Open Koran Weergave
Deze site is in concept en onder zware bewerking. Versie 1 staat gepland voor 1 september 2026.

Soera 10. Joenoes — Jona

Deze vertaling is in bewerking en heeft de status van een concept; de tekst wordt nog gecontroleerd en kan wijzigen.

De Nederlandse weergave van soera 10 (Joenoes, “Jona”), 109 verzen, naar de Engelse vertaling van Abdullah Yusuf Ali (1934, publiek domein). Lees deze soera interactief met het Arabische origineel, transliteratie, voorleesfunctie en toelichting.

De openbaring en Allah als schepper

1

Alif, Lām, Rā (الٓر) Dit zijn de verzen van het Boek der Wijsheid.

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ الٓر تِلْكَ ءَايَٰتُ ٱلْكِتَٰبِ ٱلْحَكِيمِ

2

Is het voor de mensen een zaak van verwondering dat Wij Onze ingeving gezonden hebben tot een man uit hun midden? — opdat hij de mensheid zou waarschuwen (voor hun gevaar), en aan de gelovigen de goede tijding zou geven dat zij bij hun Heer de verheven rang van waarheid hebben. (Maar) de ongelovigen zeggen: "Dit is voorwaar een klaarblijkelijke tovenaar!"

أَكَانَ لِلنَّاسِ عَجَبًا أَنْ أَوْحَيْنَآ إِلَىٰ رَجُلٍ مِّنْهُمْ أَنْ أَنذِرِ ٱلنَّاسَ وَبَشِّرِ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ أَنَّ لَهُمْ قَدَمَ صِدْقٍ عِندَ رَبِّهِمْ قَالَ ٱلْكَٰفِرُونَ إِنَّ هَٰذَا لَسَٰحِرٌ مُّبِينٌ

3

Voorwaar, uw Heer is Allah, Die de hemelen en de aarde in zes dagen geschapen heeft, en Die vast gezeteld is op de troon (van gezag), alle dingen regelend en besturend. Geen voorspreker (kan bij Hem pleiten) dan nadat Zijn verlof (verkregen is). Dit is Allah, uw Heer; dient Hem daarom: zult u geen vermaning aannemen?

إِنَّ رَبَّكُمُ ٱللَّهُ ٱلَّذِى خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ فِى سِتَّةِ أَيَّامٍ ثُمَّ ٱسْتَوَىٰ عَلَى ٱلْعَرْشِ يُدَبِّرُ ٱلْأَمْرَ مَا مِن شَفِيعٍ إِلَّا مِنۢ بَعْدِ إِذْنِهِۦ ذَٰلِكُمُ ٱللَّهُ رَبُّكُمْ فَٱعْبُدُوهُ أَفَلَا تَذَكَّرُونَ

4

Tot Hem zal uw terugkeer zijn — van u allen. De belofte van Allah is waar en zeker. Hij is het Die het werk van de schepping begint, en het herhaalt, opdat Hij met gerechtigheid zou belonen hen die geloven en goede daden verrichten; maar zij die Hem verwerpen zullen dranken van kokende vloeistoffen hebben, en een smartelijke straf, omdat zij Hem verwierpen.

إِلَيْهِ مَرْجِعُكُمْ جَمِيعًا وَعْدَ ٱللَّهِ حَقًّا إِنَّهُۥ يَبْدَؤُا۟ ٱلْخَلْقَ ثُمَّ يُعِيدُهُۥ لِيَجْزِىَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ بِٱلْقِسْطِ وَٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ لَهُمْ شَرَابٌ مِّنْ حَمِيمٍ وَعَذَابٌ أَلِيمٌۢ بِمَا كَانُوا۟ يَكْفُرُونَ

5

Hij is het Die de zon gemaakt heeft tot een schijnende luister en de maan tot een licht (van schoonheid), en voor haar standen afgemeten heeft; opdat u het getal van de jaren zou kennen en de rekening (van de tijd). Geenszins heeft Allah dit geschapen dan in waarheid en gerechtigheid. (Aldus) legt Hij Zijn tekenen in bijzonderheden uit, voor hen die verstaan.

هُوَ ٱلَّذِى جَعَلَ ٱلشَّمْسَ ضِيَآءً وَٱلْقَمَرَ نُورًا وَقَدَّرَهُۥ مَنَازِلَ لِتَعْلَمُوا۟ عَدَدَ ٱلسِّنِينَ وَٱلْحِسَابَ مَا خَلَقَ ٱللَّهُ ذَٰلِكَ إِلَّا بِٱلْحَقِّ يُفَصِّلُ ٱلْـَٔايَٰتِ لِقَوْمٍ يَعْلَمُونَ

6

Voorwaar, in de afwisseling van de nacht en de dag, en in alles wat Allah geschapen heeft, in de hemelen en de aarde, zijn tekenen voor hen die Hem vrezen.

إِنَّ فِى ٱخْتِلَٰفِ ٱلَّيْلِ وَٱلنَّهَارِ وَمَا خَلَقَ ٱللَّهُ فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ لَـَٔايَٰتٍ لِّقَوْمٍ يَتَّقُونَ

7

Zij die hun hoop niet vestigen op hun ontmoeting met Ons, maar behagen scheppen in en tevreden zijn met het tegenwoordige leven, en zij die geen acht slaan op Onze tekenen, —

إِنَّ ٱلَّذِينَ لَا يَرْجُونَ لِقَآءَنَا وَرَضُوا۟ بِٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا وَٱطْمَأَنُّوا۟ بِهَا وَٱلَّذِينَ هُمْ عَنْ ءَايَٰتِنَا غَٰفِلُونَ

8

Hun verblijfplaats is het vuur, vanwege het (kwaad) dat zij verworven hebben.

أُو۟لَٰٓئِكَ مَأْوَىٰهُمُ ٱلنَّارُ بِمَا كَانُوا۟ يَكْسِبُونَ

9

Zij die geloven en goede daden verrichten, — hun Heer zal hen leiden vanwege hun geloof: onder hen zullen rivieren stromen in hoven van gelukzaligheid.

إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ يَهْدِيهِمْ رَبُّهُم بِإِيمَٰنِهِمْ تَجْرِى مِن تَحْتِهِمُ ٱلْأَنْهَٰرُ فِى جَنَّٰتِ ٱلنَّعِيمِ

10

(Dit zal) hun roep daarin (zijn): "Lof zij U, o Allah!" En "Vrede" zal daarin hun groet zijn! en het slot van hun roep zal zijn: "Geprezen zij Allah, de Onderhouder en Verzorger van de werelden!"

دَعْوَىٰهُمْ فِيهَا سُبْحَٰنَكَ ٱللَّهُمَّ وَتَحِيَّتُهُمْ فِيهَا سَلَٰمٌ وَءَاخِرُ دَعْوَىٰهُمْ أَنِ ٱلْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ

De ondankbaarheid van de mens en vroegere volken

11

Indien Allah voor de mensen het kwade (dat zij verworven hebben) zou verhaasten, zoals zij graag het goede verhaast zouden zien, — dan zou hun uitstel terstond beslist zijn. Maar Wij laten hen die hun hoop niet vestigen op hun ontmoeting met Ons, in hun overtredingen, verbijsterd heen en weer dwalen.

وَلَوْ يُعَجِّلُ ٱللَّهُ لِلنَّاسِ ٱلشَّرَّ ٱسْتِعْجَالَهُم بِٱلْخَيْرِ لَقُضِىَ إِلَيْهِمْ أَجَلُهُمْ فَنَذَرُ ٱلَّذِينَ لَا يَرْجُونَ لِقَآءَنَا فِى طُغْيَٰنِهِمْ يَعْمَهُونَ

12

Wanneer tegenspoed een mens treft, roept hij tot Ons (in alle houdingen) — liggend op zijn zijde, of zittend, of staand. Maar wanneer Wij zijn tegenspoed hebben weggenomen, gaat hij zijns weegs alsof hij Ons nooit had aangeroepen om een tegenspoed die hem trof! aldus schijnen de daden van de overtreders schoon in hun ogen!

