱلْعَزِيزِ تُرَٰوِدُ فَتَىٰهَا عَن نَّفْسِهِۦ قَدْ شَغَفَهَا حُبًّا إِنَّا لَنَرَىٰهَا فِى ضَلَٰلٍ مُّبِينٍ
Toen zij van hun kwaadaardige praat hoorde, zond zij om hen en bereidde een gastmaal voor hen: zij gaf ieder van hen een mes: en zij zei (tot Jozef): "Kom voor hen naar buiten." Toen zij hem zagen, prezen zij hem hogelijk, en sneden zich (in hun verbazing) in de handen: zij zeiden: "Allah beware ons! dit is geen sterveling! dit is niets anders dan een edele engel!"
فَلَمَّا سَمِعَتْ بِمَكْرِهِنَّ أَرْسَلَتْ إِلَيْهِنَّ وَأَعْتَدَتْ لَهُنَّ مُتَّكَـًٔا وَءَاتَتْ كُلَّ وَٰحِدَةٍ مِّنْهُنَّ سِكِّينًا وَقَالَتِ ٱخْرُجْ عَلَيْهِنَّ فَلَمَّا رَأَيْنَهُۥٓ أَكْبَرْنَهُۥ وَقَطَّعْنَ أَيْدِيَهُنَّ وَقُلْنَ حَٰشَ لِلَّهِ مَا هَٰذَا بَشَرًا إِنْ هَٰذَآ إِلَّا مَلَكٌ كَرِيمٌ
Zij zei: "Daar vóór u is de man om wie u mij berispt hebt! Ik heb inderdaad gezocht hem te verleiden van zijn (ware) zelf, maar hij heeft zich vastberaden schuldeloos bewaard!.... En nu, indien hij niet doet wat ik hem gebied, zal hij zeker in de gevangenis geworpen worden, en (wat meer is) behoren tot het gezelschap van de verachtelijksten!"
قَالَتْ فَذَٰلِكُنَّ ٱلَّذِى لُمْتُنَّنِى فِيهِ وَلَقَدْ رَٰوَدتُّهُۥ عَن نَّفْسِهِۦ فَٱسْتَعْصَمَ وَلَئِن لَّمْ يَفْعَلْ مَآ ءَامُرُهُۥ لَيُسْجَنَنَّ وَلَيَكُونًا مِّنَ ٱلصَّٰغِرِينَ
Hij zei: "O mijn Heer! de gevangenis is mij liever dan dat waartoe zij mij uitnodigen: tenzij U hun list van mij afwendt, zou ik (in mijn jeugdige dwaasheid) tot hen geneigd raken en mij scharen in de gelederen van de onwetenden."
قَالَ رَبِّ ٱلسِّجْنُ أَحَبُّ إِلَىَّ مِمَّا يَدْعُونَنِىٓ إِلَيْهِ وَإِلَّا تَصْرِفْ عَنِّى كَيْدَهُنَّ أَصْبُ إِلَيْهِنَّ وَأَكُن مِّنَ ٱلْجَٰهِلِينَ
Zo verhoorde zijn Heer hem (in zijn gebed), en wendde hun list van hem af: voorwaar, Hij hoort en weet (alle dingen).
فَٱسْتَجَابَ لَهُۥ رَبُّهُۥ فَصَرَفَ عَنْهُ كَيْدَهُنَّ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلْعَلِيمُ
Toen kwam het de mannen voor, nadat zij de tekenen gezien hadden, (dat het het beste was) hem voor een tijd gevangen te zetten.
ثُمَّ بَدَا لَهُم مِّنۢ بَعْدِ مَا رَأَوُا۟ ٱلْـَٔايَٰتِ لَيَسْجُنُنَّهُۥ حَتَّىٰ حِينٍ
Jozef legt de dromen van de gevangenen uit
Nu kwamen er met hem twee jonge mannen in de gevangenis. Eén van hen zei: "Ik zie mijzelf (in een droom) wijn persen." De ander zei: "Ik zie mijzelf (in een droom) brood dragen op mijn hoofd, en de vogels eten daarvan." "Vertel ons" (zeiden zij) "de waarheid en de betekenis ervan: want wij zien dat u iemand bent die goeddoet (aan allen)."
وَدَخَلَ مَعَهُ ٱلسِّجْنَ فَتَيَانِ قَالَ أَحَدُهُمَآ إِنِّىٓ أَرَىٰنِىٓ أَعْصِرُ خَمْرًا وَقَالَ ٱلْـَٔاخَرُ إِنِّىٓ أَرَىٰنِىٓ أَحْمِلُ فَوْقَ رَأْسِى خُبْزًا تَأْكُلُ ٱلطَّيْرُ مِنْهُ نَبِّئْنَا بِتَأْوِيلِهِۦٓ إِنَّا نَرَىٰكَ مِنَ ٱلْمُحْسِنِينَ
Hij zei: "Voordat enig voedsel (te zijner tijd) komt om u beiden te voeden, zal ik u zeker de waarheid en de betekenis hiervan openbaren eer het u overkomt: dat is een deel van (de plicht) die mijn Heer mij geleerd heeft. Ik heb (dat verzeker ik u) de wegen verlaten van een volk dat niet in Allah gelooft en dat (zelfs) het hiernamaals loochent."
قَالَ لَا يَأْتِيكُمَا طَعَامٌ تُرْزَقَانِهِۦٓ إِلَّا نَبَّأْتُكُمَا بِتَأْوِيلِهِۦ قَبْلَ أَن يَأْتِيَكُمَا ذَٰلِكُمَا مِمَّا عَلَّمَنِى رَبِّىٓ إِنِّى تَرَكْتُ مِلَّةَ قَوْمٍ لَّا يُؤْمِنُونَ بِٱللَّهِ وَهُم بِٱلْـَٔاخِرَةِ هُمْ كَٰفِرُونَ
"En ik volg de wegen van mijn vaderen,- Abraham, Izak en Jakob; en nooit konden wij enige deelgenoten, welke ook, aan Allah toeschrijven: dat (komt) van de genade van Allah aan ons en aan de mensheid: doch de meeste mensen zijn niet dankbaar."
