Open Koran Weergave
Deze site is in concept en onder zware bewerking. Versie 1 staat gepland voor 1 september 2026.

Soera 9. At-Tauba — Het Berouw

Deze vertaling is in bewerking en heeft de status van een concept; de tekst wordt nog gecontroleerd en kan wijzigen.

De Nederlandse weergave van soera 9 (At-Tauba, “Het Berouw”), 129 verzen, naar de Engelse vertaling van Abdullah Yusuf Ali (1934, publiek domein). Lees deze soera interactief met het Arabische origineel, transliteratie, voorleesfunctie en toelichting.

Opzegging van de verbonden met de heidenen

1

Een (verklaring) van ontheffing vanwege Allah en Zijn boodschapper, aan degenen van de heidenen met wie u wederzijdse verbonden gesloten hebt:-

بَرَآءَةٌ مِّنَ ٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦٓ إِلَى ٱلَّذِينَ عَٰهَدتُّم مِّنَ ٱلْمُشْرِكِينَ

2

Ga dan vier maanden lang, heen en weer, (zoals u wilt), door het land, maar weet dat u Allah niet kunt verijdelen (door uw leugen), maar dat Allah met schande zal bedekken hen die Hem verwerpen.

فَسِيحُوا۟ فِى ٱلْأَرْضِ أَرْبَعَةَ أَشْهُرٍ وَٱعْلَمُوٓا۟ أَنَّكُمْ غَيْرُ مُعْجِزِى ٱللَّهِ وَأَنَّ ٱللَّهَ مُخْزِى ٱلْكَٰفِرِينَ

3

En een aankondiging vanwege Allah en Zijn boodschapper, aan het volk (dat vergaderd is) op de dag van de grote bedevaart,- dat Allah en Zijn boodschapper de (verdrags)verplichtingen met de heidenen ontbinden. Als u zich dan bekeert, is dat het beste voor u; maar als u zich afwendt, weet dan dat u Allah niet kunt verijdelen. En verkondig een smartelijke straf aan hen die het geloof verwerpen.

وَأَذَٰنٌ مِّنَ ٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦٓ إِلَى ٱلنَّاسِ يَوْمَ ٱلْحَجِّ ٱلْأَكْبَرِ أَنَّ ٱللَّهَ بَرِىٓءٌ مِّنَ ٱلْمُشْرِكِينَ وَرَسُولُهُۥ فَإِن تُبْتُمْ فَهُوَ خَيْرٌ لَّكُمْ وَإِن تَوَلَّيْتُمْ فَٱعْلَمُوٓا۟ أَنَّكُمْ غَيْرُ مُعْجِزِى ٱللَّهِ وَبَشِّرِ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ بِعَذَابٍ أَلِيمٍ

4

(Maar de verbonden zijn) niet ontbonden met die heidenen met wie u een verbond bent aangegaan en die u daarna in niets tekortgedaan hebben, noch iemand tegen u geholpen hebben. Vervul dan uw verplichtingen jegens hen tot het einde van hun termijn: want Allah heeft de rechtvaardigen lief.

إِلَّا ٱلَّذِينَ عَٰهَدتُّم مِّنَ ٱلْمُشْرِكِينَ ثُمَّ لَمْ يَنقُصُوكُمْ شَيْـًٔا وَلَمْ يُظَٰهِرُوا۟ عَلَيْكُمْ أَحَدًا فَأَتِمُّوٓا۟ إِلَيْهِمْ عَهْدَهُمْ إِلَىٰ مُدَّتِهِمْ إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلْمُتَّقِينَ

Bevel om de heidenen te bestrijden

5

Maar wanneer de verboden maanden voorbij zijn, strijd dan tegen de heidenen en dood hen waar u hen ook vindt, en grijp hen, beleger hen, en lig voor hen in hinderlaag met elke krijgslist (van oorlog); maar als zij zich bekeren, en de geregelde gebeden onderhouden en geregeld aalmoezen geven, open dan de weg voor hen: want Allah is de Veelvergevende, de Meest Barmhartige.

فَإِذَا ٱنسَلَخَ ٱلْأَشْهُرُ ٱلْحُرُمُ فَٱقْتُلُوا۟ ٱلْمُشْرِكِينَ حَيْثُ وَجَدتُّمُوهُمْ وَخُذُوهُمْ وَٱحْصُرُوهُمْ وَٱقْعُدُوا۟ لَهُمْ كُلَّ مَرْصَدٍ فَإِن تَابُوا۟ وَأَقَامُوا۟ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتَوُا۟ ٱلزَّكَوٰةَ فَخَلُّوا۟ سَبِيلَهُمْ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٌ رَّحِيمٌ

6

Als één van de heidenen u om toevlucht vraagt, verleen die hem dan, opdat hij het woord van Allah moge horen; en geleid hem daarna naar waar hij veilig kan zijn. Dat is omdat zij mensen zonder kennis zijn.

وَإِنْ أَحَدٌ مِّنَ ٱلْمُشْرِكِينَ ٱسْتَجَارَكَ فَأَجِرْهُ حَتَّىٰ يَسْمَعَ كَلَٰمَ ٱللَّهِ ثُمَّ أَبْلِغْهُ مَأْمَنَهُۥ ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمْ قَوْمٌ لَّا يَعْلَمُونَ

7

Hoe kan er een verbond zijn, voor Allah en Zijn boodschapper, met de heidenen, behalve met hen met wie u een verdrag gesloten hebt nabij de heilige moskee? Zolang dezen trouw jegens u blijven, blijf ook trouw jegens hen: want Allah heeft de rechtvaardigen lief.

كَيْفَ يَكُونُ لِلْمُشْرِكِينَ عَهْدٌ عِندَ ٱللَّهِ وَعِندَ رَسُولِهِۦٓ إِلَّا ٱلَّذِينَ عَٰهَدتُّمْ عِندَ ٱلْمَسْجِدِ ٱلْحَرَامِ فَمَا ٱسْتَقَٰمُوا۟ لَكُمْ فَٱسْتَقِيمُوا۟ لَهُمْ إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلْمُتَّقِينَ

8

Hoe (kan er zulk een verbond zijn), aangezien zij, als zij een voordeel op u behalen, jegens u noch de banden van verwantschap noch die van het verbond ontzien? Met (schone woorden uit) hun mond paaien zij u, maar hun hart is afkerig van u; en de meesten van hen zijn opstandig en goddeloos.

كَيْفَ وَإِن يَظْهَرُوا۟ عَلَيْكُمْ لَا يَرْقُبُوا۟ فِيكُمْ إِلًّا وَلَا ذِمَّةً يُرْضُونَكُم بِأَفْوَٰهِهِمْ وَتَأْبَىٰ قُلُوبُهُمْ وَأَكْثَرُهُمْ فَٰسِقُونَ

9

De tekenen van Allah hebben zij verkocht voor een armzalige prijs, en (velen) hebben zij van Zijn weg afgehouden: waarlijk kwaad zijn de daden die zij gedaan hebben.

ٱشْتَرَوْا۟ بِـَٔايَٰتِ ٱللَّهِ ثَمَنًا قَلِيلًا فَصَدُّوا۟ عَن سَبِيلِهِۦٓ إِنَّهُمْ سَآءَ مَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ

10

Jegens een gelovige ontzien zij noch de banden van verwantschap noch die van het verbond! Zij zijn het die alle grenzen overschreden hebben.

لَا يَرْقُبُونَ فِى مُؤْمِنٍ إِلًّا وَلَا ذِمَّةً وَأُو۟لَٰٓئِكَ هُمُ ٱلْمُعْتَدُونَ

11

Maar (zelfs dan), als zij zich bekeren, de geregelde gebeden onderhouden en geregeld aalmoezen geven,- dan zijn zij uw broeders in het geloof: (zo) zetten Wij de tekenen in bijzonderheden uiteen, voor hen die verstaan.

فَإِن تَابُوا۟ وَأَقَامُوا۟ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتَوُا۟ ٱلزَّكَوٰةَ فَإِخْوَٰنُكُمْ فِى ٱلدِّينِ وَنُفَصِّلُ ٱلْـَٔايَٰتِ لِقَوْمٍ يَعْلَمُونَ

12

Maar als zij hun eden schenden na hun verbond, en u honen om uw geloof,- bestrijd dan de hoofden van het ongeloof: want hun eden betekenen hun niets: opdat zij aldus weerhouden mogen worden.

