Open Koran Weergave
Deze site is in concept en onder zware bewerking. Versie 1 staat gepland voor 1 september 2026.

Soera 11. Hoed — Hoed

Deze vertaling is in bewerking en heeft de status van een concept; de tekst wordt nog gecontroleerd en kan wijzigen.

De Nederlandse weergave van soera 11 (Hoed, “Hoed”), 123 verzen, naar de Engelse vertaling van Abdullah Yusuf Ali (1934, publiek domein). Lees deze soera interactief met het Arabische origineel, transliteratie, voorleesfunctie en toelichting.

De Koran als waarschuwing en oproep tot Allah

1

Alif, Lām, Rā (الٓر) (Dit is) een Boek, met verzen die de grondslag vormen (van vaststaande betekenis), nader in bijzonderheden uiteengezet — van Hem Die Wijs en Welbekend is (met alle dingen):

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ الٓر كِتَٰبٌ أُحْكِمَتْ ءَايَٰتُهُۥ ثُمَّ فُصِّلَتْ مِن لَّدُنْ حَكِيمٍ خَبِيرٍ

2

(Het leert) dat u niemand dan Allah dienen zult. (Zeg): "Voorwaar, ik ben van Hem tot u (gezonden) om te waarschuwen en een blijde boodschap te brengen:"

أَلَّا تَعْبُدُوٓا۟ إِلَّا ٱللَّهَ إِنَّنِى لَكُم مِّنْهُ نَذِيرٌ وَبَشِيرٌ

3

"(En om aldus te prediken): 'Zoek de vergeving van uw Heer, en keer u tot Hem in berouw; opdat Hij u een goed (en waarachtig) genot schenke, voor een vastgestelde termijn, en Zijn overvloedige genade schenke aan allen die overvloedig zijn in verdienste! Maar indien u zich afkeert, dan vrees ik voor u de straf van een grote dag:'"

وَأَنِ ٱسْتَغْفِرُوا۟ رَبَّكُمْ ثُمَّ تُوبُوٓا۟ إِلَيْهِ يُمَتِّعْكُم مَّتَٰعًا حَسَنًا إِلَىٰٓ أَجَلٍ مُّسَمًّى وَيُؤْتِ كُلَّ ذِى فَضْلٍ فَضْلَهُۥ وَإِن تَوَلَّوْا۟ فَإِنِّىٓ أَخَافُ عَلَيْكُمْ عَذَابَ يَوْمٍ كَبِيرٍ

4

"'Tot Allah is uw terugkeer, en Hij heeft macht over alle dingen.'"

إِلَى ٱللَّهِ مَرْجِعُكُمْ وَهُوَ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍ قَدِيرٌ

Allah's alwetendheid en de ondankbaarheid van de mens

5

Zie! zij vouwen hun hart toe, opdat zij zich voor Hem verbergen! Ach, zelfs wanneer zij zich met hun kleding bedekken, weet Hij wat zij verbergen en wat zij openbaren: want Hij kent de (binnenste geheimen) van de harten wel.

أَلَآ إِنَّهُمْ يَثْنُونَ صُدُورَهُمْ لِيَسْتَخْفُوا۟ مِنْهُ أَلَا حِينَ يَسْتَغْشُونَ ثِيَابَهُمْ يَعْلَمُ مَا يُسِرُّونَ وَمَا يُعْلِنُونَ إِنَّهُۥ عَلِيمٌۢ بِذَاتِ ٱلصُّدُورِ

6

Er is geen bewegend schepsel op aarde, of zijn onderhoud hangt af van Allah: Hij kent de tijd en plaats van zijn vaste verblijf en zijn tijdelijke bewaarplaats: alles is in een duidelijk geschrift.

وَمَا مِن دَآبَّةٍ فِى ٱلْأَرْضِ إِلَّا عَلَى ٱللَّهِ رِزْقُهَا وَيَعْلَمُ مُسْتَقَرَّهَا وَمُسْتَوْدَعَهَا كُلٌّ فِى كِتَٰبٍ مُّبِينٍ

7

Hij is het Die de hemelen en de aarde in zes dagen geschapen heeft - en Zijn troon was boven de wateren - opdat Hij u zou beproeven, wie van u het best is in gedrag. Maar indien u tot hen zou zeggen: "U zult voorzeker na de dood opgewekt worden", dan zouden de ongelovigen zeker zeggen: "Dit is niets dan klaarblijkelijke tovenarij!"

وَهُوَ ٱلَّذِى خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ فِى سِتَّةِ أَيَّامٍ وَكَانَ عَرْشُهُۥ عَلَى ٱلْمَآءِ لِيَبْلُوَكُمْ أَيُّكُمْ أَحْسَنُ عَمَلًا وَلَئِن قُلْتَ إِنَّكُم مَّبْعُوثُونَ مِنۢ بَعْدِ ٱلْمَوْتِ لَيَقُولَنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓا۟ إِنْ هَٰذَآ إِلَّا سِحْرٌ مُّبِينٌ

8

Indien Wij de straf voor hen uitstellen tot een vastgestelde termijn, zeggen zij zeker: "Wat houdt haar tegen?" Ach! Op de dag dat zij hen (werkelijk) bereikt, zal niets haar van hen afwenden, en zij zullen geheel omsingeld worden door hetgeen waarmee zij plachten te spotten!

وَلَئِنْ أَخَّرْنَا عَنْهُمُ ٱلْعَذَابَ إِلَىٰٓ أُمَّةٍ مَّعْدُودَةٍ لَّيَقُولُنَّ مَا يَحْبِسُهُۥٓ أَلَا يَوْمَ يَأْتِيهِمْ لَيْسَ مَصْرُوفًا عَنْهُمْ وَحَاقَ بِهِم مَّا كَانُوا۟ بِهِۦ يَسْتَهْزِءُونَ

9

Indien Wij de mens een voorproef geven van barmhartigheid van Onszelf, en die daarna van hem wegnemen, zie! hij is in wanhoop en (vervalt tot) godslastering.

وَلَئِنْ أَذَقْنَا ٱلْإِنسَٰنَ مِنَّا رَحْمَةً ثُمَّ نَزَعْنَٰهَا مِنْهُ إِنَّهُۥ لَيَـُٔوسٌ كَفُورٌ

10

Maar indien Wij hem een voorproef geven van (Onze) gunsten nadat tegenspoed hem getroffen heeft, zegt hij zeker: "Alle kwaad is van mij geweken:" Zie! hij vervalt tot uitgelatenheid en hoogmoed.

وَلَئِنْ أَذَقْنَٰهُ نَعْمَآءَ بَعْدَ ضَرَّآءَ مَسَّتْهُ لَيَقُولَنَّ ذَهَبَ ٱلسَّيِّـَٔاتُ عَنِّىٓ إِنَّهُۥ لَفَرِحٌ فَخُورٌ

11

Niet zo doen zij die geduld en standvastigheid tonen, en goede daden verrichten; voor hen is er vergeving (van zonden) en een groot loon.

إِلَّا ٱلَّذِينَ صَبَرُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ أُو۟لَٰٓئِكَ لَهُم مَّغْفِرَةٌ وَأَجْرٌ كَبِيرٌ

De uitdaging om gelijke soera's voort te brengen

12

Wellicht zou u (de neiging kunnen voelen) om een deel op te geven van wat aan u geopenbaard is, en uw hart daardoor benauwd wordt uit vrees dat zij zeggen: "Waarom is er geen schat tot hem neergezonden, of waarom komt er geen engel met hem mee?" Maar u bent er slechts om te waarschuwen! Het is Allah Die alle zaken beschikt!

فَلَعَلَّكَ تَارِكٌۢ بَعْضَ مَا يُوحَىٰٓ إِلَيْكَ وَضَآئِقٌۢ بِهِۦ صَدْرُكَ أَن يَقُولُوا۟ لَوْلَآ أُنزِلَ عَلَيْهِ كَنزٌ أَوْ جَآءَ مَعَهُۥ مَلَكٌ إِنَّمَآ أَنتَ نَذِيرٌ وَٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍ وَكِيلٌ

13

Of zij zeggen wellicht: "Hij heeft het verzonnen." Zeg: "Breng dan tien verzonnen soera's, daaraan gelijk, en roep (tot uw hulp) wie u maar kunt, buiten Allah!- indien u de waarheid spreekt!"

أَمْ يَقُولُونَ ٱفْتَرَىٰهُ قُلْ فَأْتُوا۟ بِعَشْرِ سُوَرٍ مِّثْلِهِۦ مُفْتَرَيَٰتٍ وَٱدْعُوا۟ مَنِ ٱسْتَطَعْتُم مِّن دُونِ ٱللَّهِ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ

14

"Indien zij (uw valse goden) dan uw (roep) niet beantwoorden, weet dan dat deze openbaring is neergezonden (vervuld) met de kennis van Allah, en dat er geen god is dan Hij! zult u zich zelfs dan (aan de islam) onderwerpen?"