وَٱتَّبَعْتُ مِلَّةَ ءَابَآءِىٓ إِبْرَٰهِيمَ وَإِسْحَٰقَ وَيَعْقُوبَ مَا كَانَ لَنَآ أَن نُّشْرِكَ بِٱللَّهِ مِن شَىْءٍ ذَٰلِكَ مِن فَضْلِ ٱللَّهِ عَلَيْنَا وَعَلَى ٱلنَّاسِ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَشْكُرُونَ
"O mijn beide metgezellen van de gevangenis! (ik vraag u): zijn vele heren die onderling verschillen beter, of de Ene Allah, de Allerhoogste en Onweerstaanbare?"
يَٰصَٰحِبَىِ ٱلسِّجْنِ ءَأَرْبَابٌ مُّتَفَرِّقُونَ خَيْرٌ أَمِ ٱللَّهُ ٱلْوَٰحِدُ ٱلْقَهَّارُ
"Buiten Hem dient u niets dan namen die u genoemd hebt,- u en uw vaderen,- waarvoor Allah geen gezag heeft neergezonden: het gebod komt niemand toe dan Allah: Hij heeft geboden dat u niemand dient dan Hem: dat is de ware godsdienst, maar de meeste mensen verstaan het niet..."
مَا تَعْبُدُونَ مِن دُونِهِۦٓ إِلَّآ أَسْمَآءً سَمَّيْتُمُوهَآ أَنتُمْ وَءَابَآؤُكُم مَّآ أَنزَلَ ٱللَّهُ بِهَا مِن سُلْطَٰنٍ إِنِ ٱلْحُكْمُ إِلَّا لِلَّهِ أَمَرَ أَلَّا تَعْبُدُوٓا۟ إِلَّآ إِيَّاهُ ذَٰلِكَ ٱلدِّينُ ٱلْقَيِّمُ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَعْلَمُونَ
"O mijn beide metgezellen van de gevangenis! Wat één van u betreft, hij zal de wijn schenken voor zijn heer om te drinken: wat de ander betreft, hij zal aan het kruis hangen, en de vogels zullen van zijn hoofd eten. (Zo) is de zaak beslist waarover u beiden navraag doet..."
يَٰصَٰحِبَىِ ٱلسِّجْنِ أَمَّآ أَحَدُكُمَا فَيَسْقِى رَبَّهُۥ خَمْرًا وَأَمَّا ٱلْـَٔاخَرُ فَيُصْلَبُ فَتَأْكُلُ ٱلطَّيْرُ مِن رَّأْسِهِۦ قُضِىَ ٱلْأَمْرُ ٱلَّذِى فِيهِ تَسْتَفْتِيَانِ
En tot die van de twee van wie hij meende dat hij gered zou worden, zei hij: "Gedenk mij bij uw heer." Maar Satan deed hem vergeten hem bij zijn heer te vermelden: en (Jozef) bleef nog enkele jaren (langer) in de gevangenis.
وَقَالَ لِلَّذِى ظَنَّ أَنَّهُۥ نَاجٍ مِّنْهُمَا ٱذْكُرْنِى عِندَ رَبِّكَ فَأَنسَىٰهُ ٱلشَّيْطَٰنُ ذِكْرَ رَبِّهِۦ فَلَبِثَ فِى ٱلسِّجْنِ بِضْعَ سِنِينَ
De droom van de koning en Jozefs uitleg
De koning (van Egypte) zei: "Ik zie (in een visioen) zeven vette koeien, die door zeven magere verslonden worden, en zeven groene korenaren, en zeven (andere) verdorde. O hoofden! Leg mij mijn visioen uit, indien u visioenen kunt uitleggen."
وَقَالَ ٱلْمَلِكُ إِنِّىٓ أَرَىٰ سَبْعَ بَقَرَٰتٍ سِمَانٍ يَأْكُلُهُنَّ سَبْعٌ عِجَافٌ وَسَبْعَ سُنۢبُلَٰتٍ خُضْرٍ وَأُخَرَ يَابِسَٰتٍ يَٰٓأَيُّهَا ٱلْمَلَأُ أَفْتُونِى فِى رُءْيَٰىَ إِن كُنتُمْ لِلرُّءْيَا تَعْبُرُونَ
Zij zeiden: "Een verwarde mengeling van dromen: en wij zijn niet bedreven in de uitleg van dromen."
قَالُوٓا۟ أَضْغَٰثُ أَحْلَٰمٍ وَمَا نَحْنُ بِتَأْوِيلِ ٱلْأَحْلَٰمِ بِعَٰلِمِينَ
Maar de man die vrijgelaten was, één van de twee (die in de gevangenis geweest waren) en die het zich nu na (zo lange) tijd herinnerde, zei: "Ik zal u de waarheid van de uitleg ervan vertellen: zend mij (daarom)."
وَقَالَ ٱلَّذِى نَجَا مِنْهُمَا وَٱدَّكَرَ بَعْدَ أُمَّةٍ أَنَا۠ أُنَبِّئُكُم بِتَأْوِيلِهِۦ فَأَرْسِلُونِ
"O Jozef!" (zei hij) "O man van waarheid! Leg ons (de droom) uit van zeven vette koeien die door zeven magere verslonden worden, en van zeven groene korenaren en (zeven) andere, verdorde: opdat ik tot de mensen terugkere, en opdat zij het verstaan."
يُوسُفُ أَيُّهَا ٱلصِّدِّيقُ أَفْتِنَا فِى سَبْعِ بَقَرَٰتٍ سِمَانٍ يَأْكُلُهُنَّ سَبْعٌ عِجَافٌ وَسَبْعِ سُنۢبُلَٰتٍ خُضْرٍ وَأُخَرَ يَابِسَٰتٍ لَّعَلِّىٓ أَرْجِعُ إِلَى ٱلنَّاسِ لَعَلَّهُمْ يَعْلَمُونَ
(Jozef) zei: "Zeven jaren zult u naarstig zaaien zoals uw gewoonte is: en de oogsten die u binnenhaalt, zult u in de aar laten,- behalve een weinig, waarvan u zult eten."
قَالَ تَزْرَعُونَ سَبْعَ سِنِينَ دَأَبًا فَمَا حَصَدتُّمْ فَذَرُوهُ فِى سُنۢبُلِهِۦٓ إِلَّا قَلِيلًا مِّمَّا تَأْكُلُونَ
"Dan zullen daarna (na die periode) zeven vreselijke (jaren) komen, die zullen verslinden wat u van tevoren voor hen opgelegd zult hebben,- (alles) behalve een weinig dat u (in het bijzonder) bewaard zult hebben."