وَإِذَا مَسَّ ٱلْإِنسَٰنَ ٱلضُّرُّ دَعَانَا لِجَنۢبِهِۦٓ أَوْ قَاعِدًا أَوْ قَآئِمًا فَلَمَّا كَشَفْنَا عَنْهُ ضُرَّهُۥ مَرَّ كَأَن لَّمْ يَدْعُنَآ إِلَىٰ ضُرٍّ مَّسَّهُۥ كَذَٰلِكَ زُيِّنَ لِلْمُسْرِفِينَ مَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ

13

Geslachten vóór u hebben Wij verdelgd toen zij onrecht deden: hun boodschappers kwamen tot hen met duidelijke tekenen, maar zij wilden niet geloven! aldus vergelden Wij hen die zondigen!

وَلَقَدْ أَهْلَكْنَا ٱلْقُرُونَ مِن قَبْلِكُمْ لَمَّا ظَلَمُوا۟ وَجَآءَتْهُمْ رُسُلُهُم بِٱلْبَيِّنَٰتِ وَمَا كَانُوا۟ لِيُؤْمِنُوا۟ كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْقَوْمَ ٱلْمُجْرِمِينَ

14

Daarna hebben Wij u tot erfgenamen in het land gemaakt na hen, om te zien hoe u zich gedragen zou!

ثُمَّ جَعَلْنَٰكُمْ خَلَٰٓئِفَ فِى ٱلْأَرْضِ مِنۢ بَعْدِهِمْ لِنَنظُرَ كَيْفَ تَعْمَلُونَ

De ongelovigen vragen een andere Koran

15

Maar wanneer Onze duidelijke tekenen aan hen voorgedragen worden, zeggen zij die hun hoop niet vestigen op hun ontmoeting met Ons: "Breng ons een andere voorlezing dan deze, of verander deze." Zeg: "Het staat niet aan mij, uit eigen beweging, haar te veranderen: ik volg niets dan hetgeen mij geopenbaard wordt: indien ik mijn Heer ongehoorzaam zou zijn, zou ik zelf de straf van een grote (komende) dag vrezen."

وَإِذَا تُتْلَىٰ عَلَيْهِمْ ءَايَاتُنَا بَيِّنَٰتٍ قَالَ ٱلَّذِينَ لَا يَرْجُونَ لِقَآءَنَا ٱئْتِ بِقُرْءَانٍ غَيْرِ هَٰذَآ أَوْ بَدِّلْهُ قُلْ مَا يَكُونُ لِىٓ أَنْ أُبَدِّلَهُۥ مِن تِلْقَآئِ نَفْسِىٓ إِنْ أَتَّبِعُ إِلَّا مَا يُوحَىٰٓ إِلَىَّ إِنِّىٓ أَخَافُ إِنْ عَصَيْتُ رَبِّى عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيمٍ

16

Zeg: "Indien Allah het zo gewild had, zou ik het u niet voorgedragen hebben, noch zou Hij het u bekendgemaakt hebben. Een geheel leven vóór dit heb ik onder u vertoefd: zult u dan niet verstaan?"

قُل لَّوْ شَآءَ ٱللَّهُ مَا تَلَوْتُهُۥ عَلَيْكُمْ وَلَآ أَدْرَىٰكُم بِهِۦ فَقَدْ لَبِثْتُ فِيكُمْ عُمُرًا مِّن قَبْلِهِۦٓ أَفَلَا تَعْقِلُونَ

17

Wie doet meer onrecht dan wie een leugen tegen Allah verzint, of Zijn tekenen loochent? Maar nooit zullen zij die zondigen voorspoedig zijn.

فَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّنِ ٱفْتَرَىٰ عَلَى ٱللَّهِ كَذِبًا أَوْ كَذَّبَ بِـَٔايَٰتِهِۦٓ إِنَّهُۥ لَا يُفْلِحُ ٱلْمُجْرِمُونَ

18

Zij dienen, buiten Allah, dingen die hun niet schaden noch baten, en zij zeggen: "Dezen zijn onze voorsprekers bij Allah." Zeg: "Bericht u Allah waarlijk iets wat Hij niet weet, in de hemelen of op aarde? — Lof zij Hem! en hoog verheven is Hij boven de deelgenoten die zij (Hem) toeschrijven!"

وَيَعْبُدُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ مَا لَا يَضُرُّهُمْ وَلَا يَنفَعُهُمْ وَيَقُولُونَ هَٰٓؤُلَآءِ شُفَعَٰٓؤُنَا عِندَ ٱللَّهِ قُلْ أَتُنَبِّـُٔونَ ٱللَّهَ بِمَا لَا يَعْلَمُ فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَلَا فِى ٱلْأَرْضِ سُبْحَٰنَهُۥ وَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يُشْرِكُونَ

19

De mensheid was slechts één volk, maar geraakte (later) in verschil. Ware het niet om een woord dat tevoren van uw Heer was uitgegaan, hun geschillen zouden tussen hen beslecht zijn.

وَمَا كَانَ ٱلنَّاسُ إِلَّآ أُمَّةً وَٰحِدَةً فَٱخْتَلَفُوا۟ وَلَوْلَا كَلِمَةٌ سَبَقَتْ مِن رَّبِّكَ لَقُضِىَ بَيْنَهُمْ فِيمَا فِيهِ يَخْتَلِفُونَ

20

Zij zeggen: "Waarom is er hem geen teken neergezonden van zijn Heer?" Zeg: "Het onzienlijke is alleen aan Allah (om te weten), wacht dan: ik zal ook met u wachten."

وَيَقُولُونَ لَوْلَآ أُنزِلَ عَلَيْهِ ءَايَةٌ مِّن رَّبِّهِۦ فَقُلْ إِنَّمَا ٱلْغَيْبُ لِلَّهِ فَٱنتَظِرُوٓا۟ إِنِّى مَعَكُم مِّنَ ٱلْمُنتَظِرِينَ

Tekenen van Allah en de vergankelijkheid van het aardse leven

21

Wanneer Wij de mensheid enige barmhartigheid doen smaken nadat tegenspoed hen getroffen heeft, zie! dan gaan zij over tot het smeden van listen tegen Onze tekenen! Zeg: "Sneller in het beramen is Allah!" Voorwaar, Onze boodschappers tekenen al de listen op die u smeedt!

وَإِذَآ أَذَقْنَا ٱلنَّاسَ رَحْمَةً مِّنۢ بَعْدِ ضَرَّآءَ مَسَّتْهُمْ إِذَا لَهُم مَّكْرٌ فِىٓ ءَايَاتِنَا قُلِ ٱللَّهُ أَسْرَعُ مَكْرًا إِنَّ رُسُلَنَا يَكْتُبُونَ مَا تَمْكُرُونَ

22

Hij is het Die u in staat stelt over land en zee te reizen; zodat u zelfs schepen bestijgt; — zij varen met hen met een gunstige wind, en zij verheugen zich daarover; dan komt een stormwind en de golven komen tot hen van alle zijden, en zij menen dat zij overweldigd worden: zij roepen tot Allah, Hem oprecht (hun) toewijding biedend, zeggend: "Indien U ons hieruit verlost, zullen wij waarlijk onze dankbaarheid tonen!"

هُوَ ٱلَّذِى يُسَيِّرُكُمْ فِى ٱلْبَرِّ وَٱلْبَحْرِ حَتَّىٰٓ إِذَا كُنتُمْ فِى ٱلْفُلْكِ وَجَرَيْنَ بِهِم بِرِيحٍ طَيِّبَةٍ وَفَرِحُوا۟ بِهَا جَآءَتْهَا رِيحٌ عَاصِفٌ وَجَآءَهُمُ ٱلْمَوْجُ مِن كُلِّ مَكَانٍ وَظَنُّوٓا۟ أَنَّهُمْ أُحِيطَ بِهِمْ دَعَوُا۟ ٱللَّهَ مُخْلِصِينَ لَهُ ٱلدِّينَ لَئِنْ أَنجَيْتَنَا مِنْ هَٰذِهِۦ لَنَكُونَنَّ مِنَ ٱلشَّٰكِرِينَ

23

Maar wanneer Hij hen verlost, zie! dan overtreden zij onbeschaamd op de aarde in weerwil van het recht! O mensheid! uw onbeschaamdheid is tegen uw eigen zielen, — een genieting van het tegenwoordige leven: ten slotte is uw terugkeer tot Ons, en Wij zullen u de waarheid tonen van alles wat u deed.