وَإِن نَّكَثُوٓا۟ أَيْمَٰنَهُم مِّنۢ بَعْدِ عَهْدِهِمْ وَطَعَنُوا۟ فِى دِينِكُمْ فَقَٰتِلُوٓا۟ أَئِمَّةَ ٱلْكُفْرِ إِنَّهُمْ لَآ أَيْمَٰنَ لَهُمْ لَعَلَّهُمْ يَنتَهُونَ

13

Zult u niet strijden tegen mensen die hun eden geschonden hebben, die beraamden de boodschapper te verdrijven, en die de aanval begonnen door de eersten te zijn (die) u (aanvielen)? Vreest u hen? Nee, het is Allah Die u met meer recht behoort te vrezen, indien u gelooft!

أَلَا تُقَٰتِلُونَ قَوْمًا نَّكَثُوٓا۟ أَيْمَٰنَهُمْ وَهَمُّوا۟ بِإِخْرَاجِ ٱلرَّسُولِ وَهُم بَدَءُوكُمْ أَوَّلَ مَرَّةٍ أَتَخْشَوْنَهُمْ فَٱللَّهُ أَحَقُّ أَن تَخْشَوْهُ إِن كُنتُم مُّؤْمِنِينَ

14

Bestrijd hen, en Allah zal hen straffen door uw handen, hen met schande bedekken, u helpen (tot de overwinning) over hen, de borst van de gelovigen genezen,

قَٰتِلُوهُمْ يُعَذِّبْهُمُ ٱللَّهُ بِأَيْدِيكُمْ وَيُخْزِهِمْ وَيَنصُرْكُمْ عَلَيْهِمْ وَيَشْفِ صُدُورَ قَوْمٍ مُّؤْمِنِينَ

15

En de verontwaardiging van hun hart stillen. Want Allah zal Zich (in barmhartigheid) wenden tot wie Hij wil; en Allah is Alwetend, Alwijs.

وَيُذْهِبْ غَيْظَ قُلُوبِهِمْ وَيَتُوبُ ٱللَّهُ عَلَىٰ مَن يَشَآءُ وَٱللَّهُ عَلِيمٌ حَكِيمٌ

16

Of meent u dat u verlaten zult worden, alsof Allah degenen onder u niet kende die met macht en kracht strijden, en niemand tot vrienden en beschermers nemen behalve Allah, Zijn boodschapper en de (gemeenschap van de) gelovigen? Maar Allah is welbekend met (alles) wat u doet.

أَمْ حَسِبْتُمْ أَن تُتْرَكُوا۟ وَلَمَّا يَعْلَمِ ٱللَّهُ ٱلَّذِينَ جَٰهَدُوا۟ مِنكُمْ وَلَمْ يَتَّخِذُوا۟ مِن دُونِ ٱللَّهِ وَلَا رَسُولِهِۦ وَلَا ٱلْمُؤْمِنِينَ وَلِيجَةً وَٱللَّهُ خَبِيرٌۢ بِمَا تَعْمَلُونَ

Wie de moskeeën van Allah onderhouden

17

Het komt hun die goden aan Allah toevoegen niet toe, de moskeeën van Allah te bezoeken of te onderhouden, terwijl zij tegen hun eigen ziel getuigen van ongeloof. De werken van zulke mensen dragen geen vrucht: in het vuur zullen zij wonen.

مَا كَانَ لِلْمُشْرِكِينَ أَن يَعْمُرُوا۟ مَسَٰجِدَ ٱللَّهِ شَٰهِدِينَ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِم بِٱلْكُفْرِ أُو۟لَٰٓئِكَ حَبِطَتْ أَعْمَٰلُهُمْ وَفِى ٱلنَّارِ هُمْ خَٰلِدُونَ

18

De moskeeën van Allah zullen bezocht en onderhouden worden door hen die geloven in Allah en de laatste dag, de geregelde gebeden onderhouden en geregeld aalmoezen geven, en niemand vrezen (in het geheel) behalve Allah. Zij zijn het van wie verwacht mag worden dat zij op de ware leiding zijn.

إِنَّمَا يَعْمُرُ مَسَٰجِدَ ٱللَّهِ مَنْ ءَامَنَ بِٱللَّهِ وَٱلْيَوْمِ ٱلْـَٔاخِرِ وَأَقَامَ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتَى ٱلزَّكَوٰةَ وَلَمْ يَخْشَ إِلَّا ٱللَّهَ فَعَسَىٰٓ أُو۟لَٰٓئِكَ أَن يَكُونُوا۟ مِنَ ٱلْمُهْتَدِينَ

19

Stelt u het geven van drinken aan bedevaartgangers, of het onderhoud van de heilige moskee, gelijk aan (de vrome dienst van) hen die geloven in Allah en de laatste dag, en met macht en kracht strijden voor de zaak van Allah? Zij zijn niet gelijk in het oog van Allah: en Allah leidt niet hen die onrecht doen.

أَجَعَلْتُمْ سِقَايَةَ ٱلْحَآجِّ وَعِمَارَةَ ٱلْمَسْجِدِ ٱلْحَرَامِ كَمَنْ ءَامَنَ بِٱللَّهِ وَٱلْيَوْمِ ٱلْـَٔاخِرِ وَجَٰهَدَ فِى سَبِيلِ ٱللَّهِ لَا يَسْتَوُۥنَ عِندَ ٱللَّهِ وَٱللَّهُ لَا يَهْدِى ٱلْقَوْمَ ٱلظَّٰلِمِينَ

20

Zij die geloven, en ballingschap lijden en met macht en kracht strijden, voor de zaak van Allah, met hun goederen en hun persoon, hebben de hoogste rang in het oog van Allah: zij zijn het volk dat (de zaligheid) zal verwerven.

ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَهَاجَرُوا۟ وَجَٰهَدُوا۟ فِى سَبِيلِ ٱللَّهِ بِأَمْوَٰلِهِمْ وَأَنفُسِهِمْ أَعْظَمُ دَرَجَةً عِندَ ٱللَّهِ وَأُو۟لَٰٓئِكَ هُمُ ٱلْفَآئِزُونَ

21

Hun Heer geeft hun de blijde tijding van een barmhartigheid van Hemzelf, van Zijn welbehagen, en van hoven voor hen, waarin blijvende verrukkingen zijn:

يُبَشِّرُهُمْ رَبُّهُم بِرَحْمَةٍ مِّنْهُ وَرِضْوَٰنٍ وَجَنَّٰتٍ لَّهُمْ فِيهَا نَعِيمٌ مُّقِيمٌ

22

Zij zullen daarin voor eeuwig wonen. Voorwaar, bij Allah is een beloning, de grootste (van alle).

خَٰلِدِينَ فِيهَآ أَبَدًا إِنَّ ٱللَّهَ عِندَهُۥٓ أَجْرٌ عَظِيمٌ

Geloof boven familiebanden en de slag bij Hunain

23

O u die gelooft! Neem uw vaders en uw broeders niet tot beschermers als zij het ongeloof liefhebben boven het geloof: wie van u dit doet, behoort tot de onrechtplegers.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ لَا تَتَّخِذُوٓا۟ ءَابَآءَكُمْ وَإِخْوَٰنَكُمْ أَوْلِيَآءَ إِنِ ٱسْتَحَبُّوا۟ ٱلْكُفْرَ عَلَى ٱلْإِيمَٰنِ وَمَن يَتَوَلَّهُم مِّنكُمْ فَأُو۟لَٰٓئِكَ هُمُ ٱلظَّٰلِمُونَ

24

Zeg: Als uw vaders, uw zonen, uw broeders, uw echtgenoten, of uw verwanten; de rijkdom die u verworven hebt; de handel waarvan u een teruggang vreest: of de woningen waarin u behagen schept - u dierbaarder zijn dan Allah, of Zijn boodschapper, of het strijden voor Zijn zaak;- wacht dan totdat Allah Zijn beslissing brengt: en Allah leidt de opstandigen niet.

قُلْ إِن كَانَ ءَابَآؤُكُمْ وَأَبْنَآؤُكُمْ وَإِخْوَٰنُكُمْ وَأَزْوَٰجُكُمْ وَعَشِيرَتُكُمْ وَأَمْوَٰلٌ ٱقْتَرَفْتُمُوهَا وَتِجَٰرَةٌ تَخْشَوْنَ كَسَادَهَا وَمَسَٰكِنُ تَرْضَوْنَهَآ أَحَبَّ إِلَيْكُم مِّنَ ٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦ وَجِهَادٍ فِى سَبِيلِهِۦ فَتَرَبَّصُوا۟ حَتَّىٰ يَأْتِىَ ٱللَّهُ بِأَمْرِهِۦ وَٱللَّهُ لَا يَهْدِى ٱلْقَوْمَ ٱلْفَٰسِقِينَ

25

Voorzeker, Allah heeft u geholpen op vele slagvelden en op de dag van Hunain: Zie! uw grote aantallen maakten u overmoedig, maar zij baatten u niets: het land, hoe wijd het ook is, benauwde u, en u keerde om op de vlucht.