ثُمَّ يَأْتِى مِنۢ بَعْدِ ذَٰلِكَ سَبْعٌ شِدَادٌ يَأْكُلْنَ مَا قَدَّمْتُمْ لَهُنَّ إِلَّا قَلِيلًا مِّمَّا تُحْصِنُونَ
"Dan zal daarna (na die periode) een jaar komen waarin de mensen overvloedig water zullen hebben, en waarin zij zullen persen (wijn en olie)."
ثُمَّ يَأْتِى مِنۢ بَعْدِ ذَٰلِكَ عَامٌ فِيهِ يُغَاثُ ٱلنَّاسُ وَفِيهِ يَعْصِرُونَ
Jozefs onschuld bewezen en zijn verheffing
Toen zei de koning: "Breng hem tot mij." Maar toen de boodschapper tot hem kwam, zei (Jozef): "Ga terug naar uw heer, en vraag hem: 'Hoe is het gesteld met het gemoed van de vrouwen die zich in de handen sneden?' Want mijn Heer is zeker zeer wel bekend met hun list."
وَقَالَ ٱلْمَلِكُ ٱئْتُونِى بِهِۦ فَلَمَّا جَآءَهُ ٱلرَّسُولُ قَالَ ٱرْجِعْ إِلَىٰ رَبِّكَ فَسْـَٔلْهُ مَا بَالُ ٱلنِّسْوَةِ ٱلَّٰتِى قَطَّعْنَ أَيْدِيَهُنَّ إِنَّ رَبِّى بِكَيْدِهِنَّ عَلِيمٌ
(De koning) zei (tot de vrouwen): "Wat was er met u, toen u Jozef zocht te verleiden van zijn (ware) zelf?" De vrouwen zeiden: "Allah beware ons! geen kwaad weten wij van hem!" De vrouw van de 'Aziz zei: "Nu is de waarheid openbaar (voor allen): ik was het die hem zocht te verleiden van zijn (ware) zelf: hij behoort waarlijk tot hen die (altijd) waarachtig (en deugdzaam) zijn."
قَالَ مَا خَطْبُكُنَّ إِذْ رَٰوَدتُّنَّ يُوسُفَ عَن نَّفْسِهِۦ قُلْنَ حَٰشَ لِلَّهِ مَا عَلِمْنَا عَلَيْهِ مِن سُوٓءٍ قَالَتِ ٱمْرَأَتُ ٱلْعَزِيزِ ٱلْـَٰٔنَ حَصْحَصَ ٱلْحَقُّ أَنَا۠ رَٰوَدتُّهُۥ عَن نَّفْسِهِۦ وَإِنَّهُۥ لَمِنَ ٱلصَّٰدِقِينَ
"Dit (zeg ik), opdat hij wete dat ik hem in zijn afwezigheid nooit ontrouw ben geweest, en dat Allah de list van de valsen nooit zal leiden."
ذَٰلِكَ لِيَعْلَمَ أَنِّى لَمْ أَخُنْهُ بِٱلْغَيْبِ وَأَنَّ ٱللَّهَ لَا يَهْدِى كَيْدَ ٱلْخَآئِنِينَ
"Ook spreek ik mijzelf niet vrij (van schuld): de (menselijke) ziel is zeker geneigd tot het kwade, tenzij mijn Heer Zijn barmhartigheid schenkt: maar voorzeker, mijn Heer is de Veelvergevende, de Meest Barmhartige."
وَمَآ أُبَرِّئُ نَفْسِىٓ إِنَّ ٱلنَّفْسَ لَأَمَّارَةٌۢ بِٱلسُّوٓءِ إِلَّا مَا رَحِمَ رَبِّىٓ إِنَّ رَبِّى غَفُورٌ رَّحِيمٌ
Toen zei de koning: "Breng hem tot mij; ik zal hem in het bijzonder nemen om mijn eigen persoon te dienen." Toen hij dan met hem gesproken had, zei hij: "Wees verzekerd, heden staat u, voor ons eigen aangezicht, in vast gevestigde rang en met volkomen bewezen trouw!"
وَقَالَ ٱلْمَلِكُ ٱئْتُونِى بِهِۦٓ أَسْتَخْلِصْهُ لِنَفْسِى فَلَمَّا كَلَّمَهُۥ قَالَ إِنَّكَ ٱلْيَوْمَ لَدَيْنَا مَكِينٌ أَمِينٌ
(Jozef) zei: "Stel mij aan over de voorraadschuren van het land: ik zal ze waarlijk bewaken, als iemand die (hun belang) kent."
قَالَ ٱجْعَلْنِى عَلَىٰ خَزَآئِنِ ٱلْأَرْضِ إِنِّى حَفِيظٌ عَلِيمٌ
Zo gaven Wij Jozef gevestigde macht in het land, om daarin bezit te nemen zoals, wanneer of waar hij wilde. Wij schenken van Onze barmhartigheid aan wie Wij willen, en Wij laten het loon van hen die goeddoen niet verloren gaan.
وَكَذَٰلِكَ مَكَّنَّا لِيُوسُفَ فِى ٱلْأَرْضِ يَتَبَوَّأُ مِنْهَا حَيْثُ يَشَآءُ نُصِيبُ بِرَحْمَتِنَا مَن نَّشَآءُ وَلَا نُضِيعُ أَجْرَ ٱلْمُحْسِنِينَ
Maar voorwaar, het loon van het hiernamaals is het beste, voor hen die geloven en standvastig zijn in gerechtigheid.
وَلَأَجْرُ ٱلْـَٔاخِرَةِ خَيْرٌ لِّلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَكَانُوا۟ يَتَّقُونَ
De broers komen om graan; de eis om Benjamin
Toen kwamen de broers van Jozef: zij traden bij hem binnen, en hij herkende hen, maar zij herkenden hem niet.
وَجَآءَ إِخْوَةُ يُوسُفَ فَدَخَلُوا۟ عَلَيْهِ فَعَرَفَهُمْ وَهُمْ لَهُۥ مُنكِرُونَ
En toen hij hen voorzien had van (voor hen passende) proviand, zei hij: "Breng mij een broer die u hebt, van dezelfde vader als uzelf, (maar van een andere moeder): ziet u niet dat ik de volle maat uitbetaal, en dat ik de beste gastvrijheid verschaf?"