فَلَمَّآ أَنجَىٰهُمْ إِذَا هُمْ يَبْغُونَ فِى ٱلْأَرْضِ بِغَيْرِ ٱلْحَقِّ يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ إِنَّمَا بَغْيُكُمْ عَلَىٰٓ أَنفُسِكُم مَّتَٰعَ ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا ثُمَّ إِلَيْنَا مَرْجِعُكُمْ فَنُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ

24

De gelijkenis van het tegenwoordige leven is als de regen die Wij van de hemelen neerzenden: door zijn vermenging ontstaat het gewas van de aarde — dat voedsel verschaft voor mensen en dieren: (het groeit) totdat de aarde met haar gouden sieraden bekleed is en (in schoonheid) getooid is: de mensen aan wie zij toebehoort menen dat zij alle macht van beschikking daarover hebben: dan bereikt haar Ons bevel bij nacht of bij dag, en Wij maken haar als een oogst die schoon gemaaid is, alsof zij de dag tevoren niet gebloeid had! aldus leggen Wij de tekenen in bijzonderheden uit voor hen die nadenken.

إِنَّمَا مَثَلُ ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا كَمَآءٍ أَنزَلْنَٰهُ مِنَ ٱلسَّمَآءِ فَٱخْتَلَطَ بِهِۦ نَبَاتُ ٱلْأَرْضِ مِمَّا يَأْكُلُ ٱلنَّاسُ وَٱلْأَنْعَٰمُ حَتَّىٰٓ إِذَآ أَخَذَتِ ٱلْأَرْضُ زُخْرُفَهَا وَٱزَّيَّنَتْ وَظَنَّ أَهْلُهَآ أَنَّهُمْ قَٰدِرُونَ عَلَيْهَآ أَتَىٰهَآ أَمْرُنَا لَيْلًا أَوْ نَهَارًا فَجَعَلْنَٰهَا حَصِيدًا كَأَن لَّمْ تَغْنَ بِٱلْأَمْسِ كَذَٰلِكَ نُفَصِّلُ ٱلْـَٔايَٰتِ لِقَوْمٍ يَتَفَكَّرُونَ

Beloning en straf op de dag der opstanding

25

Maar Allah roept tot het huis van vrede: Hij leidt wie Hem behaagt tot een weg die recht is.

وَٱللَّهُ يَدْعُوٓا۟ إِلَىٰ دَارِ ٱلسَّلَٰمِ وَيَهْدِى مَن يَشَآءُ إِلَىٰ صِرَٰطٍ مُّسْتَقِيمٍ

26

Voor hen die goeddoen is een goede (beloning) — ja, meer (dan naar de maat)! Geen duisternis noch schande zal hun aangezichten bedekken! zij zijn de bewoners van de Tuin; zij zullen daarin (voor eeuwig) verblijven!

لِّلَّذِينَ أَحْسَنُوا۟ ٱلْحُسْنَىٰ وَزِيَادَةٌ وَلَا يَرْهَقُ وُجُوهَهُمْ قَتَرٌ وَلَا ذِلَّةٌ أُو۟لَٰٓئِكَ أَصْحَٰبُ ٱلْجَنَّةِ هُمْ فِيهَا خَٰلِدُونَ

27

Maar zij die kwaad verworven hebben, zullen een vergelding van gelijk kwaad hebben: smaad zal hun (aangezichten) bedekken: geen verdediger zullen zij hebben tegen (de toorn van) Allah: hun aangezichten zullen bedekt zijn, als het ware, met stukken uit de diepte van de duisternis van de nacht: zij zijn de bewoners van het Vuur: zij zullen daarin (voor eeuwig) verblijven!

وَٱلَّذِينَ كَسَبُوا۟ ٱلسَّيِّـَٔاتِ جَزَآءُ سَيِّئَةٍۭ بِمِثْلِهَا وَتَرْهَقُهُمْ ذِلَّةٌ مَّا لَهُم مِّنَ ٱللَّهِ مِنْ عَاصِمٍ كَأَنَّمَآ أُغْشِيَتْ وُجُوهُهُمْ قِطَعًا مِّنَ ٱلَّيْلِ مُظْلِمًا أُو۟لَٰٓئِكَ أَصْحَٰبُ ٱلنَّارِ هُمْ فِيهَا خَٰلِدُونَ

28

Op een dag zullen Wij hen allen tezamen vergaderen. Dan zullen Wij zeggen tot hen die goden (aan Ons) toevoegden: "Naar uw plaats! u en zij die u als 'deelgenoten' toevoegde." Wij zullen hen scheiden, en hun 'deelgenoten' zullen zeggen: "Het waren niet wij die u aanbad!"

وَيَوْمَ نَحْشُرُهُمْ جَمِيعًا ثُمَّ نَقُولُ لِلَّذِينَ أَشْرَكُوا۟ مَكَانَكُمْ أَنتُمْ وَشُرَكَآؤُكُمْ فَزَيَّلْنَا بَيْنَهُمْ وَقَالَ شُرَكَآؤُهُم مَّا كُنتُمْ إِيَّانَا تَعْبُدُونَ

29

"Genoeg is Allah tot een getuige tussen ons en u: wij wisten zekerlijk niets van uw aanbidding van ons!"

فَكَفَىٰ بِٱللَّهِ شَهِيدًۢا بَيْنَنَا وَبَيْنَكُمْ إِن كُنَّا عَنْ عِبَادَتِكُمْ لَغَٰفِلِينَ

30

Daar zal iedere ziel (de vruchten van) de daden ondervinden die zij vooruitgezonden heeft: zij zullen teruggebracht worden tot Allah, hun rechtmatige Heer, en hun verzonnen leugens zullen hen in de steek laten.

هُنَالِكَ تَبْلُوا۟ كُلُّ نَفْسٍ مَّآ أَسْلَفَتْ وَرُدُّوٓا۟ إِلَى ٱللَّهِ مَوْلَىٰهُمُ ٱلْحَقِّ وَضَلَّ عَنْهُم مَّا كَانُوا۟ يَفْتَرُونَ

Allah als enige onderhouder tegenover de afgoden

31

Zeg: "Wie is het die u onderhoudt (in het leven) vanuit de hemel en vanuit de aarde? of wie is het die macht heeft over het gehoor en het gezicht? En wie is het die het levende voortbrengt uit het dode en het dode uit het levende? en wie is het die alle zaken regelt en bestuurt?" Zij zullen weldra zeggen,

قُلْ مَن يَرْزُقُكُم مِّنَ ٱلسَّمَآءِ وَٱلْأَرْضِ أَمَّن يَمْلِكُ ٱلسَّمْعَ وَٱلْأَبْصَٰرَ وَمَن يُخْرِجُ ٱلْحَىَّ مِنَ ٱلْمَيِّتِ وَيُخْرِجُ ٱلْمَيِّتَ مِنَ ٱلْحَىِّ وَمَن يُدَبِّرُ ٱلْأَمْرَ فَسَيَقُولُونَ ٱللَّهُ فَقُلْ أَفَلَا تَتَّقُونَ

32

Zodanig is Allah, uw ware Onderhouder en Verzorger: wat (blijft er) buiten de waarheid dan dwaling? Hoe wordt u dan afgewend?

فَذَٰلِكُمُ ٱللَّهُ رَبُّكُمُ ٱلْحَقُّ فَمَاذَا بَعْدَ ٱلْحَقِّ إِلَّا ٱلضَّلَٰلُ فَأَنَّىٰ تُصْرَفُونَ

33

Aldus is het woord van uw Heer waar bevonden tegen hen die weerspannig zijn: voorwaar, zij zullen niet geloven.

كَذَٰلِكَ حَقَّتْ كَلِمَتُ رَبِّكَ عَلَى ٱلَّذِينَ فَسَقُوٓا۟ أَنَّهُمْ لَا يُؤْمِنُونَ

34

Zeg: "Is er onder uw 'deelgenoten' iemand die de schepping kan beginnen en haar herhalen?" Zeg: "Het is Allah Die de schepping begint en haar herhaalt: hoe wordt u dan (van de waarheid) afgeleid?"