لَقَدْ نَصَرَكُمُ ٱللَّهُ فِى مَوَاطِنَ كَثِيرَةٍ وَيَوْمَ حُنَيْنٍ إِذْ أَعْجَبَتْكُمْ كَثْرَتُكُمْ فَلَمْ تُغْنِ عَنكُمْ شَيْـًٔا وَضَاقَتْ عَلَيْكُمُ ٱلْأَرْضُ بِمَا رَحُبَتْ ثُمَّ وَلَّيْتُم مُّدْبِرِينَ

26

Maar Allah stortte Zijn kalmte uit op de boodschapper en op de gelovigen, en zond strijdkrachten neer die u niet zag: Hij strafte de ongelovigen; zo vergeldt Hij hen die zonder geloof zijn.

ثُمَّ أَنزَلَ ٱللَّهُ سَكِينَتَهُۥ عَلَىٰ رَسُولِهِۦ وَعَلَى ٱلْمُؤْمِنِينَ وَأَنزَلَ جُنُودًا لَّمْ تَرَوْهَا وَعَذَّبَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ وَذَٰلِكَ جَزَآءُ ٱلْكَٰفِرِينَ

27

Daarna zal Allah, hierna, Zich (in barmhartigheid) wenden tot wie Hij wil: want Allah is de Veelvergevende, de Meest Barmhartige.

ثُمَّ يَتُوبُ ٱللَّهُ مِنۢ بَعْدِ ذَٰلِكَ عَلَىٰ مَن يَشَآءُ وَٱللَّهُ غَفُورٌ رَّحِيمٌ

28

O u die gelooft! Waarlijk, de heidenen zijn onrein; laat hen daarom, na dit jaar van hen, de heilige moskee niet naderen. En als u armoede vreest, spoedig zal Allah u verrijken, als Hij wil, uit Zijn overvloed, want Allah is Alwetend, Alwijs.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ إِنَّمَا ٱلْمُشْرِكُونَ نَجَسٌ فَلَا يَقْرَبُوا۟ ٱلْمَسْجِدَ ٱلْحَرَامَ بَعْدَ عَامِهِمْ هَٰذَا وَإِنْ خِفْتُمْ عَيْلَةً فَسَوْفَ يُغْنِيكُمُ ٱللَّهُ مِن فَضْلِهِۦٓ إِن شَآءَ إِنَّ ٱللَّهَ عَلِيمٌ حَكِيمٌ

Strijd tegen de mensen van het Boek en kritiek op joden en christenen

29

Bestrijd hen die niet geloven in Allah noch in de laatste dag, noch dat verboden houden wat door Allah en Zijn boodschapper verboden is, noch de godsdienst van de waarheid erkennen, (ook al zijn zij) van de mensen van het Boek, totdat zij de djizja betalen in gewillige onderwerping, en zich onderworpen voelen.

قَٰتِلُوا۟ ٱلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِٱللَّهِ وَلَا بِٱلْيَوْمِ ٱلْـَٔاخِرِ وَلَا يُحَرِّمُونَ مَا حَرَّمَ ٱللَّهُ وَرَسُولُهُۥ وَلَا يَدِينُونَ دِينَ ٱلْحَقِّ مِنَ ٱلَّذِينَ أُوتُوا۟ ٱلْكِتَٰبَ حَتَّىٰ يُعْطُوا۟ ٱلْجِزْيَةَ عَن يَدٍ وَهُمْ صَٰغِرُونَ

30

De Joden noemen 'Uzair een zoon van Allah, en de christenen noemen Christus de zoon van Allah. Dat is een gezegde uit hun mond; (hierin) doen zij slechts na wat de ongelovigen vanouds plachten te zeggen. Allahs vloek zij op hen: hoe worden zij van de waarheid afgewend!

وَقَالَتِ ٱلْيَهُودُ عُزَيْرٌ ٱبْنُ ٱللَّهِ وَقَالَتِ ٱلنَّصَٰرَى ٱلْمَسِيحُ ٱبْنُ ٱللَّهِ ذَٰلِكَ قَوْلُهُم بِأَفْوَٰهِهِمْ يُضَٰهِـُٔونَ قَوْلَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِن قَبْلُ قَٰتَلَهُمُ ٱللَّهُ أَنَّىٰ يُؤْفَكُونَ

31

Zij nemen hun priesters en hun kluizenaars tot heren met voorbijgaan van Allah, en (zij nemen tot hun Heer) Christus, de zoon van Maria; toch werd hun geboden slechts één Allah te aanbidden: er is geen god dan Hij. Lof en heerlijkheid zij Hem: (verre is Hij) van de deelgenoten die zij (aan Hem) toeschrijven.

ٱتَّخَذُوٓا۟ أَحْبَارَهُمْ وَرُهْبَٰنَهُمْ أَرْبَابًا مِّن دُونِ ٱللَّهِ وَٱلْمَسِيحَ ٱبْنَ مَرْيَمَ وَمَآ أُمِرُوٓا۟ إِلَّا لِيَعْبُدُوٓا۟ إِلَٰهًا وَٰحِدًا لَّآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ سُبْحَٰنَهُۥ عَمَّا يُشْرِكُونَ

32

Gaarne zouden zij Allahs licht met hun mond uitdoven, maar Allah zal niet toelaten dan dat Zijn licht vervolmaakt wordt, ook al mogen de ongelovigen (het) verafschuwen.

يُرِيدُونَ أَن يُطْفِـُٔوا۟ نُورَ ٱللَّهِ بِأَفْوَٰهِهِمْ وَيَأْبَى ٱللَّهُ إِلَّآ أَن يُتِمَّ نُورَهُۥ وَلَوْ كَرِهَ ٱلْكَٰفِرُونَ

33

Hij is het Die Zijn boodschapper gezonden heeft met de leiding en de godsdienst van de waarheid, om die uit te roepen boven alle godsdienst, ook al mogen de heidenen (het) verafschuwen.

هُوَ ٱلَّذِىٓ أَرْسَلَ رَسُولَهُۥ بِٱلْهُدَىٰ وَدِينِ ٱلْحَقِّ لِيُظْهِرَهُۥ عَلَى ٱلدِّينِ كُلِّهِۦ وَلَوْ كَرِهَ ٱلْمُشْرِكُونَ

34

O u die gelooft! Er zijn waarlijk velen onder de priesters en kluizenaars, die in valsheid de bezittingen van de mensen verteren en (hen) afhouden van de weg van Allah. En er zijn er die goud en zilver begraven en het niet besteden op de weg van Allah: kondig hun een zeer smartelijke straf aan-

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ إِنَّ كَثِيرًا مِّنَ ٱلْأَحْبَارِ وَٱلرُّهْبَانِ لَيَأْكُلُونَ أَمْوَٰلَ ٱلنَّاسِ بِٱلْبَٰطِلِ وَيَصُدُّونَ عَن سَبِيلِ ٱللَّهِ وَٱلَّذِينَ يَكْنِزُونَ ٱلذَّهَبَ وَٱلْفِضَّةَ وَلَا يُنفِقُونَهَا فِى سَبِيلِ ٱللَّهِ فَبَشِّرْهُم بِعَذَابٍ أَلِيمٍ

35

Op de dag wanneer hitte voortgebracht zal worden uit dat (bezit) in het vuur van de hel, en daarmee hun voorhoofden gebrandmerkt zullen worden, hun zijden en hun ruggen, hun zijden en hun ruggen.- "Dit is de (schat) die u voor uzelf begraven hebt: proef dan de (schatten) die u begraven hebt!"

يَوْمَ يُحْمَىٰ عَلَيْهَا فِى نَارِ جَهَنَّمَ فَتُكْوَىٰ بِهَا جِبَاهُهُمْ وَجُنُوبُهُمْ وَظُهُورُهُمْ هَٰذَا مَا كَنَزْتُمْ لِأَنفُسِكُمْ فَذُوقُوا۟ مَا كُنتُمْ تَكْنِزُونَ

De heilige maanden

36

Het aantal maanden in het oog van Allah is twaalf (in een jaar)- zo door Hem verordend op de dag dat Hij de hemelen en de aarde schiep; daarvan zijn er vier heilig: dat is het rechte gebruik. Doe uzelf daarin dan geen onrecht, en bestrijd de heidenen allen tezamen zoals zij u allen tezamen bestrijden. Maar weet dat Allah met hen is die zichzelf beheersen.