وَلَمَّا جَهَّزَهُم بِجَهَازِهِمْ قَالَ ٱئْتُونِى بِأَخٍ لَّكُم مِّنْ أَبِيكُمْ أَلَا تَرَوْنَ أَنِّىٓ أُوفِى ٱلْكَيْلَ وَأَنَا۠ خَيْرُ ٱلْمُنزِلِينَ
"Als u hem nu niet tot mij brengt, zult u geen maat (koren) van mij hebben, en u zult (zelfs) niet in mijn nabijheid komen."
فَإِن لَّمْ تَأْتُونِى بِهِۦ فَلَا كَيْلَ لَكُمْ عِندِى وَلَا تَقْرَبُونِ
Zij zeiden: "Wij zullen zeker trachten onze wens aangaande hem van zijn vader te verkrijgen: wij zullen het waarlijk doen."
قَالُوا۟ سَنُرَٰوِدُ عَنْهُ أَبَاهُ وَإِنَّا لَفَٰعِلُونَ
En (Jozef) zei tot zijn dienaren dat zij hun handelswaar (waarmee zij geruild hadden) in hun zadeltassen moesten leggen, opdat zij het pas zouden bemerken wanneer zij tot hun volk teruggekeerd waren, opdat zij terug zouden komen.
وَقَالَ لِفِتْيَٰنِهِ ٱجْعَلُوا۟ بِضَٰعَتَهُمْ فِى رِحَالِهِمْ لَعَلَّهُمْ يَعْرِفُونَهَآ إِذَا ٱنقَلَبُوٓا۟ إِلَىٰٓ أَهْلِهِمْ لَعَلَّهُمْ يَرْجِعُونَ
Toen zij nu tot hun vader teruggekeerd waren, zeiden zij: "O onze vader! Geen maat graan zullen wij meer krijgen (tenzij wij onze broer meenemen): zend daarom onze broer met ons, opdat wij onze maat krijgen; en wij zullen waarlijk goed op hem passen."
فَلَمَّا رَجَعُوٓا۟ إِلَىٰٓ أَبِيهِمْ قَالُوا۟ يَٰٓأَبَانَا مُنِعَ مِنَّا ٱلْكَيْلُ فَأَرْسِلْ مَعَنَآ أَخَانَا نَكْتَلْ وَإِنَّا لَهُۥ لَحَٰفِظُونَ
Hij zei: "Zal ik u hem toevertrouwen met een andere uitkomst dan toen ik u eertijds zijn broer toevertrouwde? Maar Allah is de beste om (hem) te bewaren, en Hij is de Meest Barmhartige van hen die barmhartigheid bewijzen!"
قَالَ هَلْ ءَامَنُكُمْ عَلَيْهِ إِلَّا كَمَآ أَمِنتُكُمْ عَلَىٰٓ أَخِيهِ مِن قَبْلُ فَٱللَّهُ خَيْرٌ حَٰفِظًا وَهُوَ أَرْحَمُ ٱلرَّٰحِمِينَ
Toen zij dan hun bagage openden, vonden zij dat hun handelswaar hun teruggegeven was. Zij zeiden: "O onze vader! Wat kunnen wij (meer) verlangen? deze onze handelswaar is ons teruggegeven: zo zullen wij (meer) voedsel voor ons gezin verkrijgen; wij zullen op onze broer passen; en er (tegelijk) een volle kameellast (graan aan onze proviand) toevoegen. Dit is slechts een kleine hoeveelheid."
وَلَمَّا فَتَحُوا۟ مَتَٰعَهُمْ وَجَدُوا۟ بِضَٰعَتَهُمْ رُدَّتْ إِلَيْهِمْ قَالُوا۟ يَٰٓأَبَانَا مَا نَبْغِى هَٰذِهِۦ بِضَٰعَتُنَا رُدَّتْ إِلَيْنَا وَنَمِيرُ أَهْلَنَا وَنَحْفَظُ أَخَانَا وَنَزْدَادُ كَيْلَ بَعِيرٍ ذَٰلِكَ كَيْلٌ يَسِيرٌ
(Jakob) zei: "Nooit zal ik hem met u zenden totdat u mij een plechtige eed zweert, in de naam van Allah, dat u hem zeker tot mij zult terugbrengen, tenzij u zelf ingesloten (en machteloos gemaakt) wordt." En toen zij hun plechtige eed gezworen hadden, zei hij: "Over al wat wij zeggen, zij Allah de getuige en bewaarder!"
قَالَ لَنْ أُرْسِلَهُۥ مَعَكُمْ حَتَّىٰ تُؤْتُونِ مَوْثِقًا مِّنَ ٱللَّهِ لَتَأْتُنَّنِى بِهِۦٓ إِلَّآ أَن يُحَاطَ بِكُمْ فَلَمَّآ ءَاتَوْهُ مَوْثِقَهُمْ قَالَ ٱللَّهُ عَلَىٰ مَا نَقُولُ وَكِيلٌ
Verder zei hij: "O mijn zonen! ga niet allen door één poort naar binnen: ga door verschillende poorten naar binnen. Niet dat ik u iets kan baten tegen Allah (met mijn raad): niemand kan gebieden dan Allah: op Hem stel ik mijn vertrouwen: en laten allen die vertrouwen, hun vertrouwen op Hem stellen."
وَقَالَ يَٰبَنِىَّ لَا تَدْخُلُوا۟ مِنۢ بَابٍ وَٰحِدٍ وَٱدْخُلُوا۟ مِنْ أَبْوَٰبٍ مُّتَفَرِّقَةٍ وَمَآ أُغْنِى عَنكُم مِّنَ ٱللَّهِ مِن شَىْءٍ إِنِ ٱلْحُكْمُ إِلَّا لِلَّهِ عَلَيْهِ تَوَكَّلْتُ وَعَلَيْهِ فَلْيَتَوَكَّلِ ٱلْمُتَوَكِّلُونَ
En toen zij binnengingen op de wijze die hun vader geboden had, baatte het hun niets tegen (het plan van) Allah: het was slechts een behoefte van Jakobs ziel, die hij vervulde. Want hij was, door Onze onderwijzing, vol kennis (en ervaring): maar de meeste mensen weten het niet.