فَإِلَّمْ يَسْتَجِيبُوا۟ لَكُمْ فَٱعْلَمُوٓا۟ أَنَّمَآ أُنزِلَ بِعِلْمِ ٱللَّهِ وَأَن لَّآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ فَهَلْ أَنتُم مُّسْلِمُونَ

15

Zij die het leven van het heden en zijn schittering begeren,- hun zullen Wij (de prijs van) hun daden daarin betalen,- zonder vermindering.

مَن كَانَ يُرِيدُ ٱلْحَيَوٰةَ ٱلدُّنْيَا وَزِينَتَهَا نُوَفِّ إِلَيْهِمْ أَعْمَٰلَهُمْ فِيهَا وَهُمْ فِيهَا لَا يُبْخَسُونَ

16

Zij zijn het voor wie er in het hiernamaals niets is dan het vuur: ijdel zijn de plannen die zij daarin smeden, en zonder uitwerking zijn de daden die zij doen!

أُو۟لَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ لَيْسَ لَهُمْ فِى ٱلْـَٔاخِرَةِ إِلَّا ٱلنَّارُ وَحَبِطَ مَا صَنَعُوا۟ فِيهَا وَبَٰطِلٌ مَّا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ

Gelovigen en leugenaars tegenover de openbaring

17

Kunnen zij (gelijk) zijn aan hen die een duidelijk (teken) van hun Heer aanvaarden, en die een getuige van Hemzelf onderwijst, zoals het Boek van Mozes vóór hem,- een leidsman en een barmhartigheid? Zij geloven daarin; maar zij van de sekten die het verwerpen,- het vuur zal hun beloofde ontmoetingsplaats zijn. Wees dan niet in twijfel daarover: want het is de waarheid van uw Heer: doch velen onder de mensen geloven niet!

أَفَمَن كَانَ عَلَىٰ بَيِّنَةٍ مِّن رَّبِّهِۦ وَيَتْلُوهُ شَاهِدٌ مِّنْهُ وَمِن قَبْلِهِۦ كِتَٰبُ مُوسَىٰٓ إِمَامًا وَرَحْمَةً أُو۟لَٰٓئِكَ يُؤْمِنُونَ بِهِۦ وَمَن يَكْفُرْ بِهِۦ مِنَ ٱلْأَحْزَابِ فَٱلنَّارُ مَوْعِدُهُۥ فَلَا تَكُ فِى مِرْيَةٍ مِّنْهُ إِنَّهُ ٱلْحَقُّ مِن رَّبِّكَ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يُؤْمِنُونَ

18

Wie doet meer onrecht dan zij die een leugen tegen Allah verzinnen? Zij zullen teruggevoerd worden voor het aangezicht van hun Heer, en de getuigen zullen zeggen: "Dezen zijn het die tegen hun Heer gelogen hebben! Zie! de vloek van Allah is op hen die onrecht doen!-"

وَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّنِ ٱفْتَرَىٰ عَلَى ٱللَّهِ كَذِبًا أُو۟لَٰٓئِكَ يُعْرَضُونَ عَلَىٰ رَبِّهِمْ وَيَقُولُ ٱلْأَشْهَٰدُ هَٰٓؤُلَآءِ ٱلَّذِينَ كَذَبُوا۟ عَلَىٰ رَبِّهِمْ أَلَا لَعْنَةُ ٱللَّهِ عَلَى ٱلظَّٰلِمِينَ

19

"Zij die (de mensen) van het pad van Allah afhouden en daarin iets kroms zoeken: dezen waren het die het hiernamaals loochenden!"

ٱلَّذِينَ يَصُدُّونَ عَن سَبِيلِ ٱللَّهِ وَيَبْغُونَهَا عِوَجًا وَهُم بِٱلْـَٔاخِرَةِ هُمْ كَٰفِرُونَ

20

Zij zullen (Zijn plan) op aarde geenszins verijdelen, noch hebben zij beschermers buiten Allah! Hun straf zal verdubbeld worden! Zij verloren het vermogen om te horen, en zij zagen niet!

أُو۟لَٰٓئِكَ لَمْ يَكُونُوا۟ مُعْجِزِينَ فِى ٱلْأَرْضِ وَمَا كَانَ لَهُم مِّن دُونِ ٱللَّهِ مِنْ أَوْلِيَآءَ يُضَٰعَفُ لَهُمُ ٱلْعَذَابُ مَا كَانُوا۟ يَسْتَطِيعُونَ ٱلسَّمْعَ وَمَا كَانُوا۟ يُبْصِرُونَ

21

Zij zijn het die hun eigen ziel verloren hebben: en de (verzinsels) die zij uitdachten, hebben hen in de steek gelaten!

أُو۟لَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ خَسِرُوٓا۟ أَنفُسَهُمْ وَضَلَّ عَنْهُم مَّا كَانُوا۟ يَفْتَرُونَ

22

Zonder twijfel, dezen zijn juist degenen die in het hiernamaals het meest zullen verliezen!

لَا جَرَمَ أَنَّهُمْ فِى ٱلْـَٔاخِرَةِ هُمُ ٱلْأَخْسَرُونَ

23

Maar zij die geloven en goede daden verrichten, en zich verootmoedigen voor hun Heer,- zij zullen metgezellen van de hoven zijn, om daarin voor eeuwig te wonen!

إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ وَأَخْبَتُوٓا۟ إِلَىٰ رَبِّهِمْ أُو۟لَٰٓئِكَ أَصْحَٰبُ ٱلْجَنَّةِ هُمْ فِيهَا خَٰلِدُونَ

24

Deze twee soorten (mensen) kunnen vergeleken worden met de blinden en doven, en hen die goed kunnen zien en horen. Zijn zij gelijk wanneer zij vergeleken worden? Zult u dan geen acht slaan?

مَثَلُ ٱلْفَرِيقَيْنِ كَٱلْأَعْمَىٰ وَٱلْأَصَمِّ وَٱلْبَصِيرِ وَٱلسَّمِيعِ هَلْ يَسْتَوِيَانِ مَثَلًا أَفَلَا تَذَكَّرُونَ

Noach waarschuwt zijn volk

25

Wij zonden Noach tot zijn volk (met een zending): "Ik ben tot u gekomen met een duidelijke waarschuwing:"

وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا نُوحًا إِلَىٰ قَوْمِهِۦٓ إِنِّى لَكُمْ نَذِيرٌ مُّبِينٌ

26

"Dat u niemand dan Allah dienen zult: voorwaar, ik vrees voor u de straf van een smartelijke dag."

أَن لَّا تَعْبُدُوٓا۟ إِلَّا ٱللَّهَ إِنِّىٓ أَخَافُ عَلَيْكُمْ عَذَابَ يَوْمٍ أَلِيمٍ

27

Maar de hoofden van de ongelovigen onder zijn volk zeiden: "Wij zien (in) u niets dan een mens zoals wijzelf: noch zien wij dat iemand u volgt dan de geringsten onder ons, onrijp in oordeel: noch zien wij in u (allen) enige verdienste boven ons: ja, wij menen dat u leugenaars bent!"

فَقَالَ ٱلْمَلَأُ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِن قَوْمِهِۦ مَا نَرَىٰكَ إِلَّا بَشَرًا مِّثْلَنَا وَمَا نَرَىٰكَ ٱتَّبَعَكَ إِلَّا ٱلَّذِينَ هُمْ أَرَاذِلُنَا بَادِىَ ٱلرَّأْىِ وَمَا نَرَىٰ لَكُمْ عَلَيْنَا مِن فَضْلٍۭ بَلْ نَظُنُّكُمْ كَٰذِبِينَ

28

Hij zei: "O mijn volk! Ziet u, indien (het zo is dat) ik een duidelijk teken van mijn Heer heb, en dat Hij mij barmhartigheid gezonden heeft van bij Hemzelf, maar dat die barmhartigheid voor uw ogen verborgen is gebleven? zullen wij u dwingen haar te aanvaarden, terwijl u er afkerig van bent?"

قَالَ يَٰقَوْمِ أَرَءَيْتُمْ إِن كُنتُ عَلَىٰ بَيِّنَةٍ مِّن رَّبِّى وَءَاتَىٰنِى رَحْمَةً مِّنْ عِندِهِۦ فَعُمِّيَتْ عَلَيْكُمْ أَنُلْزِمُكُمُوهَا وَأَنتُمْ لَهَا كَٰرِهُونَ

29

"En o mijn volk! Ik vraag u geen rijkdom als vergelding: mijn loon is van niemand dan Allah: maar ik zal hen die geloven niet (met verachting) wegdrijven: want voorwaar, zij zullen hun Heer ontmoeten, en u, zie ik, bent de onwetenden!"