إِنَّ عِدَّةَ ٱلشُّهُورِ عِندَ ٱللَّهِ ٱثْنَا عَشَرَ شَهْرًا فِى كِتَٰبِ ٱللَّهِ يَوْمَ خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ مِنْهَآ أَرْبَعَةٌ حُرُمٌ ذَٰلِكَ ٱلدِّينُ ٱلْقَيِّمُ فَلَا تَظْلِمُوا۟ فِيهِنَّ أَنفُسَكُمْ وَقَٰتِلُوا۟ ٱلْمُشْرِكِينَ كَآفَّةً كَمَا يُقَٰتِلُونَكُمْ كَآفَّةً وَٱعْلَمُوٓا۟ أَنَّ ٱللَّهَ مَعَ ٱلْمُتَّقِينَ

37

Voorwaar, het verschuiven (van een verboden maand) is een vermeerdering van het ongeloof: de ongelovigen worden daardoor tot dwaling geleid: want zij maken die het ene jaar geoorloofd, en het andere jaar verboden, om het aantal van de door Allah verboden maanden aan te passen en zulke verboden maanden geoorloofd te maken. Het kwaad van hun handelwijze schijnt hun schoon toe. Maar Allah leidt niet hen die het geloof verwerpen.

إِنَّمَا ٱلنَّسِىٓءُ زِيَادَةٌ فِى ٱلْكُفْرِ يُضَلُّ بِهِ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ يُحِلُّونَهُۥ عَامًا وَيُحَرِّمُونَهُۥ عَامًا لِّيُوَاطِـُٔوا۟ عِدَّةَ مَا حَرَّمَ ٱللَّهُ فَيُحِلُّوا۟ مَا حَرَّمَ ٱللَّهُ زُيِّنَ لَهُمْ سُوٓءُ أَعْمَٰلِهِمْ وَٱللَّهُ لَا يَهْدِى ٱلْقَوْمَ ٱلْكَٰفِرِينَ

Aansporing om uit te trekken naar Tabuk

38

O u die gelooft! Wat is er met u, dat u, wanneer u gevraagd wordt uit te trekken voor de zaak van Allah, zwaar aan de aarde kleeft? Verkiest u het leven van deze wereld boven het hiernamaals? Maar gering is de vertroosting van dit leven, in vergelijking met het hiernamaals.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ مَا لَكُمْ إِذَا قِيلَ لَكُمُ ٱنفِرُوا۟ فِى سَبِيلِ ٱللَّهِ ٱثَّاقَلْتُمْ إِلَى ٱلْأَرْضِ أَرَضِيتُم بِٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا مِنَ ٱلْـَٔاخِرَةِ فَمَا مَتَٰعُ ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا فِى ٱلْـَٔاخِرَةِ إِلَّا قَلِيلٌ

39

Tenzij u uittrekt, zal Hij u straffen met een smartelijke straf, en anderen in uw plaats stellen; maar Hem zou u in het minst niet deren. Want Allah heeft macht over alle dingen.

إِلَّا تَنفِرُوا۟ يُعَذِّبْكُمْ عَذَابًا أَلِيمًا وَيَسْتَبْدِلْ قَوْمًا غَيْرَكُمْ وَلَا تَضُرُّوهُ شَيْـًٔا وَٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍ قَدِيرٌ

40

Als u (uw leider) niet helpt, (het doet er niet toe): want Allah heeft hem waarlijk geholpen, toen de ongelovigen hem verdreven: hij had niet meer dan één metgezel; zij beiden waren in de grot, en hij zei tot zijn metgezel: "Vrees niet, want Allah is met ons": toen zond Allah Zijn vrede op hem neer, en versterkte hem met strijdkrachten die u niet zag, en vernederde het woord van de ongelovigen tot in de diepten. Maar het woord van Allah is verheven tot in de hoogten: want Allah is Verheven in macht, Wijs.

إِلَّا تَنصُرُوهُ فَقَدْ نَصَرَهُ ٱللَّهُ إِذْ أَخْرَجَهُ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ ثَانِىَ ٱثْنَيْنِ إِذْ هُمَا فِى ٱلْغَارِ إِذْ يَقُولُ لِصَٰحِبِهِۦ لَا تَحْزَنْ إِنَّ ٱللَّهَ مَعَنَا فَأَنزَلَ ٱللَّهُ سَكِينَتَهُۥ عَلَيْهِ وَأَيَّدَهُۥ بِجُنُودٍ لَّمْ تَرَوْهَا وَجَعَلَ كَلِمَةَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ ٱلسُّفْلَىٰ وَكَلِمَةُ ٱللَّهِ هِىَ ٱلْعُلْيَا وَٱللَّهُ عَزِيزٌ حَكِيمٌ

41

Trek uit, (hetzij) licht of zwaar (uitgerust), en strijd en worstel, met uw goederen en uw persoon, voor de zaak van Allah. Dat is het beste voor u, als u (het slechts) wist.

ٱنفِرُوا۟ خِفَافًا وَثِقَالًا وَجَٰهِدُوا۟ بِأَمْوَٰلِكُمْ وَأَنفُسِكُمْ فِى سَبِيلِ ٱللَّهِ ذَٰلِكُمْ خَيْرٌ لَّكُمْ إِن كُنتُمْ تَعْلَمُونَ

42

Als er onmiddellijk gewin (in zicht) was geweest, en de reis gemakkelijk, zouden zij (allen) zonder twijfel u gevolgd zijn, maar de afstand was lang, (en woog) op hen. Zij zouden waarlijk bij Allah zweren: "Als wij slechts konden, zouden wij zeker met u uitgetrokken zijn": Zij zouden hun eigen ziel verderven; want Allah weet dat zij zeker liegen.

لَوْ كَانَ عَرَضًا قَرِيبًا وَسَفَرًا قَاصِدًا لَّٱتَّبَعُوكَ وَلَٰكِنۢ بَعُدَتْ عَلَيْهِمُ ٱلشُّقَّةُ وَسَيَحْلِفُونَ بِٱللَّهِ لَوِ ٱسْتَطَعْنَا لَخَرَجْنَا مَعَكُمْ يُهْلِكُونَ أَنفُسَهُمْ وَٱللَّهُ يَعْلَمُ إِنَّهُمْ لَكَٰذِبُونَ

De huichelaars en de verdeling van de aalmoezen

43

Allah schenke u genade! Waarom hebt u hun vrijstelling verleend, voordat zij die de waarheid spraken door u in een helder licht gezien waren, en u de leugenaars had leren kennen?

عَفَا ٱللَّهُ عَنكَ لِمَ أَذِنتَ لَهُمْ حَتَّىٰ يَتَبَيَّنَ لَكَ ٱلَّذِينَ صَدَقُوا۟ وَتَعْلَمَ ٱلْكَٰذِبِينَ

44

Zij die geloven in Allah en de laatste dag vragen u geen vrijstelling van het strijden met hun goederen en persoon. En Allah kent hen wel die hun plicht doen.

لَا يَسْتَـْٔذِنُكَ ٱلَّذِينَ يُؤْمِنُونَ بِٱللَّهِ وَٱلْيَوْمِ ٱلْـَٔاخِرِ أَن يُجَٰهِدُوا۟ بِأَمْوَٰلِهِمْ وَأَنفُسِهِمْ وَٱللَّهُ عَلِيمٌۢ بِٱلْمُتَّقِينَ

45

Slechts zij vragen u om vrijstelling die niet geloven in Allah en de laatste dag, en van wie het hart in twijfel verkeert, zodat zij in hun twijfelingen heen en weer geslingerd worden.

إِنَّمَا يَسْتَـْٔذِنُكَ ٱلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِٱللَّهِ وَٱلْيَوْمِ ٱلْـَٔاخِرِ وَٱرْتَابَتْ قُلُوبُهُمْ فَهُمْ فِى رَيْبِهِمْ يَتَرَدَّدُونَ

46

Als zij van plan waren geweest uit te trekken, zouden zij daartoe zeker enige voorbereiding gemaakt hebben; maar Allah was afkerig van hun uitzending; daarom deed Hij hen achterblijven, en hun werd gezegd: "Zit neer onder hen die (werkeloos) neerzitten."