قُلْ هَلْ مِن شُرَكَآئِكُم مَّن يَبْدَؤُا۟ ٱلْخَلْقَ ثُمَّ يُعِيدُهُۥ قُلِ ٱللَّهُ يَبْدَؤُا۟ ٱلْخَلْقَ ثُمَّ يُعِيدُهُۥ فَأَنَّىٰ تُؤْفَكُونَ

35

Zeg: "Is er onder uw 'deelgenoten' iemand die enige leiding tot de waarheid kan geven?" Zeg: "Het is Allah Die leiding geeft tot de waarheid; is dan Hij Die leiding geeft tot de waarheid meer waard gevolgd te worden, of hij die (zelf) geen leiding vindt tenzij hij geleid wordt? wat is er dan met u? Hoe oordeelt u?"

قُلْ هَلْ مِن شُرَكَآئِكُم مَّن يَهْدِىٓ إِلَى ٱلْحَقِّ قُلِ ٱللَّهُ يَهْدِى لِلْحَقِّ أَفَمَن يَهْدِىٓ إِلَى ٱلْحَقِّ أَحَقُّ أَن يُتَّبَعَ أَمَّن لَّا يَهِدِّىٓ إِلَّآ أَن يُهْدَىٰ فَمَا لَكُمْ كَيْفَ تَحْكُمُونَ

36

Maar de meesten van hen volgen niets dan vermoeden: waarlijk, vermoeden kan niets baten tegen de waarheid. Voorwaar, Allah is zeer goed op de hoogte van alles wat zij doen.

وَمَا يَتَّبِعُ أَكْثَرُهُمْ إِلَّا ظَنًّا إِنَّ ٱلظَّنَّ لَا يُغْنِى مِنَ ٱلْحَقِّ شَيْـًٔا إِنَّ ٱللَّهَ عَلِيمٌۢ بِمَا يَفْعَلُونَ

De uitdaging om een gelijke soera voort te brengen

37

Deze Koran is niet zodanig dat hij door een ander dan Allah voortgebracht kan worden; integendeel, hij is een bevestiging van (de openbaringen) die vóór hem waren, en een vollediger uitlegging van het Boek — waaraan geen twijfel is — van de Heer van de werelden.

وَمَا كَانَ هَٰذَا ٱلْقُرْءَانُ أَن يُفْتَرَىٰ مِن دُونِ ٱللَّهِ وَلَٰكِن تَصْدِيقَ ٱلَّذِى بَيْنَ يَدَيْهِ وَتَفْصِيلَ ٱلْكِتَٰبِ لَا رَيْبَ فِيهِ مِن رَّبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ

38

Of zeggen zij: "Hij heeft hem verzonnen"? Zeg: "Breng dan een soera aan hem gelijk, en roep (tot uw hulp) al wie u kunt buiten Allah, indien u de waarheid spreekt!"

أَمْ يَقُولُونَ ٱفْتَرَىٰهُ قُلْ فَأْتُوا۟ بِسُورَةٍ مِّثْلِهِۦ وَٱدْعُوا۟ مَنِ ٱسْتَطَعْتُم مِّن دُونِ ٱللَّهِ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ

39

Nee, zij beschuldigen van leugen hetgeen waarvan zij de kennis niet kunnen bevatten, nog voordat de uitlegging daarvan hen bereikt heeft: aldus beschuldigden ook zij die vóór hen waren van leugen: maar zie wat het einde was van hen die onrecht deden!

بَلْ كَذَّبُوا۟ بِمَا لَمْ يُحِيطُوا۟ بِعِلْمِهِۦ وَلَمَّا يَأْتِهِمْ تَأْوِيلُهُۥ كَذَٰلِكَ كَذَّبَ ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ فَٱنظُرْ كَيْفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلظَّٰلِمِينَ

40

Onder hen zijn er sommigen die daarin geloven, en sommigen die dat niet doen: en uw Heer kent het best hen die op onheil uit zijn.

وَمِنْهُم مَّن يُؤْمِنُ بِهِۦ وَمِنْهُم مَّن لَّا يُؤْمِنُ بِهِۦ وَرَبُّكَ أَعْلَمُ بِٱلْمُفْسِدِينَ

41

Indien zij u van leugen beschuldigen, zeg: "Mijn werk voor mij, en het uwe voor u! u bent vrij van verantwoordelijkheid voor wat ik doe, en ik voor wat u doet!"

وَإِن كَذَّبُوكَ فَقُل لِّى عَمَلِى وَلَكُمْ عَمَلُكُمْ أَنتُم بَرِيٓـُٔونَ مِمَّآ أَعْمَلُ وَأَنَا۠ بَرِىٓءٌ مِّمَّا تَعْمَلُونَ

42

Onder hen zijn er sommigen die (voorwenden) naar u te luisteren: maar kunt u de doven doen horen, — ook al zijn zij zonder verstand?

وَمِنْهُم مَّن يَسْتَمِعُونَ إِلَيْكَ أَفَأَنتَ تُسْمِعُ ٱلصُّمَّ وَلَوْ كَانُوا۟ لَا يَعْقِلُونَ

43

En onder hen zijn er sommigen die naar u kijken: maar kunt u de blinden leiden, — ook al willen zij niet zien?

وَمِنْهُم مَّن يَنظُرُ إِلَيْكَ أَفَأَنتَ تَهْدِى ٱلْعُمْىَ وَلَوْ كَانُوا۟ لَا يُبْصِرُونَ

44

Voorwaar, Allah zal de mens in niets onrechtvaardig behandelen: het is de mens die zijn eigen ziel onrecht aandoet.

إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَظْلِمُ ٱلنَّاسَ شَيْـًٔا وَلَٰكِنَّ ٱلنَّاسَ أَنفُسَهُمْ يَظْلِمُونَ

De dag van de vergadering en het oordeel

45

Op een dag zal Hij hen tezamen vergaderen: (het zal zijn) alsof zij slechts een uur van een dag vertoefd hadden: zij zullen elkaar herkennen: gewisselijk, zij zullen verloren zijn die de ontmoeting met Allah geloochend hebben en geweigerd hebben de ware leiding te ontvangen.

وَيَوْمَ يَحْشُرُهُمْ كَأَن لَّمْ يَلْبَثُوٓا۟ إِلَّا سَاعَةً مِّنَ ٱلنَّهَارِ يَتَعَارَفُونَ بَيْنَهُمْ قَدْ خَسِرَ ٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ بِلِقَآءِ ٱللَّهِ وَمَا كَانُوا۟ مُهْتَدِينَ

46

Hetzij Wij u (verwezenlijkt in uw leven) een deel tonen van hetgeen Wij hun beloven, — of Wij uw ziel (tot Onze barmhartigheid) nemen (vóór die tijd), — in ieder geval is hun terugkeer tot Ons: ten slotte is Allah getuige van alles wat zij doen.

وَإِمَّا نُرِيَنَّكَ بَعْضَ ٱلَّذِى نَعِدُهُمْ أَوْ نَتَوَفَّيَنَّكَ فَإِلَيْنَا مَرْجِعُهُمْ ثُمَّ ٱللَّهُ شَهِيدٌ عَلَىٰ مَا يَفْعَلُونَ

47

Aan ieder volk (werd) een boodschapper (gezonden): wanneer hun boodschapper komt (voor hen), zal de zaak tussen hen met gerechtigheid geoordeeld worden, en hun zal geen onrecht gedaan worden.

وَلِكُلِّ أُمَّةٍ رَّسُولٌ فَإِذَا جَآءَ رَسُولُهُمْ قُضِىَ بَيْنَهُم بِٱلْقِسْطِ وَهُمْ لَا يُظْلَمُونَ

48

Zij zeggen: "Wanneer zal deze belofte vervuld worden, — indien u de waarheid spreekt?"