وَيَٰقَوْمِ لَآ أَسْـَٔلُكُمْ عَلَيْهِ مَالًا إِنْ أَجْرِىَ إِلَّا عَلَى ٱللَّهِ وَمَآ أَنَا۠ بِطَارِدِ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ إِنَّهُم مُّلَٰقُوا۟ رَبِّهِمْ وَلَٰكِنِّىٓ أَرَىٰكُمْ قَوْمًا تَجْهَلُونَ

30

"En o mijn volk! wie zou mij helpen tegen Allah, indien ik hen wegdreef? Zult u dan geen acht slaan?"

وَيَٰقَوْمِ مَن يَنصُرُنِى مِنَ ٱللَّهِ إِن طَرَدتُّهُمْ أَفَلَا تَذَكَّرُونَ

31

"Ik zeg u niet dat bij mij de schatten van Allah zijn, noch weet ik wat verborgen is, noch beweer ik een engel te zijn. Evenmin zeg ik van hen die uw ogen verachten, dat Allah hun niet (al) het goede zal schenken: Allah weet het best wat in hun ziel is: ik zou, indien ik dat deed, inderdaad een onrechtdoener zijn."

وَلَآ أَقُولُ لَكُمْ عِندِى خَزَآئِنُ ٱللَّهِ وَلَآ أَعْلَمُ ٱلْغَيْبَ وَلَآ أَقُولُ إِنِّى مَلَكٌ وَلَآ أَقُولُ لِلَّذِينَ تَزْدَرِىٓ أَعْيُنُكُمْ لَن يُؤْتِيَهُمُ ٱللَّهُ خَيْرًا ٱللَّهُ أَعْلَمُ بِمَا فِىٓ أَنفُسِهِمْ إِنِّىٓ إِذًا لَّمِنَ ٱلظَّٰلِمِينَ

32

Zij zeiden: "O Noach! u hebt met ons getwist, en (veel) hebt u de twist met ons verlengd: breng nu over ons waarmee u ons dreigt, indien u de waarheid spreekt!"

قَالُوا۟ يَٰنُوحُ قَدْ جَٰدَلْتَنَا فَأَكْثَرْتَ جِدَٰلَنَا فَأْتِنَا بِمَا تَعِدُنَآ إِن كُنتَ مِنَ ٱلصَّٰدِقِينَ

33

Hij zei: "Waarlijk, Allah zal het over u brengen indien Hij wil,- en dan zult u het niet kunnen verijdelen!"

قَالَ إِنَّمَا يَأْتِيكُم بِهِ ٱللَّهُ إِن شَآءَ وَمَآ أَنتُم بِمُعْجِزِينَ

34

"Van geen nut zal mijn raad u zijn, hoezeer ik u ook (goede) raad wens te geven, indien het zo is dat Allah u wil laten afdwalen: Hij is uw Heer! en tot Hem zult u terugkeren!"

وَلَا يَنفَعُكُمْ نُصْحِىٓ إِنْ أَرَدتُّ أَنْ أَنصَحَ لَكُمْ إِن كَانَ ٱللَّهُ يُرِيدُ أَن يُغْوِيَكُمْ هُوَ رَبُّكُمْ وَإِلَيْهِ تُرْجَعُونَ

35

Of zeggen zij: "Hij heeft het verzonnen"? Zeg: "Indien ik het verzonnen had, dan waren mijn zonden op mij! en ik ben vrij van de zonden waaraan u schuldig bent!"

أَمْ يَقُولُونَ ٱفْتَرَىٰهُ قُلْ إِنِ ٱفْتَرَيْتُهُۥ فَعَلَىَّ إِجْرَامِى وَأَنَا۠ بَرِىٓءٌ مِّمَّا تُجْرِمُونَ

De bouw van de ark en de zondvloed

36

Aan Noach werd geopenbaard: "Niemand van uw volk zal geloven, behalve zij die reeds geloofd hebben! Treur dus niet langer over hun (boze) daden."

وَأُوحِىَ إِلَىٰ نُوحٍ أَنَّهُۥ لَن يُؤْمِنَ مِن قَوْمِكَ إِلَّا مَن قَدْ ءَامَنَ فَلَا تَبْتَئِسْ بِمَا كَانُوا۟ يَفْعَلُونَ

37

"Maar bouw een ark onder Onze ogen en Onze ingeving, en spreek Mij niet (verder) aan ten behoeve van hen die in zonde zijn: want zij staan op het punt (in de vloed) overweldigd te worden."

وَٱصْنَعِ ٱلْفُلْكَ بِأَعْيُنِنَا وَوَحْيِنَا وَلَا تُخَٰطِبْنِى فِى ٱلَّذِينَ ظَلَمُوٓا۟ إِنَّهُم مُّغْرَقُونَ

38

Terstond (begint) hij de ark te bouwen: telkens wanneer de hoofden van zijn volk hem voorbijgingen, dreven zij de spot met hem. Hij zei: "Indien u nu met ons spot, dan kunnen wij (op onze beurt) evenzo met spot op u neerzien!"

وَيَصْنَعُ ٱلْفُلْكَ وَكُلَّمَا مَرَّ عَلَيْهِ مَلَأٌ مِّن قَوْمِهِۦ سَخِرُوا۟ مِنْهُ قَالَ إِن تَسْخَرُوا۟ مِنَّا فَإِنَّا نَسْخَرُ مِنكُمْ كَمَا تَسْخَرُونَ

39

"Maar spoedig zult u weten op wie een straf zal neerdalen die hen met schande zal bedekken,- op wie een blijvende straf zal worden losgelaten:"

فَسَوْفَ تَعْلَمُونَ مَن يَأْتِيهِ عَذَابٌ يُخْزِيهِ وَيَحِلُّ عَلَيْهِ عَذَابٌ مُّقِيمٌ

40

Ten slotte, zie! daar kwam Ons bevel, en de fonteinen van de aarde barstten los! Wij zeiden: "Ga daarin aan boord, van elke soort twee, mannelijk en vrouwelijk, en uw gezin - behalve hen tegen wie het woord reeds is uitgegaan,- en de gelovigen." Maar slechts weinigen geloofden met hem.

حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءَ أَمْرُنَا وَفَارَ ٱلتَّنُّورُ قُلْنَا ٱحْمِلْ فِيهَا مِن كُلٍّ زَوْجَيْنِ ٱثْنَيْنِ وَأَهْلَكَ إِلَّا مَن سَبَقَ عَلَيْهِ ٱلْقَوْلُ وَمَنْ ءَامَنَ وَمَآ ءَامَنَ مَعَهُۥٓ إِلَّا قَلِيلٌ

41

Toen zei hij: "Ga aan boord van de ark, in de naam van Allah, hetzij zij vaart of stilligt! Want mijn Heer is, wees er zeker van, de Veelvergevende, de Meest Barmhartige!"

وَقَالَ ٱرْكَبُوا۟ فِيهَا بِسْمِ ٱللَّهِ مَجْر۪ىٰهَا وَمُرْسَىٰهَآ إِنَّ رَبِّى لَغَفُورٌ رَّحِيمٌ

42

Zo voer de ark met hen op de golven, (torenhoog) als bergen, en Noach riep tot zijn zoon, die zich (van de overigen) had afgezonderd: "O mijn zoon! kom met ons aan boord, en wees niet met de ongelovigen!"

وَهِىَ تَجْرِى بِهِمْ فِى مَوْجٍ كَٱلْجِبَالِ وَنَادَىٰ نُوحٌ ٱبْنَهُۥ وَكَانَ فِى مَعْزِلٍ يَٰبُنَىَّ ٱرْكَب مَّعَنَا وَلَا تَكُن مَّعَ ٱلْكَٰفِرِينَ

43

De zoon antwoordde: "Ik zal mijn toevlucht nemen tot een berg: die zal mij van het water redden." Noach zei: "Deze dag kan niets redden van het bevel van Allah, dan alleen zij over wie Hij Zich ontfermt!" En de golven kwamen tussen hen, en de zoon was onder hen die in de vloed overweldigd werden.

قَالَ سَـَٔاوِىٓ إِلَىٰ جَبَلٍ يَعْصِمُنِى مِنَ ٱلْمَآءِ قَالَ لَا عَاصِمَ ٱلْيَوْمَ مِنْ أَمْرِ ٱللَّهِ إِلَّا مَن رَّحِمَ وَحَالَ بَيْنَهُمَا ٱلْمَوْجُ فَكَانَ مِنَ ٱلْمُغْرَقِينَ

44

Toen ging het woord uit: "O aarde! verzwelg uw water, en o hemel! houd (uw regen) in!" en het water zakte, en de zaak was beëindigd. De ark rustte op de berg Judi, en het woord ging uit: "Weg met hen die onrecht doen!"