وَلَمَّا دَخَلُوا۟ مِنْ حَيْثُ أَمَرَهُمْ أَبُوهُم مَّا كَانَ يُغْنِى عَنْهُم مِّنَ ٱللَّهِ مِن شَىْءٍ إِلَّا حَاجَةً فِى نَفْسِ يَعْقُوبَ قَضَىٰهَا وَإِنَّهُۥ لَذُو عِلْمٍ لِّمَا عَلَّمْنَٰهُ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَعْلَمُونَ
De beker in de zak van Benjamin
Toen zij nu voor Jozef verschenen, nam hij zijn (volle) broer bij zich om bij hem te verblijven. Hij zei (tot hem): "Zie! ik ben uw (eigen) broer; wees dus niet bedroefd over iets van wat zij gedaan hebben."
وَلَمَّا دَخَلُوا۟ عَلَىٰ يُوسُفَ ءَاوَىٰٓ إِلَيْهِ أَخَاهُ قَالَ إِنِّىٓ أَنَا۠ أَخُوكَ فَلَا تَبْتَئِسْ بِمَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ
Toen hij hen ten slotte voorzien had van (voor hen passende) proviand, legde hij de drinkbeker in de zadeltas van zijn broer. Daarop riep een omroeper uit: "O u (van) de karavaan! zie! u bent dieven, zonder twijfel!"
فَلَمَّا جَهَّزَهُم بِجَهَازِهِمْ جَعَلَ ٱلسِّقَايَةَ فِى رَحْلِ أَخِيهِ ثُمَّ أَذَّنَ مُؤَذِّنٌ أَيَّتُهَا ٱلْعِيرُ إِنَّكُمْ لَسَٰرِقُونَ
Zij zeiden, terwijl zij zich naar hen keerden: "Wat is het dat u mist?"
قَالُوا۟ وَأَقْبَلُوا۟ عَلَيْهِم مَّاذَا تَفْقِدُونَ
Zij zeiden: "Wij missen de grote beker van de koning; voor hem die hem tevoorschijn brengt, is (er de beloning van) een kameellast; ik sta er borg voor."
قَالُوا۟ نَفْقِدُ صُوَاعَ ٱلْمَلِكِ وَلِمَن جَآءَ بِهِۦ حِمْلُ بَعِيرٍ وَأَنَا۠ بِهِۦ زَعِيمٌ
(De broers) zeiden: "Bij Allah! u weet wel dat wij niet gekomen zijn om verderf te stichten in het land, en wij zijn geen dieven!"
قَالُوا۟ تَٱللَّهِ لَقَدْ عَلِمْتُم مَّا جِئْنَا لِنُفْسِدَ فِى ٱلْأَرْضِ وَمَا كُنَّا سَٰرِقِينَ
(De Egyptenaren) zeiden: "Wat zal dan de straf hiervoor zijn, indien (bewezen wordt dat) u gelogen hebt?"
قَالُوا۟ فَمَا جَزَٰٓؤُهُۥٓ إِن كُنتُمْ كَٰذِبِينَ
Zij zeiden: "De straf moet zijn dat hij in wiens zadeltas hij gevonden wordt, (als slaaf) vastgehouden wordt om voor de (misdaad) te boeten. Zo straffen wij de onrechtplegers!"
قَالُوا۟ جَزَٰٓؤُهُۥ مَن وُجِدَ فِى رَحْلِهِۦ فَهُوَ جَزَٰٓؤُهُۥ كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلظَّٰلِمِينَ
Zo begon hij (de doorzoeking) met hun bagage, vóór (hij kwam aan) de bagage van zijn broer: ten slotte haalde hij hem uit de bagage van zijn broer tevoorschijn. Zo beraamden Wij het voor Jozef. Hij kon zijn broer niet nemen volgens de wet van de koning, tenzij Allah het (zo) wilde. Wij verheffen tot graden (van wijsheid) wie Wij willen: maar boven allen die met kennis begiftigd zijn, is Eén, de Alwetende.
فَبَدَأَ بِأَوْعِيَتِهِمْ قَبْلَ وِعَآءِ أَخِيهِ ثُمَّ ٱسْتَخْرَجَهَا مِن وِعَآءِ أَخِيهِ كَذَٰلِكَ كِدْنَا لِيُوسُفَ مَا كَانَ لِيَأْخُذَ أَخَاهُ فِى دِينِ ٱلْمَلِكِ إِلَّآ أَن يَشَآءَ ٱللَّهُ نَرْفَعُ دَرَجَٰتٍ مَّن نَّشَآءُ وَفَوْقَ كُلِّ ذِى عِلْمٍ عَلِيمٌ
Zij zeiden: "Als hij steelt, dan was er een broer van hem die vóór (hem) gestolen heeft." Maar deze dingen hield Jozef verborgen in zijn hart, zonder hun de geheimen te openbaren. Hij zei (slechts) (bij zichzelf): "U verkeert in de slechtste positie; en Allah weet het best de waarheid van wat u beweert!"
قَالُوٓا۟ إِن يَسْرِقْ فَقَدْ سَرَقَ أَخٌ لَّهُۥ مِن قَبْلُ فَأَسَرَّهَا يُوسُفُ فِى نَفْسِهِۦ وَلَمْ يُبْدِهَا لَهُمْ قَالَ أَنتُمْ شَرٌّ مَّكَانًا وَٱللَّهُ أَعْلَمُ بِمَا تَصِفُونَ
Zij zeiden: "O verhevene! Zie! hij heeft een vader, oud en eerwaardig, (die om hem treuren zal); neem daarom één van ons in zijn plaats; want wij zien dat u (genadig) bent in het goeddoen."
قَالُوا۟ يَٰٓأَيُّهَا ٱلْعَزِيزُ إِنَّ لَهُۥٓ أَبًا شَيْخًا كَبِيرًا فَخُذْ أَحَدَنَا مَكَانَهُۥٓ إِنَّا نَرَىٰكَ مِنَ ٱلْمُحْسِنِينَ
Hij zei: "Allah verhoede dat wij een ander nemen dan hem bij wie wij ons eigendom gevonden hebben: waarlijk, (als wij dat deden,) zouden wij onrechtvaardig handelen."