وَيَقُولُونَ مَتَىٰ هَٰذَا ٱلْوَعْدُ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ

49

Zeg: "Ik heb geen macht over enig kwaad of voordeel voor mijzelf dan zoals Allah wil. Voor ieder volk is een termijn bepaald: wanneer hun termijn bereikt is, kunnen zij geen uur uitstel bewerken, noch kunnen zij (het een uur) vervroegen (in verwachting)."

قُل لَّآ أَمْلِكُ لِنَفْسِى ضَرًّا وَلَا نَفْعًا إِلَّا مَا شَآءَ ٱللَّهُ لِكُلِّ أُمَّةٍ أَجَلٌ إِذَا جَآءَ أَجَلُهُمْ فَلَا يَسْتَـْٔخِرُونَ سَاعَةً وَلَا يَسْتَقْدِمُونَ

50

Zeg: "Ziet u, — indien Zijn straf tot u zou komen bij nacht of bij dag, — welk deel daarvan zouden de zondaren willen verhaasten?"

قُلْ أَرَءَيْتُمْ إِنْ أَتَىٰكُمْ عَذَابُهُۥ بَيَٰتًا أَوْ نَهَارًا مَّاذَا يَسْتَعْجِلُ مِنْهُ ٱلْمُجْرِمُونَ

51

"Zou u er dan ten laatste in geloven, wanneer zij werkelijk komt?" (Er zal dan gezegd worden): 'Ach! nu? en u wilde haar (voorheen) verhaasten!'

أَثُمَّ إِذَا مَا وَقَعَ ءَامَنتُم بِهِۦٓ ءَآلْـَٰٔنَ وَقَدْ كُنتُم بِهِۦ تَسْتَعْجِلُونَ

52

"Ten slotte zal tot de onrechtvaardigen gezegd worden: 'Proef de blijvende straf! u krijgt slechts de vergelding van hetgeen u verworven hebt!'"

ثُمَّ قِيلَ لِلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ ذُوقُوا۟ عَذَابَ ٱلْخُلْدِ هَلْ تُجْزَوْنَ إِلَّا بِمَا كُنتُمْ تَكْسِبُونَ

53

Zij zoeken door u onderricht te worden: "Is dat waar?" Zeg: "Ja! bij mijn Heer! het is de zuivere waarheid! en u kunt het niet verijdelen!"

وَيَسْتَنۢبِـُٔونَكَ أَحَقٌّ هُوَ قُلْ إِى وَرَبِّىٓ إِنَّهُۥ لَحَقٌّ وَمَآ أَنتُم بِمُعْجِزِينَ

54

Iedere ziel die gezondigd heeft, indien zij alles bezat wat op aarde is, zou het gaarne als losprijs geven: zij zouden (hun) berouw betuigen wanneer zij de straf zien: maar het oordeel tussen hen zal met gerechtigheid zijn, en hun zal geen onrecht gedaan worden.

وَلَوْ أَنَّ لِكُلِّ نَفْسٍ ظَلَمَتْ مَا فِى ٱلْأَرْضِ لَٱفْتَدَتْ بِهِۦ وَأَسَرُّوا۟ ٱلنَّدَامَةَ لَمَّا رَأَوُا۟ ٱلْعَذَابَ وَقُضِىَ بَيْنَهُم بِٱلْقِسْطِ وَهُمْ لَا يُظْلَمُونَ

55

Is het niet (zo) dat aan Allah toebehoort al wat in de hemelen en op aarde is? Is het niet (zo) dat de belofte van Allah gewisselijk waar is? Toch verstaan de meesten van hen het niet.

أَلَآ إِنَّ لِلَّهِ مَا فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ أَلَآ إِنَّ وَعْدَ ٱللَّهِ حَقٌّ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَهُمْ لَا يَعْلَمُونَ

56

Hij is het Die het leven geeft en Die het neemt, en tot Hem zult u allen teruggebracht worden.

هُوَ يُحْىِۦ وَيُمِيتُ وَإِلَيْهِ تُرْجَعُونَ

De Koran als vermaning en verzonnen verboden

57

O mensheid! er is tot u een aanwijzing gekomen van uw Heer en een genezing voor de (ziekten) in uw hart, — en voor hen die geloven, een leiding en een barmhartigheid.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ قَدْ جَآءَتْكُم مَّوْعِظَةٌ مِّن رَّبِّكُمْ وَشِفَآءٌ لِّمَا فِى ٱلصُّدُورِ وَهُدًى وَرَحْمَةٌ لِّلْمُؤْمِنِينَ

58

Zeg: "In de milddadigheid van Allah. En in Zijn barmhartigheid, — daarin laat hen zich verheugen": dat is beter dan de (rijkdom) die zij vergaren.

قُلْ بِفَضْلِ ٱللَّهِ وَبِرَحْمَتِهِۦ فَبِذَٰلِكَ فَلْيَفْرَحُوا۟ هُوَ خَيْرٌ مِّمَّا يَجْمَعُونَ

59

Zeg: "Ziet u wat voor dingen Allah tot u heeft neergezonden tot levensonderhoud? Toch houdt u sommige dingen daarvan voor verboden en (sommige dingen) voor geoorloofd." Zeg: "Heeft Allah het u waarlijk toegestaan, of verzint u (dingen) om aan Allah toe te schrijven?"

قُلْ أَرَءَيْتُم مَّآ أَنزَلَ ٱللَّهُ لَكُم مِّن رِّزْقٍ فَجَعَلْتُم مِّنْهُ حَرَامًا وَحَلَٰلًا قُلْ ءَآللَّهُ أَذِنَ لَكُمْ أَمْ عَلَى ٱللَّهِ تَفْتَرُونَ

60

En wat denken zij die leugens tegen Allah verzinnen, van de dag van het oordeel? Voorwaar, Allah is vol milddadigheid jegens de mensheid, maar de meesten van hen zijn ondankbaar.

وَمَا ظَنُّ ٱلَّذِينَ يَفْتَرُونَ عَلَى ٱللَّهِ ٱلْكَذِبَ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ إِنَّ ٱللَّهَ لَذُو فَضْلٍ عَلَى ٱلنَّاسِ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَهُمْ لَا يَشْكُرُونَ

Allah's alwetendheid en de weerlegging van 'Allah heeft een zoon'

61

In welke zaak u ook bezig bent, en welk deel u ook uit de Koran voordraagt, — en welke daad u (mensheid) ook doet, — Wij zijn daarvan getuigen wanneer u daarin geheel verdiept bent. En voor uw Heer is niet verborgen (zelfs niet) het gewicht van een stofdeeltje op de aarde of in de hemel. En niet het kleinste en niet het grootste van deze dingen of het is opgetekend in een duidelijk boek.

وَمَا تَكُونُ فِى شَأْنٍ وَمَا تَتْلُوا۟ مِنْهُ مِن قُرْءَانٍ وَلَا تَعْمَلُونَ مِنْ عَمَلٍ إِلَّا كُنَّا عَلَيْكُمْ شُهُودًا إِذْ تُفِيضُونَ فِيهِ وَمَا يَعْزُبُ عَن رَّبِّكَ مِن مِّثْقَالِ ذَرَّةٍ فِى ٱلْأَرْضِ وَلَا فِى ٱلسَّمَآءِ وَلَآ أَصْغَرَ مِن ذَٰلِكَ وَلَآ أَكْبَرَ إِلَّا فِى كِتَٰبٍ مُّبِينٍ

62

Zie! voorwaar, over de vrienden van Allah is geen vrees, noch zullen zij bedroefd zijn;

أَلَآ إِنَّ أَوْلِيَآءَ ٱللَّهِ لَا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلَا هُمْ يَحْزَنُونَ

63

Zij die geloven en zich (voortdurend) voor het kwade hoeden; —

ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَكَانُوا۟ يَتَّقُونَ

64

Voor hen zijn blijde tijdingen, in het tegenwoordige leven en in het hiernamaals; geen verandering kan er zijn in de woorden van Allah. Dit is voorwaar de hoogste gelukzaligheid.

لَهُمُ ٱلْبُشْرَىٰ فِى ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا وَفِى ٱلْـَٔاخِرَةِ لَا تَبْدِيلَ لِكَلِمَٰتِ ٱللَّهِ ذَٰلِكَ هُوَ ٱلْفَوْزُ ٱلْعَظِيمُ

65

Laat hun spreken u niet bedroeven: want alle macht en eer behoren aan Allah: Hij is het Die (alle dingen) hoort en weet.