وَقِيلَ يَٰٓأَرْضُ ٱبْلَعِى مَآءَكِ وَيَٰسَمَآءُ أَقْلِعِى وَغِيضَ ٱلْمَآءُ وَقُضِىَ ٱلْأَمْرُ وَٱسْتَوَتْ عَلَى ٱلْجُودِىِّ وَقِيلَ بُعْدًا لِّلْقَوْمِ ٱلظَّٰلِمِينَ

Noach en zijn verdronken zoon

45

En Noach riep tot zijn Heer, en zei: "O mijn Heer! mijn zoon is toch van mijn gezin! en Uw belofte is waar, en U bent de Rechtvaardigste van de rechters!"

وَنَادَىٰ نُوحٌ رَّبَّهُۥ فَقَالَ رَبِّ إِنَّ ٱبْنِى مِنْ أَهْلِى وَإِنَّ وَعْدَكَ ٱلْحَقُّ وَأَنتَ أَحْكَمُ ٱلْحَٰكِمِينَ

46

Hij zei: "O Noach! Hij is niet van uw gezin: want zijn gedrag is onrechtvaardig. Vraag Mij dus niet dat waarvan u geen kennis hebt! Ik geef u raad, opdat u niet handelt als de onwetenden!"

قَالَ يَٰنُوحُ إِنَّهُۥ لَيْسَ مِنْ أَهْلِكَ إِنَّهُۥ عَمَلٌ غَيْرُ صَٰلِحٍ فَلَا تَسْـَٔلْنِ مَا لَيْسَ لَكَ بِهِۦ عِلْمٌ إِنِّىٓ أَعِظُكَ أَن تَكُونَ مِنَ ٱلْجَٰهِلِينَ

47

Noach zei: "O mijn Heer! ik zoek toevlucht bij U, opdat ik U niet vraag dat waarvan ik geen kennis heb. En tenzij U mij vergeeft en U Zich over mij ontfermt, zou ik inderdaad verloren zijn!"

قَالَ رَبِّ إِنِّىٓ أَعُوذُ بِكَ أَنْ أَسْـَٔلَكَ مَا لَيْسَ لِى بِهِۦ عِلْمٌ وَإِلَّا تَغْفِرْ لِى وَتَرْحَمْنِىٓ أَكُن مِّنَ ٱلْخَٰسِرِينَ

48

Het woord kwam: "O Noach! Kom neer (van de ark) met vrede van Ons, en zegen op u en op sommige van de volken (die zullen voortkomen) uit hen die met u zijn: maar (er zullen andere) volken zijn aan wie Wij hun genietingen zullen schenken (voor een tijd), maar ten slotte zal een smartelijke straf van Ons hen bereiken."

قِيلَ يَٰنُوحُ ٱهْبِطْ بِسَلَٰمٍ مِّنَّا وَبَرَكَٰتٍ عَلَيْكَ وَعَلَىٰٓ أُمَمٍ مِّمَّن مَّعَكَ وَأُمَمٌ سَنُمَتِّعُهُمْ ثُمَّ يَمَسُّهُم مِّنَّا عَذَابٌ أَلِيمٌ

49

Zodanig zijn enige van de geschiedenissen van het onzienlijke, die Wij aan u geopenbaard hebben: vóór dezen kende noch u noch uw volk ze. Volhard dus geduldig: want het einde is voor hen die rechtvaardig zijn.

تِلْكَ مِنْ أَنۢبَآءِ ٱلْغَيْبِ نُوحِيهَآ إِلَيْكَ مَا كُنتَ تَعْلَمُهَآ أَنتَ وَلَا قَوْمُكَ مِن قَبْلِ هَٰذَا فَٱصْبِرْ إِنَّ ٱلْعَٰقِبَةَ لِلْمُتَّقِينَ

Hud en het volk van 'Ad

50

Tot het volk van 'Ad (zonden Wij) Hud, een van hun eigen broeders. Hij zei: "O mijn volk! dien Allah! u hebt geen andere god dan Hem. (Uw andere goden) verzint u slechts!"

وَإِلَىٰ عَادٍ أَخَاهُمْ هُودًا قَالَ يَٰقَوْمِ ٱعْبُدُوا۟ ٱللَّهَ مَا لَكُم مِّنْ إِلَٰهٍ غَيْرُهُۥٓ إِنْ أَنتُمْ إِلَّا مُفْتَرُونَ

51

"O mijn volk! Ik vraag van u geen loon voor deze (boodschap). Mijn loon is van niemand dan Hem Die mij geschapen heeft: zult u dan niet verstaan?"

يَٰقَوْمِ لَآ أَسْـَٔلُكُمْ عَلَيْهِ أَجْرًا إِنْ أَجْرِىَ إِلَّا عَلَى ٱلَّذِى فَطَرَنِىٓ أَفَلَا تَعْقِلُونَ

52

"En o mijn volk! Vraag vergeving van uw Heer, en keer u tot Hem (in berouw): Hij zal u de hemelen zenden die overvloedige regen uitgieten, en kracht toevoegen aan uw kracht: keer dus niet terug in zonde!"

وَيَٰقَوْمِ ٱسْتَغْفِرُوا۟ رَبَّكُمْ ثُمَّ تُوبُوٓا۟ إِلَيْهِ يُرْسِلِ ٱلسَّمَآءَ عَلَيْكُم مِّدْرَارًا وَيَزِدْكُمْ قُوَّةً إِلَىٰ قُوَّتِكُمْ وَلَا تَتَوَلَّوْا۟ مُجْرِمِينَ

53

Zij zeiden: "O Hud! Geen duidelijk (teken) hebt u ons gebracht, en wij zijn niet degenen die onze goden verlaten op uw woord! Noch zullen wij in u geloven!"

قَالُوا۟ يَٰهُودُ مَا جِئْتَنَا بِبَيِّنَةٍ وَمَا نَحْنُ بِتَارِكِىٓ ءَالِهَتِنَا عَن قَوْلِكَ وَمَا نَحْنُ لَكَ بِمُؤْمِنِينَ

54

"Wij zeggen niets anders dan dat (wellicht) sommige van onze goden u met zwakzinnigheid getroffen hebben." Hij zei: "Ik roep Allah tot getuige, en getuigt u ook, dat ik vrij ben van de zonde van het toeschrijven, aan Hem,"

إِن نَّقُولُ إِلَّا ٱعْتَرَىٰكَ بَعْضُ ءَالِهَتِنَا بِسُوٓءٍ قَالَ إِنِّىٓ أُشْهِدُ ٱللَّهَ وَٱشْهَدُوٓا۟ أَنِّى بَرِىٓءٌ مِّمَّا تُشْرِكُونَ

55

"Van andere goden als deelgenoten! smeed dus (uw ergste) plannen tegen mij, u allen, en geef mij geen uitstel."

مِن دُونِهِۦ فَكِيدُونِى جَمِيعًا ثُمَّ لَا تُنظِرُونِ

56

"Ik stel mijn vertrouwen op Allah, mijn Heer en uw Heer! Er is geen bewegend schepsel, of Hij heeft het bij zijn voorhoofdslok gegrepen. Voorwaar, het is mijn Heer Die op een recht pad is."

إِنِّى تَوَكَّلْتُ عَلَى ٱللَّهِ رَبِّى وَرَبِّكُم مَّا مِن دَآبَّةٍ إِلَّا هُوَ ءَاخِذٌۢ بِنَاصِيَتِهَآ إِنَّ رَبِّى عَلَىٰ صِرَٰطٍ مُّسْتَقِيمٍ

57

"Indien u zich afkeert,- ik heb (althans) de boodschap overgebracht waarmee ik tot u gezonden was. Mijn Heer zal een ander volk in uw plaats doen opvolgen, en u zult Hem in het minst niet schaden. Want mijn Heer heeft zorg en toezicht over alle dingen."

فَإِن تَوَلَّوْا۟ فَقَدْ أَبْلَغْتُكُم مَّآ أُرْسِلْتُ بِهِۦٓ إِلَيْكُمْ وَيَسْتَخْلِفُ رَبِّى قَوْمًا غَيْرَكُمْ وَلَا تَضُرُّونَهُۥ شَيْـًٔا إِنَّ رَبِّى عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍ حَفِيظٌ

58

Toen Ons besluit uitging, redden Wij Hud en hen die met hem geloofden, door (bijzondere) genade van Onszelf: Wij redden hen van een zware straf.