قَالَ مَعَاذَ ٱللَّهِ أَن نَّأْخُذَ إِلَّا مَن وَجَدْنَا مَتَٰعَنَا عِندَهُۥٓ إِنَّآ إِذًا لَّظَٰلِمُونَ
De broers keren terug naar Jakob
Toen zij nu geen hoop zagen dat hij (zou toegeven), hielden zij in het geheim beraad. De voornaamste onder hen zei: "Weet u niet dat uw vader een eed van u genomen heeft in de naam van Allah, en hoe u vóór dit tekortgeschoten bent in uw plicht jegens Jozef? Daarom zal ik dit land niet verlaten totdat mijn vader het mij toestaat, of Allah het mij gebiedt; en Hij is de beste om te gebieden."
فَلَمَّا ٱسْتَيْـَٔسُوا۟ مِنْهُ خَلَصُوا۟ نَجِيًّا قَالَ كَبِيرُهُمْ أَلَمْ تَعْلَمُوٓا۟ أَنَّ أَبَاكُمْ قَدْ أَخَذَ عَلَيْكُم مَّوْثِقًا مِّنَ ٱللَّهِ وَمِن قَبْلُ مَا فَرَّطتُمْ فِى يُوسُفَ فَلَنْ أَبْرَحَ ٱلْأَرْضَ حَتَّىٰ يَأْذَنَ لِىٓ أَبِىٓ أَوْ يَحْكُمَ ٱللَّهُ لِى وَهُوَ خَيْرُ ٱلْحَٰكِمِينَ
"Keer terug tot uw vader, en zeg: 'O onze vader! zie! uw zoon heeft diefstal gepleegd! wij getuigen slechts van wat wij weten, en wij konden ons niet wel hoeden voor het onzienlijke!"
ٱرْجِعُوٓا۟ إِلَىٰٓ أَبِيكُمْ فَقُولُوا۟ يَٰٓأَبَانَآ إِنَّ ٱبْنَكَ سَرَقَ وَمَا شَهِدْنَآ إِلَّا بِمَا عَلِمْنَا وَمَا كُنَّا لِلْغَيْبِ حَٰفِظِينَ
"'Vraag na in de stad waar wij geweest zijn en bij de karavaan waarmee wij teruggekeerd zijn, en (u zult bevinden dat) wij waarlijk de waarheid spreken.'"
وَسْـَٔلِ ٱلْقَرْيَةَ ٱلَّتِى كُنَّا فِيهَا وَٱلْعِيرَ ٱلَّتِىٓ أَقْبَلْنَا فِيهَا وَإِنَّا لَصَٰدِقُونَ
Jakob zei: "Nee, maar u hebt zelf een verhaal verzonnen (dat goed genoeg is) voor u. Zo is geduld het meest passend (voor mij). Wellicht zal Allah hen (uiteindelijk) allen (terug) tot mij brengen. Want Hij is waarlijk vol kennis en wijsheid."
قَالَ بَلْ سَوَّلَتْ لَكُمْ أَنفُسُكُمْ أَمْرًا فَصَبْرٌ جَمِيلٌ عَسَى ٱللَّهُ أَن يَأْتِيَنِى بِهِمْ جَمِيعًا إِنَّهُۥ هُوَ ٱلْعَلِيمُ ٱلْحَكِيمُ
En hij wendde zich van hen af en zei: "Hoe groot is mijn verdriet om Jozef!" En zijn ogen werden wit van droefheid, en hij verviel in stille zwaarmoedigheid.
وَتَوَلَّىٰ عَنْهُمْ وَقَالَ يَٰٓأَسَفَىٰ عَلَىٰ يُوسُفَ وَٱبْيَضَّتْ عَيْنَاهُ مِنَ ٱلْحُزْنِ فَهُوَ كَظِيمٌ
Zij zeiden: "Bij Allah! (nooit) zult u ophouden Jozef te gedenken totdat u het uiterste van ziekte bereikt, of totdat u sterft!"
قَالُوا۟ تَٱللَّهِ تَفْتَؤُا۟ تَذْكُرُ يُوسُفَ حَتَّىٰ تَكُونَ حَرَضًا أَوْ تَكُونَ مِنَ ٱلْهَٰلِكِينَ
Hij zei: "Ik klaag mijn droefenis en smart slechts bij Allah, en ik weet van Allah wat u niet weet..."
قَالَ إِنَّمَآ أَشْكُوا۟ بَثِّى وَحُزْنِىٓ إِلَى ٱللَّهِ وَأَعْلَمُ مِنَ ٱللَّهِ مَا لَا تَعْلَمُونَ
"O mijn zonen! ga heen en doe navraag naar Jozef en zijn broer, en geef nooit de hoop op Allahs vertroostende barmhartigheid op: waarlijk, niemand wanhoopt aan Allahs vertroostende barmhartigheid, dan zij die geen geloof hebben."
يَٰبَنِىَّ ٱذْهَبُوا۟ فَتَحَسَّسُوا۟ مِن يُوسُفَ وَأَخِيهِ وَلَا تَا۟يْـَٔسُوا۟ مِن رَّوْحِ ٱللَّهِ إِنَّهُۥ لَا يَا۟يْـَٔسُ مِن رَّوْحِ ٱللَّهِ إِلَّا ٱلْقَوْمُ ٱلْكَٰفِرُونَ
Jozef maakt zich bekend aan zijn broers
Toen zij dan (weer) voor (Jozef) verschenen, zeiden zij: "O verhevene! nood heeft ons en ons gezin getroffen: wij hebben (nu) slechts schamel kapitaal meegebracht: geef ons daarom de volle maat, (zo bidden wij u), en beschouw het als liefdadigheid aan ons: want Allah beloont de liefdadigen."
فَلَمَّا دَخَلُوا۟ عَلَيْهِ قَالُوا۟ يَٰٓأَيُّهَا ٱلْعَزِيزُ مَسَّنَا وَأَهْلَنَا ٱلضُّرُّ وَجِئْنَا بِبِضَٰعَةٍ مُّزْجَىٰةٍ فَأَوْفِ لَنَا ٱلْكَيْلَ وَتَصَدَّقْ عَلَيْنَآ إِنَّ ٱللَّهَ يَجْزِى ٱلْمُتَصَدِّقِينَ
Hij zei: "Weet u hoe u met Jozef en zijn broer gehandeld hebt, zonder te weten (wat u deed)?"