وَلَا يَحْزُنكَ قَوْلُهُمْ إِنَّ ٱلْعِزَّةَ لِلَّهِ جَمِيعًا هُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلْعَلِيمُ

66

Zie! voorwaar, aan Allah behoren alle schepselen, in de hemelen en op aarde. Wat volgen zij die als Zijn "deelgenoten" anderen dan Allah aanbidden? Zij volgen niets dan vermoeden, en zij doen niets dan liegen.

أَلَآ إِنَّ لِلَّهِ مَن فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَن فِى ٱلْأَرْضِ وَمَا يَتَّبِعُ ٱلَّذِينَ يَدْعُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ شُرَكَآءَ إِن يَتَّبِعُونَ إِلَّا ٱلظَّنَّ وَإِنْ هُمْ إِلَّا يَخْرُصُونَ

67

Hij is het Die voor u de nacht gemaakt heeft opdat u daarin zou rusten, en de dag om de dingen zichtbaar te maken (voor u). Voorwaar, hierin zijn tekenen voor hen die luisteren (naar Zijn boodschap).

هُوَ ٱلَّذِى جَعَلَ لَكُمُ ٱلَّيْلَ لِتَسْكُنُوا۟ فِيهِ وَٱلنَّهَارَ مُبْصِرًا إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَـَٔايَٰتٍ لِّقَوْمٍ يَسْمَعُونَ

68

Zij zeggen: "Allah heeft een zoon verwekt!" — Lof zij Hem! Hij is Zichzelf genoeg! Hem behoren alle dingen in de hemelen en op aarde! Geen bewijsgrond hebt u hiervoor! zegt u over Allah wat u niet weet?

قَالُوا۟ ٱتَّخَذَ ٱللَّهُ وَلَدًا سُبْحَٰنَهُۥ هُوَ ٱلْغَنِىُّ لَهُۥ مَا فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِى ٱلْأَرْضِ إِنْ عِندَكُم مِّن سُلْطَٰنٍۭ بِهَٰذَآ أَتَقُولُونَ عَلَى ٱللَّهِ مَا لَا تَعْلَمُونَ

69

Zeg: "Zij die een leugen tegen Allah verzinnen, zullen nooit voorspoedig zijn."

قُلْ إِنَّ ٱلَّذِينَ يَفْتَرُونَ عَلَى ٱللَّهِ ٱلْكَذِبَ لَا يُفْلِحُونَ

70

Een weinig genieting in deze wereld! — en dan, tot Ons zal hun terugkeer zijn, dan zullen Wij hen de zwaarste straf doen smaken voor hun godslasteringen.

مَتَٰعٌ فِى ٱلدُّنْيَا ثُمَّ إِلَيْنَا مَرْجِعُهُمْ ثُمَّ نُذِيقُهُمُ ٱلْعَذَابَ ٱلشَّدِيدَ بِمَا كَانُوا۟ يَكْفُرُونَ

Het verhaal van Noach

71

Verhaal hun de geschiedenis van Noach. Zie! hij zei tot zijn volk: "O mijn volk, indien het zwaar valt op uw (gemoed) dat ik (bij u) zou blijven en de tekenen van Allah zou gedenken, — toch stel ik mijn vertrouwen op Allah. Kom dan tot overeenstemming over uw plan en onder uw deelgenoten, zodat uw plan voor u niet duister en twijfelachtig zij. Vel dan uw vonnis over mij, en geef mij geen uitstel."

وَٱتْلُ عَلَيْهِمْ نَبَأَ نُوحٍ إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِۦ يَٰقَوْمِ إِن كَانَ كَبُرَ عَلَيْكُم مَّقَامِى وَتَذْكِيرِى بِـَٔايَٰتِ ٱللَّهِ فَعَلَى ٱللَّهِ تَوَكَّلْتُ فَأَجْمِعُوٓا۟ أَمْرَكُمْ وَشُرَكَآءَكُمْ ثُمَّ لَا يَكُنْ أَمْرُكُمْ عَلَيْكُمْ غُمَّةً ثُمَّ ٱقْضُوٓا۟ إِلَىَّ وَلَا تُنظِرُونِ

72

"Maar indien u zich afkeert, (bedenk): geen beloning heb ik van u gevraagd: mijn beloning komt alleen van Allah, en mij is bevolen te behoren tot hen die zich aan de wil van Allah onderwerpen (in de islam)."

فَإِن تَوَلَّيْتُمْ فَمَا سَأَلْتُكُم مِّنْ أَجْرٍ إِنْ أَجْرِىَ إِلَّا عَلَى ٱللَّهِ وَأُمِرْتُ أَنْ أَكُونَ مِنَ ٱلْمُسْلِمِينَ

73

Zij verwierpen hem, maar Wij verlosten hem, en hen die met hem waren, in de ark, en Wij deden hen (de aarde) beërven, terwijl Wij in de vloed overweldigden hen die Onze tekenen verwierpen. Zie dan wat het einde was van hen die gewaarschuwd werden (maar geen acht sloegen)!

فَكَذَّبُوهُ فَنَجَّيْنَٰهُ وَمَن مَّعَهُۥ فِى ٱلْفُلْكِ وَجَعَلْنَٰهُمْ خَلَٰٓئِفَ وَأَغْرَقْنَا ٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَا فَٱنظُرْ كَيْفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلْمُنذَرِينَ

Mozes en Aäron tegenover Farao

74

Daarna zonden Wij na hem (vele) boodschappers tot hun volken: zij brachten hun duidelijke tekenen, maar zij wilden niet geloven wat zij tevoren reeds verworpen hadden. Aldus verzegelen Wij de harten van de overtreders.

ثُمَّ بَعَثْنَا مِنۢ بَعْدِهِۦ رُسُلًا إِلَىٰ قَوْمِهِمْ فَجَآءُوهُم بِٱلْبَيِّنَٰتِ فَمَا كَانُوا۟ لِيُؤْمِنُوا۟ بِمَا كَذَّبُوا۟ بِهِۦ مِن قَبْلُ كَذَٰلِكَ نَطْبَعُ عَلَىٰ قُلُوبِ ٱلْمُعْتَدِينَ

75

Daarna, na hen, zonden Wij Mozes en Aäron tot Farao en zijn vorsten met Onze tekenen. Maar zij waren hoogmoedig: zij waren een volk in zonde.

ثُمَّ بَعَثْنَا مِنۢ بَعْدِهِم مُّوسَىٰ وَهَٰرُونَ إِلَىٰ فِرْعَوْنَ وَمَلَإِي۟هِۦ بِـَٔايَٰتِنَا فَٱسْتَكْبَرُوا۟ وَكَانُوا۟ قَوْمًا مُّجْرِمِينَ

76

Toen de waarheid van Ons tot hen kwam, zeiden zij: "Dit is voorwaar klaarblijkelijke toverij!"

فَلَمَّا جَآءَهُمُ ٱلْحَقُّ مِنْ عِندِنَا قَالُوٓا۟ إِنَّ هَٰذَا لَسِحْرٌ مُّبِينٌ

77

Mozes zei: "Zegt u (dit) over de waarheid wanneer zij u (werkelijk) bereikt heeft? Is toverij (als) dit? Maar tovenaars zullen niet voorspoedig zijn."

قَالَ مُوسَىٰٓ أَتَقُولُونَ لِلْحَقِّ لَمَّا جَآءَكُمْ أَسِحْرٌ هَٰذَا وَلَا يُفْلِحُ ٱلسَّٰحِرُونَ

78

Zij zeiden: "Bent u tot ons gekomen om ons af te wenden van de wegen die wij onze vaderen zagen volgen, — opdat u en uw broeder grootheid in het land zouden hebben? Maar wij zullen niet in u geloven!"

قَالُوٓا۟ أَجِئْتَنَا لِتَلْفِتَنَا عَمَّا وَجَدْنَا عَلَيْهِ ءَابَآءَنَا وَتَكُونَ لَكُمَا ٱلْكِبْرِيَآءُ فِى ٱلْأَرْضِ وَمَا نَحْنُ لَكُمَا بِمُؤْمِنِينَ

79

Farao zei: "Breng mij iedere kundige tovenaar."