وَلَوْ أَرَادُوا۟ ٱلْخُرُوجَ لَأَعَدُّوا۟ لَهُۥ عُدَّةً وَلَٰكِن كَرِهَ ٱللَّهُ ٱنۢبِعَاثَهُمْ فَثَبَّطَهُمْ وَقِيلَ ٱقْعُدُوا۟ مَعَ ٱلْقَٰعِدِينَ

47

Als zij met u uitgetrokken waren, zouden zij niets aan uw (kracht) toegevoegd hebben, maar slechts wanorde (gesticht hebben), heen en weer ijlend in uw midden en tweedracht zaaiend onder u, en er zouden onder u sommigen geweest zijn die naar hen geluisterd zouden hebben. Maar Allah kent hen wel die onrecht doen.

لَوْ خَرَجُوا۟ فِيكُم مَّا زَادُوكُمْ إِلَّا خَبَالًا وَلَأَوْضَعُوا۟ خِلَٰلَكُمْ يَبْغُونَكُمُ ٱلْفِتْنَةَ وَفِيكُمْ سَمَّٰعُونَ لَهُمْ وَٱللَّهُ عَلِيمٌۢ بِٱلظَّٰلِمِينَ

48

Waarlijk, zij hadden reeds tevoren tweedracht beraamd, en zaken voor u in verwarring gebracht, totdat de waarheid kwam, en het besluit van Allah openbaar werd, zeer tot hun afschuw.

لَقَدِ ٱبْتَغَوُا۟ ٱلْفِتْنَةَ مِن قَبْلُ وَقَلَّبُوا۟ لَكَ ٱلْأُمُورَ حَتَّىٰ جَآءَ ٱلْحَقُّ وَظَهَرَ أَمْرُ ٱللَّهِ وَهُمْ كَٰرِهُونَ

49

Onder hen is (menig) man die zegt: "Verleen mij vrijstelling en breng mij niet in verzoeking." Zijn zij niet reeds in verzoeking gevallen? En waarlijk, de hel omringt de ongelovigen (aan alle zijden).

وَمِنْهُم مَّن يَقُولُ ٱئْذَن لِّى وَلَا تَفْتِنِّىٓ أَلَا فِى ٱلْفِتْنَةِ سَقَطُوا۟ وَإِنَّ جَهَنَّمَ لَمُحِيطَةٌۢ بِٱلْكَٰفِرِينَ

50

Als u iets goeds overkomt, bedroeft het hen; maar als u een tegenspoed overkomt, zeggen zij: "Wij hadden waarlijk tevoren onze voorzorgen genomen," en zij wenden zich verheugd af.

إِن تُصِبْكَ حَسَنَةٌ تَسُؤْهُمْ وَإِن تُصِبْكَ مُصِيبَةٌ يَقُولُوا۟ قَدْ أَخَذْنَآ أَمْرَنَا مِن قَبْلُ وَيَتَوَلَّوا۟ وَّهُمْ فَرِحُونَ

51

Zeg: "Niets zal ons overkomen dan wat Allah voor ons beschikt heeft: Hij is onze beschermer": en op Allah laten de gelovigen hun vertrouwen stellen.

قُل لَّن يُصِيبَنَآ إِلَّا مَا كَتَبَ ٱللَّهُ لَنَا هُوَ مَوْلَىٰنَا وَعَلَى ٱللَّهِ فَلْيَتَوَكَّلِ ٱلْمُؤْمِنُونَ

52

Zeg: "Kunt u voor ons (enig lot) verwachten anders dan één van twee heerlijke dingen- (het martelaarschap of de overwinning)? Maar wij kunnen voor u verwachten dat Allah Zijn straf zal zenden van Zichzelf, of door onze handen. Wacht dan (in afwachting); ook wij zullen met u wachten."

قُلْ هَلْ تَرَبَّصُونَ بِنَآ إِلَّآ إِحْدَى ٱلْحُسْنَيَيْنِ وَنَحْنُ نَتَرَبَّصُ بِكُمْ أَن يُصِيبَكُمُ ٱللَّهُ بِعَذَابٍ مِّنْ عِندِهِۦٓ أَوْ بِأَيْدِينَا فَتَرَبَّصُوٓا۟ إِنَّا مَعَكُم مُّتَرَبِّصُونَ

53

Zeg: "Geef (voor de zaak) gewillig of ongewillig: van u zal het niet aangenomen worden: want u bent waarlijk een opstandig en goddeloos volk."

قُلْ أَنفِقُوا۟ طَوْعًا أَوْ كَرْهًا لَّن يُتَقَبَّلَ مِنكُمْ إِنَّكُمْ كُنتُمْ قَوْمًا فَٰسِقِينَ

54

De enige redenen waarom hun bijdragen niet aangenomen worden, zijn: dat zij Allah en Zijn boodschapper verwerpen; dat zij zonder ernst tot het gebed komen; en dat zij hun bijdragen ongewillig geven.

وَمَا مَنَعَهُمْ أَن تُقْبَلَ مِنْهُمْ نَفَقَٰتُهُمْ إِلَّآ أَنَّهُمْ كَفَرُوا۟ بِٱللَّهِ وَبِرَسُولِهِۦ وَلَا يَأْتُونَ ٱلصَّلَوٰةَ إِلَّا وَهُمْ كُسَالَىٰ وَلَا يُنفِقُونَ إِلَّا وَهُمْ كَٰرِهُونَ

55

Laat hun rijkdom noch hun (aanwas aan) zonen u verblinden: in werkelijkheid is het Allahs plan hen met deze dingen te straffen in dit leven, en dat hun ziel moge omkomen in hun (eigen) verloochening van Allah.

فَلَا تُعْجِبْكَ أَمْوَٰلُهُمْ وَلَآ أَوْلَٰدُهُمْ إِنَّمَا يُرِيدُ ٱللَّهُ لِيُعَذِّبَهُم بِهَا فِى ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا وَتَزْهَقَ أَنفُسُهُمْ وَهُمْ كَٰفِرُونَ

56

Zij zweren bij Allah dat zij waarlijk van u zijn; maar zij zijn niet van u: toch zijn zij bevreesd (om zich in hun ware gedaante te tonen).

وَيَحْلِفُونَ بِٱللَّهِ إِنَّهُمْ لَمِنكُمْ وَمَا هُم مِّنكُمْ وَلَٰكِنَّهُمْ قَوْمٌ يَفْرَقُونَ

57

Als zij een plaats konden vinden om heen te vluchten, of grotten, of een schuilplaats, zouden zij zich terstond daarheen wenden, met een halsstarrige haast.

لَوْ يَجِدُونَ مَلْجَـًٔا أَوْ مَغَٰرَٰتٍ أَوْ مُدَّخَلًا لَّوَلَّوْا۟ إِلَيْهِ وَهُمْ يَجْمَحُونَ

58

En onder hen zijn mannen die u belasteren in de zaak van (de verdeling van) de aalmoezen: als hun een deel daarvan gegeven wordt, zijn zij tevreden, maar zo niet, zie! dan zijn zij verontwaardigd!

وَمِنْهُم مَّن يَلْمِزُكَ فِى ٱلصَّدَقَٰتِ فَإِنْ أُعْطُوا۟ مِنْهَا رَضُوا۟ وَإِن لَّمْ يُعْطَوْا۟ مِنْهَآ إِذَا هُمْ يَسْخَطُونَ

59

Als zij slechts tevreden waren geweest met wat Allah en Zijn boodschapper hun gaven, en gezegd hadden: "Allah is ons genoeg! Allah en Zijn boodschapper zullen ons spoedig van Zijn overvloed geven: tot Allah richten wij onze hoop!" (dat zou de rechte weg geweest zijn).

وَلَوْ أَنَّهُمْ رَضُوا۟ مَآ ءَاتَىٰهُمُ ٱللَّهُ وَرَسُولُهُۥ وَقَالُوا۟ حَسْبُنَا ٱللَّهُ سَيُؤْتِينَا ٱللَّهُ مِن فَضْلِهِۦ وَرَسُولُهُۥٓ إِنَّآ إِلَى ٱللَّهِ رَٰغِبُونَ

60

De aalmoezen zijn voor de armen en de behoeftigen, en voor hen die aangesteld zijn om de (gelden) te beheren; voor hen van wie het hart (onlangs) verzoend is (met de waarheid); voor hen in slavernij en in schuld; voor de zaak van Allah; en voor de reiziger: (aldus is het) verordend door Allah, en Allah is vol kennis en wijsheid.