قَالَ هَلْ عَلِمْتُم مَّا فَعَلْتُم بِيُوسُفَ وَأَخِيهِ إِذْ أَنتُمْ جَٰهِلُونَ
Zij zeiden: "Bent u waarlijk Jozef?" Hij zei: "Ik ben Jozef, en dit is mijn broer: Allah is ons (allen) waarlijk genadig geweest: zie, wie rechtvaardig en geduldig is,- nooit zal Allah het loon verloren laten gaan van hen die goeddoen."
قَالُوٓا۟ أَءِنَّكَ لَأَنتَ يُوسُفُ قَالَ أَنَا۠ يُوسُفُ وَهَٰذَآ أَخِى قَدْ مَنَّ ٱللَّهُ عَلَيْنَآ إِنَّهُۥ مَن يَتَّقِ وَيَصْبِرْ فَإِنَّ ٱللَّهَ لَا يُضِيعُ أَجْرَ ٱلْمُحْسِنِينَ
Zij zeiden: "Bij Allah! waarlijk heeft Allah u boven ons verkozen, en wij zijn zeker schuldig geweest aan zonde!"
قَالُوا۟ تَٱللَّهِ لَقَدْ ءَاثَرَكَ ٱللَّهُ عَلَيْنَا وَإِن كُنَّا لَخَٰطِـِٔينَ
Hij zei: "Laat er heden geen verwijt op u (geworpen) worden: Allah zal u vergeven, en Hij is de Meest Barmhartige van hen die barmhartigheid bewijzen!"
قَالَ لَا تَثْرِيبَ عَلَيْكُمُ ٱلْيَوْمَ يَغْفِرُ ٱللَّهُ لَكُمْ وَهُوَ أَرْحَمُ ٱلرَّٰحِمِينَ
"Ga met dit hemd van mij, en werp het over het gezicht van mijn vader: hij zal (weer helder) gaan zien. Kom dan (hier) tot mij, tezamen met heel uw familie."
ٱذْهَبُوا۟ بِقَمِيصِى هَٰذَا فَأَلْقُوهُ عَلَىٰ وَجْهِ أَبِى يَأْتِ بَصِيرًا وَأْتُونِى بِأَهْلِكُمْ أَجْمَعِينَ
De hereniging met Jakob en de vervulling van de droom
Toen de karavaan (Egypte) verliet, zei hun vader: "Ik ruik waarlijk de aanwezigheid van Jozef: nee, houd mij niet voor een kindse grijsaard."
وَلَمَّا فَصَلَتِ ٱلْعِيرُ قَالَ أَبُوهُمْ إِنِّى لَأَجِدُ رِيحَ يُوسُفَ لَوْلَآ أَن تُفَنِّدُونِ
Zij zeiden: "Bij Allah! waarlijk, u verkeert in uw oude dwaling van geest."
قَالُوا۟ تَٱللَّهِ إِنَّكَ لَفِى ضَلَٰلِكَ ٱلْقَدِيمِ
Toen dan de brenger van het goede nieuws kwam, wierp hij (het hemd) over zijn gezicht, en hij kreeg terstond weer helder gezicht. Hij zei: "Heb ik u niet gezegd: 'Ik weet van Allah wat u niet weet?'"
فَلَمَّآ أَن جَآءَ ٱلْبَشِيرُ أَلْقَىٰهُ عَلَىٰ وَجْهِهِۦ فَٱرْتَدَّ بَصِيرًا قَالَ أَلَمْ أَقُل لَّكُمْ إِنِّىٓ أَعْلَمُ مِنَ ٱللَّهِ مَا لَا تَعْلَمُونَ
Zij zeiden: "O onze vader! vraag voor ons vergeving voor onze zonden, want wij zijn waarlijk in gebreke geweest."
قَالُوا۟ يَٰٓأَبَانَا ٱسْتَغْفِرْ لَنَا ذُنُوبَنَآ إِنَّا كُنَّا خَٰطِـِٔينَ
Hij zei: "Weldra zal ik mijn Heer vergeving voor u vragen: want Hij is waarlijk de Veelvergevende, de Meest Barmhartige."
قَالَ سَوْفَ أَسْتَغْفِرُ لَكُمْ رَبِّىٓ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلْغَفُورُ ٱلرَّحِيمُ
Toen zij dan bij Jozef binnentraden, verschafte hij zijn ouders een woning bij zichzelf, en zei: "Treed (allen) Egypte binnen in veiligheid, indien het Allah behaagt."
فَلَمَّا دَخَلُوا۟ عَلَىٰ يُوسُفَ ءَاوَىٰٓ إِلَيْهِ أَبَوَيْهِ وَقَالَ ٱدْخُلُوا۟ مِصْرَ إِن شَآءَ ٱللَّهُ ءَامِنِينَ
En hij verhief zijn ouders hoog op de troon (van waardigheid), en zij wierpen zich (allen) voor hem neer. Hij zei: "O mijn vader! dit is de vervulling van mijn visioen van weleer! Allah heeft het doen uitkomen! Hij is waarlijk goed voor mij geweest, toen Hij mij uit de gevangenis haalde en u (allen hier) uit de woestijn bracht, (zelfs) nadat Satan vijandschap gezaaid had tussen mij en mijn broers. Voorwaar, mijn Heer verstaat het best de verborgenheden van al wat Hij beraamt te doen, want voorwaar, Hij is vol kennis en wijsheid."
وَرَفَعَ أَبَوَيْهِ عَلَى ٱلْعَرْشِ وَخَرُّوا۟ لَهُۥ سُجَّدًا وَقَالَ يَٰٓأَبَتِ هَٰذَا تَأْوِيلُ رُءْيَٰىَ مِن قَبْلُ قَدْ جَعَلَهَا رَبِّى حَقًّا وَقَدْ أَحْسَنَ بِىٓ إِذْ أَخْرَجَنِى مِنَ ٱلسِّجْنِ وَجَآءَ بِكُم مِّنَ ٱلْبَدْوِ مِنۢ بَعْدِ أَن نَّزَغَ ٱلشَّيْطَٰنُ بَيْنِى وَبَيْنَ إِخْوَتِىٓ إِنَّ رَبِّى لَطِيفٌ لِّمَا يَشَآءُ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلْعَلِيمُ ٱلْحَكِيمُ
"O mijn Heer! U hebt mij waarlijk enige macht geschonken, en mij iets geleerd van de uitleg van dromen en gebeurtenissen,- o U, Schepper van de hemelen en de aarde! U bent mijn Beschermer in deze wereld en in het hiernamaals. Neemt U mijn ziel (bij de dood) als één die zich aan Uw wil onderwerpt (als een moslim), en verenig mij met de rechtvaardigen."