وَلَمَّا جَآءَ أَمْرُنَا نَجَّيْنَا هُودًا وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ مَعَهُۥ بِرَحْمَةٍ مِّنَّا وَنَجَّيْنَٰهُم مِّنْ عَذَابٍ غَلِيظٍ

59

Zodanig was het volk van 'Ad: zij verwierpen de tekenen van hun Heer en Verzorger; waren Zijn boodschappers ongehoorzaam; en volgden het bevel van elke machtige, hardnekkige overtreder.

وَتِلْكَ عَادٌ جَحَدُوا۟ بِـَٔايَٰتِ رَبِّهِمْ وَعَصَوْا۟ رُسُلَهُۥ وَٱتَّبَعُوٓا۟ أَمْرَ كُلِّ جَبَّارٍ عَنِيدٍ

60

En zij werden achtervolgd door een vloek in dit leven,- en op de dag van het oordeel. Ach! Zie! want de 'Ad verwierpen hun Heer en Verzorger! Ach! Zie! weggenomen (uit het gezicht) werden de 'Ad, het volk van Hud!

وَأُتْبِعُوا۟ فِى هَٰذِهِ ٱلدُّنْيَا لَعْنَةً وَيَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ أَلَآ إِنَّ عَادًا كَفَرُوا۟ رَبَّهُمْ أَلَا بُعْدًا لِّعَادٍ قَوْمِ هُودٍ

Salih en het volk van Thamud

61

Tot het volk van Thamud (zonden Wij) Salih, een van hun eigen broeders. Hij zei: "O mijn volk! Dien Allah: u hebt geen andere god dan Hem. Hij is het Die u uit de aarde heeft voortgebracht en u daarin heeft gevestigd: vraag Hem dus vergeving, en keer u tot Hem (in berouw): want mijn Heer is (altijd) nabij, gereed om te verhoren."

وَإِلَىٰ ثَمُودَ أَخَاهُمْ صَٰلِحًا قَالَ يَٰقَوْمِ ٱعْبُدُوا۟ ٱللَّهَ مَا لَكُم مِّنْ إِلَٰهٍ غَيْرُهُۥ هُوَ أَنشَأَكُم مِّنَ ٱلْأَرْضِ وَٱسْتَعْمَرَكُمْ فِيهَا فَٱسْتَغْفِرُوهُ ثُمَّ تُوبُوٓا۟ إِلَيْهِ إِنَّ رَبِّى قَرِيبٌ مُّجِيبٌ

62

Zij zeiden: "O Salih! u bent een van ons geweest! een middelpunt van onze hoop tot nu toe! verbiedt u ons (nu) de aanbidding van wat onze vaderen aanbaden? Maar wij zijn werkelijk in achterdochtige (verontrustende) twijfel over dat waartoe u ons uitnodigt."

قَالُوا۟ يَٰصَٰلِحُ قَدْ كُنتَ فِينَا مَرْجُوًّا قَبْلَ هَٰذَآ أَتَنْهَىٰنَآ أَن نَّعْبُدَ مَا يَعْبُدُ ءَابَآؤُنَا وَإِنَّنَا لَفِى شَكٍّ مِّمَّا تَدْعُونَآ إِلَيْهِ مُرِيبٍ

63

Hij zei: "O mijn volk! ziet u? indien ik een duidelijk (teken) van mijn Heer heb en Hij mij barmhartigheid van Hemzelf gezonden heeft,- wie kan mij dan helpen tegen Allah, indien ik Hem ongehoorzaam zou zijn? Wat zou u dan aan mijn (deel) toevoegen dan verderf?"

قَالَ يَٰقَوْمِ أَرَءَيْتُمْ إِن كُنتُ عَلَىٰ بَيِّنَةٍ مِّن رَّبِّى وَءَاتَىٰنِى مِنْهُ رَحْمَةً فَمَن يَنصُرُنِى مِنَ ٱللَّهِ إِنْ عَصَيْتُهُۥ فَمَا تَزِيدُونَنِى غَيْرَ تَخْسِيرٍ

64

"En o mijn volk! Deze kamelin van Allah is u een zinnebeeld: laat haar weiden op Allahs (vrije) aarde, en doe haar geen kwaad, of een snelle straf zal u grijpen!"

وَيَٰقَوْمِ هَٰذِهِۦ نَاقَةُ ٱللَّهِ لَكُمْ ءَايَةً فَذَرُوهَا تَأْكُلْ فِىٓ أَرْضِ ٱللَّهِ وَلَا تَمَسُّوهَا بِسُوٓءٍ فَيَأْخُذَكُمْ عَذَابٌ قَرِيبٌ

65

Maar zij sneden haar toch de pezen door. Toen zei hij: "Vermaak u in uw huizen gedurende drie dagen: (dan zal uw ondergang komen): (zie) daar een belofte die niet gelogenstraft zal worden!"

فَعَقَرُوهَا فَقَالَ تَمَتَّعُوا۟ فِى دَارِكُمْ ثَلَٰثَةَ أَيَّامٍ ذَٰلِكَ وَعْدٌ غَيْرُ مَكْذُوبٍ

66

Toen Ons besluit uitging, redden Wij Salih en hen die met hem geloofden, door (bijzondere) genade van Onszelf - en van de smaad van die dag. Want uw Heer - Hij is de Sterke, en machtig om Zijn wil te volvoeren.

فَلَمَّا جَآءَ أَمْرُنَا نَجَّيْنَا صَٰلِحًا وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ مَعَهُۥ بِرَحْمَةٍ مِّنَّا وَمِنْ خِزْىِ يَوْمِئِذٍ إِنَّ رَبَّكَ هُوَ ٱلْقَوِىُّ ٱلْعَزِيزُ

67

De (machtige) donderslag overviel de onrechtdoeners, en zij lagen vóór de morgen uitgestrekt neer in hun huizen,-

وَأَخَذَ ٱلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ ٱلصَّيْحَةُ فَأَصْبَحُوا۟ فِى دِيَٰرِهِمْ جَٰثِمِينَ

68

Alsof zij daar nooit gewoond en gebloeid hadden. Ach! Zie! want de Thamud verwierpen hun Heer en Verzorger! Ach! Zie! weggenomen (uit het gezicht) werden de Thamud!

كَأَن لَّمْ يَغْنَوْا۟ فِيهَآ أَلَآ إِنَّ ثَمُودَا۟ كَفَرُوا۟ رَبَّهُمْ أَلَا بُعْدًا لِّثَمُودَ

Abraham en de aankondiging van Izak

69

Daar kwamen Onze boodschappers tot Abraham met een blijde boodschap. Zij zeiden: "Vrede!" Hij antwoordde: "Vrede!" en haastte zich hen te onthalen met een gebraden kalf.

وَلَقَدْ جَآءَتْ رُسُلُنَآ إِبْرَٰهِيمَ بِٱلْبُشْرَىٰ قَالُوا۟ سَلَٰمًا قَالَ سَلَٰمٌ فَمَا لَبِثَ أَن جَآءَ بِعِجْلٍ حَنِيذٍ

70

Maar toen hij zag dat hun handen niet naar de (maaltijd) gingen, koesterde hij enig wantrouwen jegens hen, en vatte vrees voor hen op. Zij zeiden: "Vrees niet: wij zijn gezonden tegen het volk van Lut."

فَلَمَّا رَءَآ أَيْدِيَهُمْ لَا تَصِلُ إِلَيْهِ نَكِرَهُمْ وَأَوْجَسَ مِنْهُمْ خِيفَةً قَالُوا۟ لَا تَخَفْ إِنَّآ أُرْسِلْنَآ إِلَىٰ قَوْمِ لُوطٍ

71

En zijn vrouw stond (daar), en zij lachte: maar Wij gaven haar de blijde boodschap van Izak, en na hem, van Jakob.

وَٱمْرَأَتُهُۥ قَآئِمَةٌ فَضَحِكَتْ فَبَشَّرْنَٰهَا بِإِسْحَٰقَ وَمِن وَرَآءِ إِسْحَٰقَ يَعْقُوبَ

72

Zij zei: "Wee mij! zal ik een kind baren, terwijl ik een oude vrouw ben, en mijn man hier een oude man is? Dat zou inderdaad een wonderlijke zaak zijn!"

قَالَتْ يَٰوَيْلَتَىٰٓ ءَأَلِدُ وَأَنَا۠ عَجُوزٌ وَهَٰذَا بَعْلِى شَيْخًا إِنَّ هَٰذَا لَشَىْءٌ عَجِيبٌ

73

Zij zeiden: "Verwondert u zich over het besluit van Allah? De genade van Allah en Zijn zegeningen zijn over u, o mensen van het huis! want Hij is inderdaad alle lof waardig, vol van alle heerlijkheid!"