إِنَّمَا ٱلصَّدَقَٰتُ لِلْفُقَرَآءِ وَٱلْمَسَٰكِينِ وَٱلْعَٰمِلِينَ عَلَيْهَا وَٱلْمُؤَلَّفَةِ قُلُوبُهُمْ وَفِى ٱلرِّقَابِ وَٱلْغَٰرِمِينَ وَفِى سَبِيلِ ٱللَّهِ وَٱبْنِ ٱلسَّبِيلِ فَرِيضَةً مِّنَ ٱللَّهِ وَٱللَّهُ عَلِيمٌ حَكِيمٌ

Het gedrag en het lot van de huichelaars

61

Onder hen zijn mannen die de profeet kwellen en zeggen: "Hij is (een en al) oor." Zeg: "Hij luistert naar wat het beste voor u is: hij gelooft in Allah, heeft vertrouwen in de gelovigen, en is een barmhartigheid voor degenen van u die geloven." Maar zij die de boodschapper kwellen, zullen een smartelijke straf hebben.

وَمِنْهُمُ ٱلَّذِينَ يُؤْذُونَ ٱلنَّبِىَّ وَيَقُولُونَ هُوَ أُذُنٌ قُلْ أُذُنُ خَيْرٍ لَّكُمْ يُؤْمِنُ بِٱللَّهِ وَيُؤْمِنُ لِلْمُؤْمِنِينَ وَرَحْمَةٌ لِّلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ مِنكُمْ وَٱلَّذِينَ يُؤْذُونَ رَسُولَ ٱللَّهِ لَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ

62

Voor u zweren zij bij Allah, om u te behagen: maar het is passender dat zij Allah en Zijn boodschapper behagen, als zij gelovigen zijn.

يَحْلِفُونَ بِٱللَّهِ لَكُمْ لِيُرْضُوكُمْ وَٱللَّهُ وَرَسُولُهُۥٓ أَحَقُّ أَن يُرْضُوهُ إِن كَانُوا۟ مُؤْمِنِينَ

63

Weten zij niet dat voor hen die zich tegen Allah en Zijn boodschapper verzetten, het vuur van de hel is?- waarin zij zullen wonen. Dat is de opperste schande.

أَلَمْ يَعْلَمُوٓا۟ أَنَّهُۥ مَن يُحَادِدِ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ فَأَنَّ لَهُۥ نَارَ جَهَنَّمَ خَٰلِدًا فِيهَا ذَٰلِكَ ٱلْخِزْىُ ٱلْعَظِيمُ

64

De huichelaars zijn bevreesd dat er een soera over hen neergezonden zou worden, die hun toont wat (werkelijk) in hun hart (omgaat). Zeg: "Spot maar! Maar voorwaar, Allah zal alles aan het licht brengen wat u vreest (dat geopenbaard zou worden)."

يَحْذَرُ ٱلْمُنَٰفِقُونَ أَن تُنَزَّلَ عَلَيْهِمْ سُورَةٌ تُنَبِّئُهُم بِمَا فِى قُلُوبِهِمْ قُلِ ٱسْتَهْزِءُوٓا۟ إِنَّ ٱللَّهَ مُخْرِجٌ مَّا تَحْذَرُونَ

65

Als u hen ondervraagt, verklaren zij (met nadruk): "Wij spraken slechts ijdel en in scherts." Zeg: "Was het met Allah, en Zijn tekenen, en Zijn boodschapper, dat u de spot dreef?"

وَلَئِن سَأَلْتَهُمْ لَيَقُولُنَّ إِنَّمَا كُنَّا نَخُوضُ وَنَلْعَبُ قُلْ أَبِٱللَّهِ وَءَايَٰتِهِۦ وَرَسُولِهِۦ كُنتُمْ تَسْتَهْزِءُونَ

66

Maak geen verontschuldigingen: u hebt het geloof verworpen nadat u het aangenomen had. Als Wij sommigen van u vergeven, zullen Wij anderen onder u straffen, omdat zij in zonde zijn.

لَا تَعْتَذِرُوا۟ قَدْ كَفَرْتُم بَعْدَ إِيمَٰنِكُمْ إِن نَّعْفُ عَن طَآئِفَةٍ مِّنكُمْ نُعَذِّبْ طَآئِفَةًۢ بِأَنَّهُمْ كَانُوا۟ مُجْرِمِينَ

67

De huichelaars, mannen en vrouwen, (hebben een verstandhouding) met elkaar: zij gebieden het kwade, en verbieden wat recht is, en houden hun handen gesloten. Zij hebben Allah vergeten; daarom heeft Hij hen vergeten. Voorwaar, de huichelaars zijn opstandig en verdorven.

ٱلْمُنَٰفِقُونَ وَٱلْمُنَٰفِقَٰتُ بَعْضُهُم مِّنۢ بَعْضٍ يَأْمُرُونَ بِٱلْمُنكَرِ وَيَنْهَوْنَ عَنِ ٱلْمَعْرُوفِ وَيَقْبِضُونَ أَيْدِيَهُمْ نَسُوا۟ ٱللَّهَ فَنَسِيَهُمْ إِنَّ ٱلْمُنَٰفِقِينَ هُمُ ٱلْفَٰسِقُونَ

68

Allah heeft de huichelaars, mannen en vrouwen, en de verwerpers van het geloof, het vuur van de hel beloofd: daarin zullen zij wonen: het is hun genoeg: voor hen is de vloek van Allah, en een blijvende straf,-

وَعَدَ ٱللَّهُ ٱلْمُنَٰفِقِينَ وَٱلْمُنَٰفِقَٰتِ وَٱلْكُفَّارَ نَارَ جَهَنَّمَ خَٰلِدِينَ فِيهَا هِىَ حَسْبُهُمْ وَلَعَنَهُمُ ٱللَّهُ وَلَهُمْ عَذَابٌ مُّقِيمٌ

69

Zoals in het geval van hen die vóór u waren: zij waren machtiger dan u in kracht, en bloeiender in rijkdom en kinderen. Zij hadden hun genot van hun deel: en u hebt het uwe, zoals zij die vóór u waren; en u geeft u over aan ijdel gepraat zoals zij deden. Zij!- hun werken zijn vruchteloos in deze wereld en in het hiernamaals, en zij zullen (alle geestelijke winst) verliezen.

كَٱلَّذِينَ مِن قَبْلِكُمْ كَانُوٓا۟ أَشَدَّ مِنكُمْ قُوَّةً وَأَكْثَرَ أَمْوَٰلًا وَأَوْلَٰدًا فَٱسْتَمْتَعُوا۟ بِخَلَٰقِهِمْ فَٱسْتَمْتَعْتُم بِخَلَٰقِكُمْ كَمَا ٱسْتَمْتَعَ ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِكُم بِخَلَٰقِهِمْ وَخُضْتُمْ كَٱلَّذِى خَاضُوٓا۟ أُو۟لَٰٓئِكَ حَبِطَتْ أَعْمَٰلُهُمْ فِى ٱلدُّنْيَا وَٱلْـَٔاخِرَةِ وَأُو۟لَٰٓئِكَ هُمُ ٱلْخَٰسِرُونَ

70

Heeft het verhaal hen niet bereikt van hen die vóór hen waren?- het volk van Noach, en 'Ad, en Thamoed; het volk van Abraham, de mannen van Midian, en de omgekeerde steden. Tot hen kwamen hun boodschappers met duidelijke tekenen. Het is niet Allah Die hun onrecht doet, maar zij doen hun eigen ziel onrecht.

أَلَمْ يَأْتِهِمْ نَبَأُ ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ قَوْمِ نُوحٍ وَعَادٍ وَثَمُودَ وَقَوْمِ إِبْرَٰهِيمَ وَأَصْحَٰبِ مَدْيَنَ وَٱلْمُؤْتَفِكَٰتِ أَتَتْهُمْ رُسُلُهُم بِٱلْبَيِّنَٰتِ فَمَا كَانَ ٱللَّهُ لِيَظْلِمَهُمْ وَلَٰكِن كَانُوٓا۟ أَنفُسَهُمْ يَظْلِمُونَ

71

De gelovigen, mannen en vrouwen, zijn elkaars beschermers: zij gebieden wat recht is, en verbieden wat kwaad is: zij onderhouden de geregelde gebeden, geven geregeld aalmoezen, en gehoorzamen Allah en Zijn boodschapper. Over hen zal Allah Zijn barmhartigheid uitstorten: want Allah is Verheven in macht, Wijs.

وَٱلْمُؤْمِنُونَ وَٱلْمُؤْمِنَٰتُ بَعْضُهُمْ أَوْلِيَآءُ بَعْضٍ يَأْمُرُونَ بِٱلْمَعْرُوفِ وَيَنْهَوْنَ عَنِ ٱلْمُنكَرِ وَيُقِيمُونَ ٱلصَّلَوٰةَ وَيُؤْتُونَ ٱلزَّكَوٰةَ وَيُطِيعُونَ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥٓ أُو۟لَٰٓئِكَ سَيَرْحَمُهُمُ ٱللَّهُ إِنَّ ٱللَّهَ عَزِيزٌ حَكِيمٌ

72

Allah heeft de gelovigen, mannen en vrouwen, hoven beloofd waar de rivieren onderdoor stromen, om daarin te wonen, en schone woningen in hoven van eeuwigdurende gelukzaligheid. Maar de grootste gelukzaligheid is het welbehagen van Allah: dat is de opperste zaligheid.