وَقَالَ فِرْعَوْنُ ٱئْتُونِى بِكُلِّ سَٰحِرٍ عَلِيمٍ

80

Toen de tovenaars kwamen, zei Mozes tot hen: "Werp wat u (wenst) te werpen!"

فَلَمَّا جَآءَ ٱلسَّحَرَةُ قَالَ لَهُم مُّوسَىٰٓ أَلْقُوا۟ مَآ أَنتُم مُّلْقُونَ

81

Toen zij geworpen hadden, zei Mozes: "Wat u gebracht hebt is toverij: Allah zal het gewisselijk krachteloos maken: want Allah doet het werk van hen die onheil stichten niet gedijen."

فَلَمَّآ أَلْقَوْا۟ قَالَ مُوسَىٰ مَا جِئْتُم بِهِ ٱلسِّحْرُ إِنَّ ٱللَّهَ سَيُبْطِلُهُۥٓ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يُصْلِحُ عَمَلَ ٱلْمُفْسِدِينَ

82

"En Allah bewijst en bevestigt door Zijn woorden Zijn waarheid, hoezeer de zondaren het ook haten!"

وَيُحِقُّ ٱللَّهُ ٱلْحَقَّ بِكَلِمَٰتِهِۦ وَلَوْ كَرِهَ ٱلْمُجْرِمُونَ

83

Maar niemand geloofde in Mozes behalve enige kinderen van zijn volk, vanwege de vrees voor Farao en zijn vorsten, dat zij hen zouden vervolgen; en zekerlijk, Farao was machtig op de aarde en een die alle grenzen overschreed.

فَمَآ ءَامَنَ لِمُوسَىٰٓ إِلَّا ذُرِّيَّةٌ مِّن قَوْمِهِۦ عَلَىٰ خَوْفٍ مِّن فِرْعَوْنَ وَمَلَإِي۟هِمْ أَن يَفْتِنَهُمْ وَإِنَّ فِرْعَوْنَ لَعَالٍ فِى ٱلْأَرْضِ وَإِنَّهُۥ لَمِنَ ٱلْمُسْرِفِينَ

84

Mozes zei: "O mijn volk! Indien u (werkelijk) in Allah gelooft, stel dan uw vertrouwen op Hem, indien u zich (met uw wil aan de Zijne) onderwerpt."

وَقَالَ مُوسَىٰ يَٰقَوْمِ إِن كُنتُمْ ءَامَنتُم بِٱللَّهِ فَعَلَيْهِ تَوَكَّلُوٓا۟ إِن كُنتُم مُّسْلِمِينَ

85

Zij zeiden: "Op Allah stellen wij ons vertrouwen. Onze Heer! maak ons niet tot een beproeving voor hen die onderdrukking bedrijven;"

فَقَالُوا۟ عَلَى ٱللَّهِ تَوَكَّلْنَا رَبَّنَا لَا تَجْعَلْنَا فِتْنَةً لِّلْقَوْمِ ٱلظَّٰلِمِينَ

86

"En verlos ons door Uw barmhartigheid van hen die (U) verwerpen."

وَنَجِّنَا بِرَحْمَتِكَ مِنَ ٱلْقَوْمِ ٱلْكَٰفِرِينَ

87

Wij gaven Mozes en zijn broeder deze boodschap in: "Verschaf woningen voor uw volk in Egypte, maak uw woningen tot plaatsen van aanbidding, en verricht geregeld de gebeden: en geef blijde tijdingen aan hen die geloven!"

وَأَوْحَيْنَآ إِلَىٰ مُوسَىٰ وَأَخِيهِ أَن تَبَوَّءَا لِقَوْمِكُمَا بِمِصْرَ بُيُوتًا وَٱجْعَلُوا۟ بُيُوتَكُمْ قِبْلَةً وَأَقِيمُوا۟ ٱلصَّلَوٰةَ وَبَشِّرِ ٱلْمُؤْمِنِينَ

88

Mozes bad: "Onze Heer! U hebt voorwaar aan Farao en zijn vorsten pracht en rijkdom geschonken in het tegenwoordige leven, en zo, onze Heer, leiden zij (de mensen) af van Uw pad. Verniel, onze Heer, de luister van hun rijkdom, en zend hardheid in hun hart, zodat zij niet zullen geloven totdat zij de smartelijke straf zien."

وَقَالَ مُوسَىٰ رَبَّنَآ إِنَّكَ ءَاتَيْتَ فِرْعَوْنَ وَمَلَأَهُۥ زِينَةً وَأَمْوَٰلًا فِى ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا رَبَّنَا لِيُضِلُّوا۟ عَن سَبِيلِكَ رَبَّنَا ٱطْمِسْ عَلَىٰٓ أَمْوَٰلِهِمْ وَٱشْدُدْ عَلَىٰ قُلُوبِهِمْ فَلَا يُؤْمِنُوا۟ حَتَّىٰ يَرَوُا۟ ٱلْعَذَابَ ٱلْأَلِيمَ

89

Allah zei: "Aangenomen is uw gebed (o Mozes en Aäron)! Sta dan recht, en volg niet het pad van hen die niet weten."

قَالَ قَدْ أُجِيبَت دَّعْوَتُكُمَا فَٱسْتَقِيمَا وَلَا تَتَّبِعَآنِّ سَبِيلَ ٱلَّذِينَ لَا يَعْلَمُونَ

90

Wij voerden de kinderen van Israël over de zee: Farao en zijn heerscharen volgden hen in onbeschaamdheid en vijandschap. Ten slotte, toen hij door de vloed overweldigd werd, zei hij: "Ik geloof dat er geen god is behalve Hij in Wie de kinderen van Israël geloven: ik behoor tot hen die zich onderwerpen (aan Allah in de islam)."

وَجَٰوَزْنَا بِبَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ ٱلْبَحْرَ فَأَتْبَعَهُمْ فِرْعَوْنُ وَجُنُودُهُۥ بَغْيًا وَعَدْوًا حَتَّىٰٓ إِذَآ أَدْرَكَهُ ٱلْغَرَقُ قَالَ ءَامَنتُ أَنَّهُۥ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا ٱلَّذِىٓ ءَامَنَتْ بِهِۦ بَنُوٓا۟ إِسْرَٰٓءِيلَ وَأَنَا۠ مِنَ ٱلْمُسْلِمِينَ

91

(Er werd tot hem gezegd): "Ach, nu! — Maar een weinig tijds tevoren was u in opstand! — en u stichtte onheil (en geweld)!"

ءَآلْـَٰٔنَ وَقَدْ عَصَيْتَ قَبْلُ وَكُنتَ مِنَ ٱلْمُفْسِدِينَ

92

"Deze dag zullen Wij u redden in het lichaam, opdat u een teken zou zijn voor hen die na u komen! maar voorwaar, velen onder de mensheid zijn achteloos jegens Onze tekenen!"

فَٱلْيَوْمَ نُنَجِّيكَ بِبَدَنِكَ لِتَكُونَ لِمَنْ خَلْفَكَ ءَايَةً وَإِنَّ كَثِيرًا مِّنَ ٱلنَّاسِ عَنْ ءَايَٰتِنَا لَغَٰفِلُونَ

Twijfel over de openbaring en het volk van Jona

93

Wij vestigden de kinderen van Israël in een schone woonplaats, en voorzagen hen van het beste levensonderhoud: het was nadat hun kennis geschonken was, dat zij in verdeeldheden vervielen. Voorwaar, Allah zal tussen hen oordelen aangaande de verdeeldheden onder hen, op de dag van het oordeel.

وَلَقَدْ بَوَّأْنَا بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ مُبَوَّأَ صِدْقٍ وَرَزَقْنَٰهُم مِّنَ ٱلطَّيِّبَٰتِ فَمَا ٱخْتَلَفُوا۟ حَتَّىٰ جَآءَهُمُ ٱلْعِلْمُ إِنَّ رَبَّكَ يَقْضِى بَيْنَهُمْ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ فِيمَا كَانُوا۟ فِيهِ يَخْتَلِفُونَ

94

Indien u in twijfel was aangaande hetgeen Wij aan u geopenbaard hebben, vraag dan hen die het Boek van vóór u gelezen hebben: de waarheid is voorwaar tot u gekomen van uw Heer: wees dus geenszins van hen die twijfelen.