قَالُوٓا۟ أَتَعْجَبِينَ مِنْ أَمْرِ ٱللَّهِ رَحْمَتُ ٱللَّهِ وَبَرَكَٰتُهُۥ عَلَيْكُمْ أَهْلَ ٱلْبَيْتِ إِنَّهُۥ حَمِيدٌ مَّجِيدٌ

74

Toen de vrees van (het gemoed van) Abraham geweken was en de blijde boodschap hem bereikt had, begon hij bij Ons te pleiten voor het volk van Lut.

فَلَمَّا ذَهَبَ عَنْ إِبْرَٰهِيمَ ٱلرَّوْعُ وَجَآءَتْهُ ٱلْبُشْرَىٰ يُجَٰدِلُنَا فِى قَوْمِ لُوطٍ

75

Want Abraham was, zonder twijfel, verdraagzaam (jegens fouten), mededogend, en gewoon zich tot Allah te wenden.

إِنَّ إِبْرَٰهِيمَ لَحَلِيمٌ أَوَّٰهٌ مُّنِيبٌ

76

O Abraham! Zoek dit niet. Het besluit van uw Heer is uitgegaan: over hen komt een straf die niet kan worden afgewend!

يَٰٓإِبْرَٰهِيمُ أَعْرِضْ عَنْ هَٰذَآ إِنَّهُۥ قَدْ جَآءَ أَمْرُ رَبِّكَ وَإِنَّهُمْ ءَاتِيهِمْ عَذَابٌ غَيْرُ مَرْدُودٍ

Lot en de ondergang van zijn volk

77

Toen Onze boodschappers tot Lut kwamen, was hij bedroefd om hunnentwil en voelde zich machteloos (om) hen (te beschermen). Hij zei: "Dit is een benauwde dag."

وَلَمَّا جَآءَتْ رُسُلُنَا لُوطًا سِىٓءَ بِهِمْ وَضَاقَ بِهِمْ ذَرْعًا وَقَالَ هَٰذَا يَوْمٌ عَصِيبٌ

78

En zijn volk kwam haastig op hem toegesneld, en zij waren van oudsher gewoon gruwelen te bedrijven. Hij zei: "O mijn volk! Hier zijn mijn dochters: zij zijn reiner voor u (indien u trouwt)! Vrees nu Allah, en bedek mij niet met schande wat mijn gasten betreft! Is er onder u niet één rechtgeaard man?"

وَجَآءَهُۥ قَوْمُهُۥ يُهْرَعُونَ إِلَيْهِ وَمِن قَبْلُ كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ ٱلسَّيِّـَٔاتِ قَالَ يَٰقَوْمِ هَٰٓؤُلَآءِ بَنَاتِى هُنَّ أَطْهَرُ لَكُمْ فَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ وَلَا تُخْزُونِ فِى ضَيْفِىٓ أَلَيْسَ مِنكُمْ رَجُلٌ رَّشِيدٌ

79

Zij zeiden: "U weet zeer wel dat wij uw dochters niet nodig hebben: ja, u weet heel goed wat wij willen!"

قَالُوا۟ لَقَدْ عَلِمْتَ مَا لَنَا فِى بَنَاتِكَ مِنْ حَقٍّ وَإِنَّكَ لَتَعْلَمُ مَا نُرِيدُ

80

Hij zei: "Had ik maar de macht om u te bedwingen, of kon ik maar mijn toevlucht nemen tot een machtige steun."

قَالَ لَوْ أَنَّ لِى بِكُمْ قُوَّةً أَوْ ءَاوِىٓ إِلَىٰ رُكْنٍ شَدِيدٍ

81

(De boodschappers) zeiden: "O Lut! Wij zijn boodschappers van uw Heer! Zij zullen u geenszins bereiken! reis nu met uw gezin terwijl nog een deel van de nacht rest, en laat niemand van u omzien: maar uw vrouw (zal achterblijven): haar zal overkomen wat het volk overkomt. De morgen is hun vastgestelde tijd: is de morgen niet nabij?"

قَالُوا۟ يَٰلُوطُ إِنَّا رُسُلُ رَبِّكَ لَن يَصِلُوٓا۟ إِلَيْكَ فَأَسْرِ بِأَهْلِكَ بِقِطْعٍ مِّنَ ٱلَّيْلِ وَلَا يَلْتَفِتْ مِنكُمْ أَحَدٌ إِلَّا ٱمْرَأَتَكَ إِنَّهُۥ مُصِيبُهَا مَآ أَصَابَهُمْ إِنَّ مَوْعِدَهُمُ ٱلصُّبْحُ أَلَيْسَ ٱلصُّبْحُ بِقَرِيبٍ

82

Toen Ons besluit uitging, keerden Wij (de steden) ondersteboven, en regenden op hen zwavelstenen neer, hard als gebakken klei, uitgespreid, laag op laag,-

فَلَمَّا جَآءَ أَمْرُنَا جَعَلْنَا عَٰلِيَهَا سَافِلَهَا وَأَمْطَرْنَا عَلَيْهَا حِجَارَةً مِّن سِجِّيلٍ مَّنضُودٍ

83

Gemerkt als van uw Heer: en zij zijn nooit ver van hen die onrecht doen!

مُّسَوَّمَةً عِندَ رَبِّكَ وَمَا هِىَ مِنَ ٱلظَّٰلِمِينَ بِبَعِيدٍ

Shu'aib en het volk van Midian

84

Tot het volk van Madyan (zonden Wij) Shu'aib, een van hun eigen broeders: hij zei: "O mijn volk! dien Allah: u hebt geen andere god dan Hem. En geef geen te krappe maat of gewicht: ik zie u in voorspoed, maar ik vrees voor u de straf van een dag die (u) van alle kanten zal omvatten."

وَإِلَىٰ مَدْيَنَ أَخَاهُمْ شُعَيْبًا قَالَ يَٰقَوْمِ ٱعْبُدُوا۟ ٱللَّهَ مَا لَكُم مِّنْ إِلَٰهٍ غَيْرُهُۥ وَلَا تَنقُصُوا۟ ٱلْمِكْيَالَ وَٱلْمِيزَانَ إِنِّىٓ أَرَىٰكُم بِخَيْرٍ وَإِنِّىٓ أَخَافُ عَلَيْكُمْ عَذَابَ يَوْمٍ مُّحِيطٍ

85

"En o mijn volk! geef volle maat en gewicht, en onthoud de mensen niet de dingen die hun toekomen: bedrijf geen kwaad in het land met het oogmerk verderf te stichten."

وَيَٰقَوْمِ أَوْفُوا۟ ٱلْمِكْيَالَ وَٱلْمِيزَانَ بِٱلْقِسْطِ وَلَا تَبْخَسُوا۟ ٱلنَّاسَ أَشْيَآءَهُمْ وَلَا تَعْثَوْا۟ فِى ٱلْأَرْضِ مُفْسِدِينَ

86

"Dat wat Allah u overlaat, is het beste voor u, indien u (maar) geloofde! maar ik ben niet over u gesteld om te waken!"

بَقِيَّتُ ٱللَّهِ خَيْرٌ لَّكُمْ إِن كُنتُم مُّؤْمِنِينَ وَمَآ أَنَا۠ عَلَيْكُم بِحَفِيظٍ

87

Zij zeiden: "O Shu'aib! Gebiedt uw (godsdienst van) gebed u dat wij de aanbidding nalaten die onze vaderen beoefenden, of dat wij nalaten met ons eigendom te doen wat ons belieft? waarlijk, u bent degene die verdraagzaam is jegens fouten en rechtgeaard!"

قَالُوا۟ يَٰشُعَيْبُ أَصَلَوٰتُكَ تَأْمُرُكَ أَن نَّتْرُكَ مَا يَعْبُدُ ءَابَآؤُنَآ أَوْ أَن نَّفْعَلَ فِىٓ أَمْوَٰلِنَا مَا نَشَٰٓؤُا۟ إِنَّكَ لَأَنتَ ٱلْحَلِيمُ ٱلرَّشِيدُ

88

Hij zei: "O mijn volk! ziet u of ik een duidelijk (teken) van mijn Heer heb, en Hij mij een (rein en) goed levensonderhoud van Hemzelf gegeven heeft? Ik wens niet, in strijd met u, datgene te doen wat ik u verbied te doen. Ik verlang slechts (uw) verbetering naar mijn beste vermogen; en mijn welslagen (in mijn taak) kan alleen van Allah komen. Op Hem vertrouw ik, en tot Hem wend ik mij."