وَعَدَ ٱللَّهُ ٱلْمُؤْمِنِينَ وَٱلْمُؤْمِنَٰتِ جَنَّٰتٍ تَجْرِى مِن تَحْتِهَا ٱلْأَنْهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا وَمَسَٰكِنَ طَيِّبَةً فِى جَنَّٰتِ عَدْنٍ وَرِضْوَٰنٌ مِّنَ ٱللَّهِ أَكْبَرُ ذَٰلِكَ هُوَ ٱلْفَوْزُ ٱلْعَظِيمُ

Streng zijn tegen ongelovigen en huichelaars

73

O profeet! Strijd hard tegen de ongelovigen en de huichelaars, en wees streng jegens hen. Hun verblijfplaats is de hel,- waarlijk een boos toevluchtsoord.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِىُّ جَٰهِدِ ٱلْكُفَّارَ وَٱلْمُنَٰفِقِينَ وَٱغْلُظْ عَلَيْهِمْ وَمَأْوَىٰهُمْ جَهَنَّمُ وَبِئْسَ ٱلْمَصِيرُ

74

Zij zweren bij Allah dat zij niets (kwaads) gezegd hebben, maar waarlijk, zij hebben godslastering geuit, en zij deden het nadat zij de islam aangenomen hadden; en zij beraamden een aanslag die zij niet konden volvoeren: deze wraak van hen was (hun) enige vergelding voor de overvloed waarmee Allah en Zijn boodschapper hen verrijkt hadden! Als zij zich bekeren, zal het het beste voor hen zijn; maar als zij zich (tot hun boze wegen) terugwenden, zal Allah hen straffen met een smartelijke straf in dit leven en in het hiernamaals: zij zullen niemand op aarde hebben om hen te beschermen of te helpen.

يَحْلِفُونَ بِٱللَّهِ مَا قَالُوا۟ وَلَقَدْ قَالُوا۟ كَلِمَةَ ٱلْكُفْرِ وَكَفَرُوا۟ بَعْدَ إِسْلَٰمِهِمْ وَهَمُّوا۟ بِمَا لَمْ يَنَالُوا۟ وَمَا نَقَمُوٓا۟ إِلَّآ أَنْ أَغْنَىٰهُمُ ٱللَّهُ وَرَسُولُهُۥ مِن فَضْلِهِۦ فَإِن يَتُوبُوا۟ يَكُ خَيْرًا لَّهُمْ وَإِن يَتَوَلَّوْا۟ يُعَذِّبْهُمُ ٱللَّهُ عَذَابًا أَلِيمًا فِى ٱلدُّنْيَا وَٱلْـَٔاخِرَةِ وَمَا لَهُمْ فِى ٱلْأَرْضِ مِن وَلِىٍّ وَلَا نَصِيرٍ

75

Onder hen zijn mannen die een verbond met Allah sloten, dat, als Hij hun van Zijn overvloed schonk, zij (rijkelijk) aalmoezen zouden geven, en waarlijk tot de rechtvaardigen zouden behoren.

وَمِنْهُم مَّنْ عَٰهَدَ ٱللَّهَ لَئِنْ ءَاتَىٰنَا مِن فَضْلِهِۦ لَنَصَّدَّقَنَّ وَلَنَكُونَنَّ مِنَ ٱلصَّٰلِحِينَ

76

Maar toen Hij van Zijn overvloed schonk, werden zij hebzuchtig, en keerden zich af (van hun verbond), afkerig (van de vervulling ervan).

فَلَمَّآ ءَاتَىٰهُم مِّن فَضْلِهِۦ بَخِلُوا۟ بِهِۦ وَتَوَلَّوا۟ وَّهُم مُّعْرِضُونَ

77

Daarom heeft Hij als gevolg daarvan huichelarij in hun hart gelegd, (die duren zal) tot de dag waarop zij Hem zullen ontmoeten: omdat zij hun verbond met Allah verbraken, en omdat zij (telkens weer) logen.

فَأَعْقَبَهُمْ نِفَاقًا فِى قُلُوبِهِمْ إِلَىٰ يَوْمِ يَلْقَوْنَهُۥ بِمَآ أَخْلَفُوا۟ ٱللَّهَ مَا وَعَدُوهُ وَبِمَا كَانُوا۟ يَكْذِبُونَ

78

Weten zij niet dat Allah hun geheime (gedachten) en hun geheime beraadslagingen kent, en dat Allah alle onzienlijke dingen wel kent?

أَلَمْ يَعْلَمُوٓا۟ أَنَّ ٱللَّهَ يَعْلَمُ سِرَّهُمْ وَنَجْوَىٰهُمْ وَأَنَّ ٱللَّهَ عَلَّٰمُ ٱلْغُيُوبِ

79

Zij die zulke gelovigen belasteren die zich vrijwillig geven aan (daden van) liefdadigheid, alsook hen die niets te geven kunnen vinden dan de vruchten van hun arbeid,- en hen bespotten,- Allah zal hun spot op hen doen terugkeren: en zij zullen een smartelijke straf hebben.

ٱلَّذِينَ يَلْمِزُونَ ٱلْمُطَّوِّعِينَ مِنَ ٱلْمُؤْمِنِينَ فِى ٱلصَّدَقَٰتِ وَٱلَّذِينَ لَا يَجِدُونَ إِلَّا جُهْدَهُمْ فَيَسْخَرُونَ مِنْهُمْ سَخِرَ ٱللَّهُ مِنْهُمْ وَلَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ

80

Of u nu vergeving voor hen vraagt of niet, (hun zonde is onvergeeflijk): al vraagt u zeventigmaal vergeving voor hen, Allah zal hun niet vergeven: omdat zij Allah en Zijn boodschapper verworpen hebben: en Allah leidt niet hen die verdorven opstandig zijn.

ٱسْتَغْفِرْ لَهُمْ أَوْ لَا تَسْتَغْفِرْ لَهُمْ إِن تَسْتَغْفِرْ لَهُمْ سَبْعِينَ مَرَّةً فَلَن يَغْفِرَ ٱللَّهُ لَهُمْ ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمْ كَفَرُوا۟ بِٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦ وَٱللَّهُ لَا يَهْدِى ٱلْقَوْمَ ٱلْفَٰسِقِينَ

Zij die thuisbleven tijdens de veldtocht

81

Zij die achtergelaten werden (bij de veldtocht naar Tabuk) verheugden zich in hun nietsdoen achter de rug van de boodschapper van Allah: zij haatten het te strijden en te vechten, met hun goederen en hun persoon, voor de zaak van Allah: zij zeiden: "Trek niet uit in de hitte." Zeg: "Het vuur van de hel is feller in hitte." Als zij het slechts konden verstaan!

فَرِحَ ٱلْمُخَلَّفُونَ بِمَقْعَدِهِمْ خِلَٰفَ رَسُولِ ٱللَّهِ وَكَرِهُوٓا۟ أَن يُجَٰهِدُوا۟ بِأَمْوَٰلِهِمْ وَأَنفُسِهِمْ فِى سَبِيلِ ٱللَّهِ وَقَالُوا۟ لَا تَنفِرُوا۟ فِى ٱلْحَرِّ قُلْ نَارُ جَهَنَّمَ أَشَدُّ حَرًّا لَّوْ كَانُوا۟ يَفْقَهُونَ

82

Laat hen weinig lachen: veel zullen zij wenen: een vergelding voor het (kwaad) dat zij doen.

فَلْيَضْحَكُوا۟ قَلِيلًا وَلْيَبْكُوا۟ كَثِيرًا جَزَآءًۢ بِمَا كَانُوا۟ يَكْسِبُونَ

83

Als Allah u dan terugbrengt tot enigen van hen, en zij u toestemming vragen om (met u) uit te trekken, zeg dan: "Nooit zult u met mij uittrekken, noch met mij een vijand bestrijden: want u gaf er de voorkeur aan werkeloos neer te zitten bij de eerste gelegenheid: zit dan (nu) neer bij hen die achterblijven."