فَإِن كُنتَ فِى شَكٍّ مِّمَّآ أَنزَلْنَآ إِلَيْكَ فَسْـَٔلِ ٱلَّذِينَ يَقْرَءُونَ ٱلْكِتَٰبَ مِن قَبْلِكَ لَقَدْ جَآءَكَ ٱلْحَقُّ مِن رَّبِّكَ فَلَا تَكُونَنَّ مِنَ ٱلْمُمْتَرِينَ

95

En wees niet van hen die de tekenen van Allah verwerpen, of u zult zijn van hen die verloren gaan.

وَلَا تَكُونَنَّ مِنَ ٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَٰتِ ٱللَّهِ فَتَكُونَ مِنَ ٱلْخَٰسِرِينَ

96

Zij tegen wie het woord van uw Heer bewaarheid is, zullen niet geloven —

إِنَّ ٱلَّذِينَ حَقَّتْ عَلَيْهِمْ كَلِمَتُ رَبِّكَ لَا يُؤْمِنُونَ

97

Zelfs al werd ieder teken tot hen gebracht, — totdat zij (voor zichzelf) de smartelijke straf zien.

وَلَوْ جَآءَتْهُمْ كُلُّ ءَايَةٍ حَتَّىٰ يَرَوُا۟ ٱلْعَذَابَ ٱلْأَلِيمَ

98

Waarom was er niet één stad (onder hen die Wij waarschuwden), die geloofde, — zodat haar geloof haar gebaat zou hebben, — behalve het volk van Jona? Toen zij geloofden, namen Wij van hen de straf van de smaad weg in het tegenwoordige leven, en stonden hun toe (hun leven) voor een tijd te genieten.

فَلَوْلَا كَانَتْ قَرْيَةٌ ءَامَنَتْ فَنَفَعَهَآ إِيمَٰنُهَآ إِلَّا قَوْمَ يُونُسَ لَمَّآ ءَامَنُوا۟ كَشَفْنَا عَنْهُمْ عَذَابَ ٱلْخِزْىِ فِى ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا وَمَتَّعْنَٰهُمْ إِلَىٰ حِينٍ

99

Indien het de wil van uw Heer was geweest, zouden zij allen geloofd hebben, — allen die op aarde zijn! zult u dan de mensheid, tegen hun wil, dwingen te geloven!

وَلَوْ شَآءَ رَبُّكَ لَـَٔامَنَ مَن فِى ٱلْأَرْضِ كُلُّهُمْ جَمِيعًا أَفَأَنتَ تُكْرِهُ ٱلنَّاسَ حَتَّىٰ يَكُونُوا۟ مُؤْمِنِينَ

100

Geen ziel kan geloven, dan door de wil van Allah, en Hij zal twijfel (of duisternis) leggen op hen die niet willen verstaan.

وَمَا كَانَ لِنَفْسٍ أَن تُؤْمِنَ إِلَّا بِإِذْنِ ٱللَّهِ وَيَجْعَلُ ٱلرِّجْسَ عَلَى ٱلَّذِينَ لَا يَعْقِلُونَ

101

Zeg: "Aanschouw alles wat in de hemelen en op aarde is"; maar noch tekenen noch waarschuwers baten hen die niet geloven.

قُلِ ٱنظُرُوا۟ مَاذَا فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ وَمَا تُغْنِى ٱلْـَٔايَٰتُ وَٱلنُّذُرُ عَن قَوْمٍ لَّا يُؤْمِنُونَ

102

Verwachten zij dan (iets anders) dan (wat geschiedde in) de dagen van de mensen die vóór hen zijn heengegaan? Zeg: "Wacht dan: want ik zal ook met u wachten."

فَهَلْ يَنتَظِرُونَ إِلَّا مِثْلَ أَيَّامِ ٱلَّذِينَ خَلَوْا۟ مِن قَبْلِهِمْ قُلْ فَٱنتَظِرُوٓا۟ إِنِّى مَعَكُم مِّنَ ٱلْمُنتَظِرِينَ

103

Ten slotte verlossen Wij Onze boodschappers en hen die geloven: aldus is het passend van Onze zijde dat Wij hen die geloven zouden verlossen!

ثُمَّ نُنَجِّى رُسُلَنَا وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ كَذَٰلِكَ حَقًّا عَلَيْنَا نُنجِ ٱلْمُؤْمِنِينَ

Oproep tot zuivere aanbidding van Allah

104

Zeg: "O mensen! Indien u in twijfel bent aangaande mijn godsdienst, (zie!) ik aanbid niet wat u aanbidt buiten Allah! Maar ik aanbid Allah — Die uw zielen zal nemen (bij de dood): mij is bevolen te behoren (tot de rijen) van de gelovigen,"

قُلْ يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ إِن كُنتُمْ فِى شَكٍّ مِّن دِينِى فَلَآ أَعْبُدُ ٱلَّذِينَ تَعْبُدُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ وَلَٰكِنْ أَعْبُدُ ٱللَّهَ ٱلَّذِى يَتَوَفَّىٰكُمْ وَأُمِرْتُ أَنْ أَكُونَ مِنَ ٱلْمُؤْمِنِينَ

105

"En voorts (aldus): 'richt uw aangezicht naar de godsdienst met ware vroomheid, en wees nooit op enigerlei wijze van de ongelovigen;'"

وَأَنْ أَقِمْ وَجْهَكَ لِلدِّينِ حَنِيفًا وَلَا تَكُونَنَّ مِنَ ٱلْمُشْرِكِينَ

106

"'En roep niemand aan, buiten Allah; — zulke zullen u noch baten noch schaden: indien u het doet, zie! dan zult u zekerlijk zijn van hen die onrecht doen.'"

وَلَا تَدْعُ مِن دُونِ ٱللَّهِ مَا لَا يَنفَعُكَ وَلَا يَضُرُّكَ فَإِن فَعَلْتَ فَإِنَّكَ إِذًا مِّنَ ٱلظَّٰلِمِينَ

107

Indien Allah u met kwaad treft, is er niemand die het kan wegnemen dan Hij: indien Hij enig goed voor u beschikt, is er niemand die Zijn gunst kan tegenhouden: Hij doet haar bereiken wie van Zijn dienaren Hem behaagt. En Hij is de Veelvergevende, de Meest Barmhartige.

وَإِن يَمْسَسْكَ ٱللَّهُ بِضُرٍّ فَلَا كَاشِفَ لَهُۥٓ إِلَّا هُوَ وَإِن يُرِدْكَ بِخَيْرٍ فَلَا رَآدَّ لِفَضْلِهِۦ يُصِيبُ بِهِۦ مَن يَشَآءُ مِنْ عِبَادِهِۦ وَهُوَ ٱلْغَفُورُ ٱلرَّحِيمُ

108

Zeg: "O mensen! Nu heeft de waarheid u bereikt van uw Heer! zij die de leiding aannemen, doen dat tot heil van hun eigen zielen; zij die afdwalen, doen dat tot hun eigen verlies: en ik ben niet over u (gesteld) om uw zaken te beschikken."

قُلْ يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ قَدْ جَآءَكُمُ ٱلْحَقُّ مِن رَّبِّكُمْ فَمَنِ ٱهْتَدَىٰ فَإِنَّمَا يَهْتَدِى لِنَفْسِهِۦ وَمَن ضَلَّ فَإِنَّمَا يَضِلُّ عَلَيْهَا وَمَآ أَنَا۠ عَلَيْكُم بِوَكِيلٍ

109

Volg de ingeving die tot u gezonden is, en wees geduldig en standvastig, totdat Allah beslist: want Hij is de beste om te beslissen.

وَٱتَّبِعْ مَا يُوحَىٰٓ إِلَيْكَ وَٱصْبِرْ حَتَّىٰ يَحْكُمَ ٱللَّهُ وَهُوَ خَيْرُ ٱلْحَٰكِمِينَ