رَبِّ قَدْ ءَاتَيْتَنِى مِنَ ٱلْمُلْكِ وَعَلَّمْتَنِى مِن تَأْوِيلِ ٱلْأَحَادِيثِ فَاطِرَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ أَنتَ وَلِىِّۦ فِى ٱلدُّنْيَا وَٱلْـَٔاخِرَةِ تَوَفَّنِى مُسْلِمًا وَأَلْحِقْنِى بِٱلصَّٰلِحِينَ
Lessen uit de geschiedenis
Dit is één van de geschiedenissen van hetgeen ongezien geschied is, die Wij door ingeving aan u openbaren; en u was niet bij hen (aanwezig) toen zij tezamen hun plannen beraamden, terwijl zij hun listen smeedden.
ذَٰلِكَ مِنْ أَنۢبَآءِ ٱلْغَيْبِ نُوحِيهِ إِلَيْكَ وَمَا كُنتَ لَدَيْهِمْ إِذْ أَجْمَعُوٓا۟ أَمْرَهُمْ وَهُمْ يَمْكُرُونَ
Toch zal het grootste deel van de mensheid geen geloof hebben, hoe vurig u het ook verlangt.
وَمَآ أَكْثَرُ ٱلنَّاسِ وَلَوْ حَرَصْتَ بِمُؤْمِنِينَ
En u vraagt hun geen loon hiervoor: het is niets minder dan een boodschap voor alle schepselen.
وَمَا تَسْـَٔلُهُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ إِنْ هُوَ إِلَّا ذِكْرٌ لِّلْعَٰلَمِينَ
En aan hoeveel tekenen in de hemelen en de aarde gaan zij voorbij? Toch wenden zij zich (met hun gezicht) daarvan af!
وَكَأَيِّن مِّنْ ءَايَةٍ فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ يَمُرُّونَ عَلَيْهَا وَهُمْ عَنْهَا مُعْرِضُونَ
En de meesten van hen geloven niet in Allah zonder (anderen als deelgenoten) aan Hem toe te voegen!
وَمَا يُؤْمِنُ أَكْثَرُهُم بِٱللَّهِ إِلَّا وَهُم مُّشْرِكُونَ
Voelen zij zich dan veilig voor het over hen komen van de bedekkende sluier van de toorn van Allah,- of voor het over hen komen van het (laatste) uur, geheel plotseling, terwijl zij het niet bemerken?
أَفَأَمِنُوٓا۟ أَن تَأْتِيَهُمْ غَٰشِيَةٌ مِّنْ عَذَابِ ٱللَّهِ أَوْ تَأْتِيَهُمُ ٱلسَّاعَةُ بَغْتَةً وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ
Zeg: "Dit is mijn weg: ik nodig uit tot Allah,- op grond van bewijs, zo helder als het zien met eigen ogen,- ik en wie mij volgt. Ere zij Allah! en nooit zal ik goden aan Allah toevoegen!"
قُلْ هَٰذِهِۦ سَبِيلِىٓ أَدْعُوٓا۟ إِلَى ٱللَّهِ عَلَىٰ بَصِيرَةٍ أَنَا۠ وَمَنِ ٱتَّبَعَنِى وَسُبْحَٰنَ ٱللَّهِ وَمَآ أَنَا۠ مِنَ ٱلْمُشْرِكِينَ
En Wij zonden vóór u (als boodschappers) niets dan mannen, die Wij ingaven,- (mannen) die in menselijke woonplaatsen leefden. Reizen zij dan niet over de aarde, om te zien wat het einde was van hen die vóór hen waren? Maar het huis van het hiernamaals is het beste, voor hen die goeddoen. Zult u dan niet verstaan?
وَمَآ أَرْسَلْنَا مِن قَبْلِكَ إِلَّا رِجَالًا نُّوحِىٓ إِلَيْهِم مِّنْ أَهْلِ ٱلْقُرَىٰٓ أَفَلَمْ يَسِيرُوا۟ فِى ٱلْأَرْضِ فَيَنظُرُوا۟ كَيْفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ وَلَدَارُ ٱلْـَٔاخِرَةِ خَيْرٌ لِّلَّذِينَ ٱتَّقَوْا۟ أَفَلَا تَعْقِلُونَ
(Uitstel zal verleend worden) totdat, wanneer de boodschappers de hoop (op hun volk) opgeven en (gaan) denken dat zij als leugenaars behandeld werden, Onze hulp hen bereikt, en zij die Wij willen, in veiligheid worden gebracht. Maar nooit zal Onze straf worden afgewend van hen die in zonde zijn.
حَتَّىٰٓ إِذَا ٱسْتَيْـَٔسَ ٱلرُّسُلُ وَظَنُّوٓا۟ أَنَّهُمْ قَدْ كُذِبُوا۟ جَآءَهُمْ نَصْرُنَا فَنُجِّىَ مَن نَّشَآءُ وَلَا يُرَدُّ بَأْسُنَا عَنِ ٱلْقَوْمِ ٱلْمُجْرِمِينَ
Er is in hun geschiedenissen onderwijzing voor mensen die met verstand begiftigd zijn. Het is geen verzonnen verhaal, maar een bevestiging van wat eraan voorafging,- een uitvoerige uiteenzetting van alle dingen, en een leiding en een barmhartigheid voor al wie geloven.
لَقَدْ كَانَ فِى قَصَصِهِمْ عِبْرَةٌ لِّأُو۟لِى ٱلْأَلْبَٰبِ مَا كَانَ حَدِيثًا يُفْتَرَىٰ وَلَٰكِن تَصْدِيقَ ٱلَّذِى بَيْنَ يَدَيْهِ وَتَفْصِيلَ كُلِّ شَىْءٍ وَهُدًى وَرَحْمَةً لِّقَوْمٍ يُؤْمِنُونَ