قَالَ يَٰقَوْمِ أَرَءَيْتُمْ إِن كُنتُ عَلَىٰ بَيِّنَةٍ مِّن رَّبِّى وَرَزَقَنِى مِنْهُ رِزْقًا حَسَنًا وَمَآ أُرِيدُ أَنْ أُخَالِفَكُمْ إِلَىٰ مَآ أَنْهَىٰكُمْ عَنْهُ إِنْ أُرِيدُ إِلَّا ٱلْإِصْلَٰحَ مَا ٱسْتَطَعْتُ وَمَا تَوْفِيقِىٓ إِلَّا بِٱللَّهِ عَلَيْهِ تَوَكَّلْتُ وَإِلَيْهِ أُنِيبُ

89

"En o mijn volk! laat mijn onenigheid (met u) u niet tot zonde brengen, opdat u niet een lot ondergaat gelijk aan dat van het volk van Noach of van Hud of van Salih, en het volk van Lut is niet ver van u!"

وَيَٰقَوْمِ لَا يَجْرِمَنَّكُمْ شِقَاقِىٓ أَن يُصِيبَكُم مِّثْلُ مَآ أَصَابَ قَوْمَ نُوحٍ أَوْ قَوْمَ هُودٍ أَوْ قَوْمَ صَٰلِحٍ وَمَا قَوْمُ لُوطٍ مِّنكُم بِبَعِيدٍ

90

"Maar vraag vergeving van uw Heer, en keer u tot Hem (in berouw): want mijn Heer is inderdaad vol barmhartigheid en goedertierenheid."

وَٱسْتَغْفِرُوا۟ رَبَّكُمْ ثُمَّ تُوبُوٓا۟ إِلَيْهِ إِنَّ رَبِّى رَحِيمٌ وَدُودٌ

91

Zij zeiden: "O Shu'aib! veel van wat u zegt, verstaan wij niet! Ja, wij zien onder ons dat u geen kracht hebt! Ware het niet om uw familie, wij zouden u zeker gestenigd hebben! want u hebt onder ons geen grote positie!"

قَالُوا۟ يَٰشُعَيْبُ مَا نَفْقَهُ كَثِيرًا مِّمَّا تَقُولُ وَإِنَّا لَنَرَىٰكَ فِينَا ضَعِيفًا وَلَوْلَا رَهْطُكَ لَرَجَمْنَٰكَ وَمَآ أَنتَ عَلَيْنَا بِعَزِيزٍ

92

Hij zei: "O mijn volk! is dan mijn familie bij u in hoger aanzien dan Allah? Want u werpt Hem (met verachting) achter uw rug. Maar voorwaar, mijn Heer omvat van alle zijden al wat u doet!"

قَالَ يَٰقَوْمِ أَرَهْطِىٓ أَعَزُّ عَلَيْكُم مِّنَ ٱللَّهِ وَٱتَّخَذْتُمُوهُ وَرَآءَكُمْ ظِهْرِيًّا إِنَّ رَبِّى بِمَا تَعْمَلُونَ مُحِيطٌ

93

"En o mijn volk! Doe al wat u kunt: ik zal (mijn deel) doen: spoedig zult u weten op wie de straf van de smaad neerdaalt; en wie een leugenaar is! en waak! want ook ik waak met u!"

وَيَٰقَوْمِ ٱعْمَلُوا۟ عَلَىٰ مَكَانَتِكُمْ إِنِّى عَٰمِلٌ سَوْفَ تَعْلَمُونَ مَن يَأْتِيهِ عَذَابٌ يُخْزِيهِ وَمَنْ هُوَ كَٰذِبٌ وَٱرْتَقِبُوٓا۟ إِنِّى مَعَكُمْ رَقِيبٌ

94

Toen Ons besluit uitging, redden Wij Shu'aib en hen die met hem geloofden, door (bijzondere) barmhartigheid van Onszelf: maar de (machtige) donderslag greep de onrechtdoeners, en zij lagen tegen de morgen uitgestrekt neer in hun huizen,-

وَلَمَّا جَآءَ أَمْرُنَا نَجَّيْنَا شُعَيْبًا وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ مَعَهُۥ بِرَحْمَةٍ مِّنَّا وَأَخَذَتِ ٱلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ ٱلصَّيْحَةُ فَأَصْبَحُوا۟ فِى دِيَٰرِهِمْ جَٰثِمِينَ

95

Alsof zij daar nooit gewoond en gebloeid hadden! Ach! Zie! Hoe de Madyan werden weggenomen (uit het gezicht), zoals de Thamud werden weggenomen!

كَأَن لَّمْ يَغْنَوْا۟ فِيهَآ أَلَا بُعْدًا لِّمَدْيَنَ كَمَا بَعِدَتْ ثَمُودُ

Mozes en Farao

96

En Wij zonden Mozes, met Onze duidelijke (tekenen) en een klaarblijkelijk gezag,

وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا مُوسَىٰ بِـَٔايَٰتِنَا وَسُلْطَٰنٍ مُّبِينٍ

97

Tot Farao en zijn hoofden: maar zij volgden het bevel van Farao, en het bevel van Farao was geen rechte (leidsman).

إِلَىٰ فِرْعَوْنَ وَمَلَإِي۟هِۦ فَٱتَّبَعُوٓا۟ أَمْرَ فِرْعَوْنَ وَمَآ أَمْرُ فِرْعَوْنَ بِرَشِيدٍ

98

Hij zal op de dag van het oordeel voor zijn volk uitgaan, en hen in het vuur leiden (zoals vee naar het water geleid wordt): maar jammerlijk voorwaar zal de plaats zijn waarheen zij geleid worden!

يَقْدُمُ قَوْمَهُۥ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ فَأَوْرَدَهُمُ ٱلنَّارَ وَبِئْسَ ٱلْوِرْدُ ٱلْمَوْرُودُ

99

En zij worden gevolgd door een vloek in dit (leven) en op de dag van het oordeel: en jammerlijk is de gave die (hun) gegeven zal worden!

وَأُتْبِعُوا۟ فِى هَٰذِهِۦ لَعْنَةً وَيَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ بِئْسَ ٱلرِّفْدُ ٱلْمَرْفُودُ

De les van de vernietigde volken

100

Dit zijn enige van de geschiedenissen van gemeenschappen die Wij u verhalen: sommige daarvan staan nog, en sommige zijn (door de sikkel van de tijd) neergemaaid.

ذَٰلِكَ مِنْ أَنۢبَآءِ ٱلْقُرَىٰ نَقُصُّهُۥ عَلَيْكَ مِنْهَا قَآئِمٌ وَحَصِيدٌ

101

Wij waren het niet die hun onrecht deden: zij deden hun eigen ziel onrecht: de godheden buiten Allah, die zij aanriepen, baatten hun in het geheel niet toen het besluit van uw Heer uitging: en zij voegden (aan hun lot) niets toe dan verderf!

وَمَا ظَلَمْنَٰهُمْ وَلَٰكِن ظَلَمُوٓا۟ أَنفُسَهُمْ فَمَآ أَغْنَتْ عَنْهُمْ ءَالِهَتُهُمُ ٱلَّتِى يَدْعُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ مِن شَىْءٍ لَّمَّا جَآءَ أَمْرُ رَبِّكَ وَمَا زَادُوهُمْ غَيْرَ تَتْبِيبٍ

102

Zodanig is de kastijding van uw Heer wanneer Hij gemeenschappen kastijdt te midden van hun onrecht: smartelijk, voorwaar, en zwaar is Zijn kastijding.

وَكَذَٰلِكَ أَخْذُ رَبِّكَ إِذَآ أَخَذَ ٱلْقُرَىٰ وَهِىَ ظَٰلِمَةٌ إِنَّ أَخْذَهُۥٓ أَلِيمٌ شَدِيدٌ

103

Daarin is een teken voor hen die de straf van het hiernamaals vrezen: dat is een dag waarvoor de mensheid zal worden samengebracht: dat zal een dag van getuigenis zijn.

إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَـَٔايَةً لِّمَنْ خَافَ عَذَابَ ٱلْـَٔاخِرَةِ ذَٰلِكَ يَوْمٌ مَّجْمُوعٌ لَّهُ ٱلنَّاسُ وَذَٰلِكَ يَوْمٌ مَّشْهُودٌ

104

En Wij zullen die niet uitstellen dan tot een vastgestelde termijn.

وَمَا نُؤَخِّرُهُۥٓ إِلَّا لِأَجَلٍ مَّعْدُودٍ

105

De dag dat hij aanbreekt, zal geen ziel spreken dan met Zijn verlof: van hen (die vergaderd zijn) zullen sommigen ellendig zijn en sommigen gezegend.

يَوْمَ يَأْتِ لَا تَكَلَّمُ نَفْسٌ إِلَّا بِإِذْنِهِۦ فَمِنْهُمْ شَقِىٌّ وَسَعِيدٌ

106

Zij die ellendig zijn, zullen in het vuur zijn: daar zal er voor hen daarin (niets anders) zijn (dan) het slaken van zuchten en snikken:

فَأَمَّا ٱلَّذِينَ شَقُوا۟ فَفِى ٱلنَّارِ لَهُمْ فِيهَا زَفِيرٌ وَشَهِيقٌ

107

Zij zullen daarin wonen al de tijd dat de hemelen en de aarde bestaan, behalve zoals uw Heer wil: want uw Heer is de (zekere) volbrenger van wat Hij Zich voorneemt.

خَٰلِدِينَ فِيهَا مَا دَامَتِ ٱلسَّمَٰوَٰتُ وَٱلْأَرْضُ إِلَّا مَا شَآءَ رَبُّكَ إِنَّ رَبَّكَ فَعَّالٌ لِّمَا يُرِيدُ

108

En zij die gezegend zijn, zullen in de hof zijn: zij zullen daarin wonen al de tijd dat de hemelen en de aarde bestaan, behalve zoals uw Heer wil: een gave zonder onderbreking.

وَأَمَّا ٱلَّذِينَ سُعِدُوا۟ فَفِى ٱلْجَنَّةِ خَٰلِدِينَ فِيهَا مَا دَامَتِ ٱلسَّمَٰوَٰتُ وَٱلْأَرْضُ إِلَّا مَا شَآءَ رَبُّكَ عَطَآءً غَيْرَ مَجْذُوذٍ

109

Wees dan niet in twijfel over wat deze mensen aanbidden. Zij aanbidden niets anders dan wat hun vaderen vóór (hen) aanbaden: maar voorwaar, Wij zullen hun hun deel (ten volle) terugbetalen, zonder (de minste) vermindering.

فَلَا تَكُ فِى مِرْيَةٍ مِّمَّا يَعْبُدُ هَٰٓؤُلَآءِ مَا يَعْبُدُونَ إِلَّا كَمَا يَعْبُدُ ءَابَآؤُهُم مِّن قَبْلُ وَإِنَّا لَمُوَفُّوهُمْ نَصِيبَهُمْ غَيْرَ مَنقُوصٍ

De strijd over de openbaring en het laatste oordeel

110

Wij gaven voorzeker het Boek aan Mozes, maar er ontstonden geschillen daarover: ware het niet dat er tevoren een woord van uw Heer was uitgegaan, dan zou de zaak tussen hen beslist zijn, maar zij zijn in achterdochtige twijfel daarover.

وَلَقَدْ ءَاتَيْنَا مُوسَى ٱلْكِتَٰبَ فَٱخْتُلِفَ فِيهِ وَلَوْلَا كَلِمَةٌ سَبَقَتْ مِن رَّبِّكَ لَقُضِىَ بَيْنَهُمْ وَإِنَّهُمْ لَفِى شَكٍّ مِّنْهُ مُرِيبٍ

111

En, voorzeker, aan allen zal uw Heer (ten volle de vergelding van) hun daden terugbetalen: want Hij weet wel al wat zij doen.

وَإِنَّ كُلًّا لَّمَّا لَيُوَفِّيَنَّهُمْ رَبُّكَ أَعْمَٰلَهُمْ إِنَّهُۥ بِمَا يَعْمَلُونَ خَبِيرٌ

112

Sta daarom vast (op het rechte pad) zoals u geboden is,- u en zij die zich met u (tot Allah) keren; en overtreed niet (van het pad): want Hij ziet wel al wat u doet.

فَٱسْتَقِمْ كَمَآ أُمِرْتَ وَمَن تَابَ مَعَكَ وَلَا تَطْغَوْا۟ إِنَّهُۥ بِمَا تَعْمَلُونَ بَصِيرٌ

113

En neig niet tot hen die onrecht doen, of het vuur zal u grijpen; en u hebt geen beschermers buiten Allah, noch zult u geholpen worden.

وَلَا تَرْكَنُوٓا۟ إِلَى ٱلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ فَتَمَسَّكُمُ ٱلنَّارُ وَمَا لَكُم مِّن دُونِ ٱللَّهِ مِنْ أَوْلِيَآءَ ثُمَّ لَا تُنصَرُونَ

114

En verricht de vaste gebeden aan de twee einden van de dag en bij het naderen van de nacht: want de dingen die goed zijn, verdrijven die welke kwaad zijn: laat dat het woord van gedachtenis zijn voor hen die (hun Heer) gedenken:

وَأَقِمِ ٱلصَّلَوٰةَ طَرَفَىِ ٱلنَّهَارِ وَزُلَفًا مِّنَ ٱلَّيْلِ إِنَّ ٱلْحَسَنَٰتِ يُذْهِبْنَ ٱلسَّيِّـَٔاتِ ذَٰلِكَ ذِكْرَىٰ لِلذَّٰكِرِينَ

115

En wees standvastig in geduld; want voorwaar, Allah zal het loon van de rechtvaardigen niet verloren laten gaan.

وَٱصْبِرْ فَإِنَّ ٱللَّهَ لَا يُضِيعُ أَجْرَ ٱلْمُحْسِنِينَ

116

Waarom waren er onder de geslachten vóór u geen personen met bezonnen goed verstand, die (de mensen) verboden verderf te stichten op de aarde - behalve enkelen onder hen die Wij (van het kwaad) redden? Maar de onrechtdoeners jaagden het genot na van de goede dingen van het leven die hun gegeven waren, en volhardden in zonde.

فَلَوْلَا كَانَ مِنَ ٱلْقُرُونِ مِن قَبْلِكُمْ أُو۟لُوا۟ بَقِيَّةٍ يَنْهَوْنَ عَنِ ٱلْفَسَادِ فِى ٱلْأَرْضِ إِلَّا قَلِيلًا مِّمَّنْ أَنجَيْنَا مِنْهُمْ وَٱتَّبَعَ ٱلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ مَآ أُتْرِفُوا۟ فِيهِ وَكَانُوا۟ مُجْرِمِينَ

117

En uw Heer zou niet Degene zijn Die gemeenschappen verdelgt om één enkel onrecht, indien hun leden zich waarschijnlijk zouden beteren.

وَمَا كَانَ رَبُّكَ لِيُهْلِكَ ٱلْقُرَىٰ بِظُلْمٍ وَأَهْلُهَا مُصْلِحُونَ

118

Indien uw Heer het zo gewild had, had Hij de mensheid tot één volk kunnen maken: maar zij zullen niet ophouden te twisten.

وَلَوْ شَآءَ رَبُّكَ لَجَعَلَ ٱلنَّاسَ أُمَّةً وَٰحِدَةً وَلَا يَزَالُونَ مُخْتَلِفِينَ

119

Behalve zij aan wie uw Heer Zijn barmhartigheid geschonken heeft: en hiertoe heeft Hij hen geschapen: en het woord van uw Heer zal vervuld worden: "Ik zal de hel vullen met djinn en mensen tezamen."

إِلَّا مَن رَّحِمَ رَبُّكَ وَلِذَٰلِكَ خَلَقَهُمْ وَتَمَّتْ كَلِمَةُ رَبِّكَ لَأَمْلَأَنَّ جَهَنَّمَ مِنَ ٱلْجِنَّةِ وَٱلنَّاسِ أَجْمَعِينَ

Standvastigheid en vertrouwen op Allah

120

Al wat Wij u verhalen van de geschiedenissen van de boodschappers,- daarmee maken Wij uw hart vast: daarin komt tot u de waarheid, alsook een vermaning en een boodschap van gedachtenis voor hen die geloven.

وَكُلًّا نَّقُصُّ عَلَيْكَ مِنْ أَنۢبَآءِ ٱلرُّسُلِ مَا نُثَبِّتُ بِهِۦ فُؤَادَكَ وَجَآءَكَ فِى هَٰذِهِ ٱلْحَقُّ وَمَوْعِظَةٌ وَذِكْرَىٰ لِلْمُؤْمِنِينَ

121

Zeg tot hen die niet geloven: "Doe al wat u kunt: wij zullen ons deel doen;"

وَقُل لِّلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ ٱعْمَلُوا۟ عَلَىٰ مَكَانَتِكُمْ إِنَّا عَٰمِلُونَ

122

"En wacht! Ook wij zullen wachten."

وَٱنتَظِرُوٓا۟ إِنَّا مُنتَظِرُونَ

123

Aan Allah behoren de onzienlijke (geheimen) van de hemelen en de aarde, en tot Hem keert elke zaak terug (ter beslissing): dien Hem dan, en stel uw vertrouwen op Hem: en uw Heer is niet onachtzaam voor iets van wat u doet.

وَلِلَّهِ غَيْبُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ وَإِلَيْهِ يُرْجَعُ ٱلْأَمْرُ كُلُّهُۥ فَٱعْبُدْهُ وَتَوَكَّلْ عَلَيْهِ وَمَا رَبُّكَ بِغَٰفِلٍ عَمَّا تَعْمَلُونَ