فَإِن رَّجَعَكَ ٱللَّهُ إِلَىٰ طَآئِفَةٍ مِّنْهُمْ فَٱسْتَـْٔذَنُوكَ لِلْخُرُوجِ فَقُل لَّن تَخْرُجُوا۟ مَعِىَ أَبَدًا وَلَن تُقَٰتِلُوا۟ مَعِىَ عَدُوًّا إِنَّكُمْ رَضِيتُم بِٱلْقُعُودِ أَوَّلَ مَرَّةٍ فَٱقْعُدُوا۟ مَعَ ٱلْخَٰلِفِينَ

84

En bid nooit voor iemand van hen die sterft, noch sta bij zijn graf; want zij verwierpen Allah en Zijn boodschapper, en stierven in een staat van verdorven opstand.

وَلَا تُصَلِّ عَلَىٰٓ أَحَدٍ مِّنْهُم مَّاتَ أَبَدًا وَلَا تَقُمْ عَلَىٰ قَبْرِهِۦٓ إِنَّهُمْ كَفَرُوا۟ بِٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦ وَمَاتُوا۟ وَهُمْ فَٰسِقُونَ

85

En laat hun rijkdom noch hun (aanwas aan) zonen u verblinden: Allahs plan is hen met deze dingen te straffen in deze wereld, en dat hun ziel moge omkomen in hun (eigen) verloochening van Allah.

وَلَا تُعْجِبْكَ أَمْوَٰلُهُمْ وَأَوْلَٰدُهُمْ إِنَّمَا يُرِيدُ ٱللَّهُ أَن يُعَذِّبَهُم بِهَا فِى ٱلدُّنْيَا وَتَزْهَقَ أَنفُسُهُمْ وَهُمْ كَٰفِرُونَ

86

Wanneer een soera neerkomt, die hun gebiedt in Allah te geloven en te strijden en te vechten samen met Zijn boodschapper, vragen zij die rijkdom en invloed onder hen hebben u om vrijstelling, en zeggen: "Laat ons (achter): wij zouden bij hen willen zijn die (thuis) blijven zitten."

وَإِذَآ أُنزِلَتْ سُورَةٌ أَنْ ءَامِنُوا۟ بِٱللَّهِ وَجَٰهِدُوا۟ مَعَ رَسُولِهِ ٱسْتَـْٔذَنَكَ أُو۟لُوا۟ ٱلطَّوْلِ مِنْهُمْ وَقَالُوا۟ ذَرْنَا نَكُن مَّعَ ٱلْقَٰعِدِينَ

87

Zij geven er de voorkeur aan bij (de vrouwen) te zijn, die (thuis) achterblijven: hun hart is verzegeld en daarom verstaan zij niet.

رَضُوا۟ بِأَن يَكُونُوا۟ مَعَ ٱلْخَوَالِفِ وَطُبِعَ عَلَىٰ قُلُوبِهِمْ فَهُمْ لَا يَفْقَهُونَ

88

Maar de boodschapper, en zij die met hem geloven, strijden en vechten met hun rijkdom en hun persoon: voor hen zijn (alle) goede dingen: en zij zijn het die voorspoedig zullen zijn.

لَٰكِنِ ٱلرَّسُولُ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ مَعَهُۥ جَٰهَدُوا۟ بِأَمْوَٰلِهِمْ وَأَنفُسِهِمْ وَأُو۟لَٰٓئِكَ لَهُمُ ٱلْخَيْرَٰتُ وَأُو۟لَٰٓئِكَ هُمُ ٱلْمُفْلِحُونَ

89

Allah heeft voor hen hoven bereid waar de rivieren onderdoor stromen, om daarin te wonen: dat is de opperste zaligheid.

أَعَدَّ ٱللَّهُ لَهُمْ جَنَّٰتٍ تَجْرِى مِن تَحْتِهَا ٱلْأَنْهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا ذَٰلِكَ ٱلْفَوْزُ ٱلْعَظِيمُ

90

En er waren onder de woestijnarabieren (ook) mannen die verontschuldigingen maakten en kwamen om vrijstelling te vragen; en zij die ontrouw waren aan Allah en Zijn boodschapper, zaten (slechts) werkeloos neer. Spoedig zal een smartelijke straf de ongelovigen onder hen grijpen.

وَجَآءَ ٱلْمُعَذِّرُونَ مِنَ ٱلْأَعْرَابِ لِيُؤْذَنَ لَهُمْ وَقَعَدَ ٱلَّذِينَ كَذَبُوا۟ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ سَيُصِيبُ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِنْهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ

91

Er is geen blaam op hen die zwak zijn, of ziek, of die geen middelen vinden om te besteden (voor de zaak), als zij oprecht (in plicht) zijn jegens Allah en Zijn boodschapper: geen grond (van klacht) kan er zijn tegen hen die goed doen: en Allah is de Veelvergevende, de Meest Barmhartige.

لَّيْسَ عَلَى ٱلضُّعَفَآءِ وَلَا عَلَى ٱلْمَرْضَىٰ وَلَا عَلَى ٱلَّذِينَ لَا يَجِدُونَ مَا يُنفِقُونَ حَرَجٌ إِذَا نَصَحُوا۟ لِلَّهِ وَرَسُولِهِۦ مَا عَلَى ٱلْمُحْسِنِينَ مِن سَبِيلٍ وَٱللَّهُ غَفُورٌ رَّحِيمٌ

92

Noch (is er blaam) op hen die tot u kwamen om van rijdieren voorzien te worden, en die, toen u zei: "Ik kan geen rijdieren voor u vinden," terugkeerden, terwijl hun ogen overstroomden van tranen van droefheid, omdat zij geen middelen hadden waarmee zij in de kosten konden voorzien.

وَلَا عَلَى ٱلَّذِينَ إِذَا مَآ أَتَوْكَ لِتَحْمِلَهُمْ قُلْتَ لَآ أَجِدُ مَآ أَحْمِلُكُمْ عَلَيْهِ تَوَلَّوا۟ وَّأَعْيُنُهُمْ تَفِيضُ مِنَ ٱلدَّمْعِ حَزَنًا أَلَّا يَجِدُوا۟ مَا يُنفِقُونَ

93

De grond (van klacht) is tegen hen die vrijstelling vragen terwijl zij rijk zijn. Zij geven er de voorkeur aan te blijven bij de (vrouwen) die achterblijven: Allah heeft hun hart verzegeld; daarom weten zij niet (wat zij missen).

إِنَّمَا ٱلسَّبِيلُ عَلَى ٱلَّذِينَ يَسْتَـْٔذِنُونَكَ وَهُمْ أَغْنِيَآءُ رَضُوا۟ بِأَن يَكُونُوا۟ مَعَ ٱلْخَوَالِفِ وَطَبَعَ ٱللَّهُ عَلَىٰ قُلُوبِهِمْ فَهُمْ لَا يَعْلَمُونَ

94

Zij zullen u hun verontschuldigingen aanbieden wanneer u tot hen terugkeert. Zeg: "Bied geen verontschuldigingen aan: wij zullen u niet geloven: Allah heeft ons reeds ingelicht over de ware toestand van uw zaken: het zijn uw daden die Allah en Zijn boodschapper zullen gadeslaan: ten slotte zult u teruggebracht worden tot Hem Die weet wat verborgen en wat openbaar is: dan zal Hij u de waarheid tonen van alles wat u deed."

يَعْتَذِرُونَ إِلَيْكُمْ إِذَا رَجَعْتُمْ إِلَيْهِمْ قُل لَّا تَعْتَذِرُوا۟ لَن نُّؤْمِنَ لَكُمْ قَدْ نَبَّأَنَا ٱللَّهُ مِنْ أَخْبَارِكُمْ وَسَيَرَى ٱللَّهُ عَمَلَكُمْ وَرَسُولُهُۥ ثُمَّ تُرَدُّونَ إِلَىٰ عَٰلِمِ ٱلْغَيْبِ وَٱلشَّهَٰدَةِ فَيُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ

95

Zij zullen u bij Allah zweren, wanneer u tot hen terugkeert, opdat u hen met rust zou laten. Laat hen dan met rust: want zij zijn een gruwel, en de hel is hun woonplaats,- een passende vergelding voor het (kwaad) dat zij deden.

سَيَحْلِفُونَ بِٱللَّهِ لَكُمْ إِذَا ٱنقَلَبْتُمْ إِلَيْهِمْ لِتُعْرِضُوا۟ عَنْهُمْ فَأَعْرِضُوا۟ عَنْهُمْ إِنَّهُمْ رِجْسٌ وَمَأْوَىٰهُمْ جَهَنَّمُ جَزَآءًۢ بِمَا كَانُوا۟ يَكْسِبُونَ

96

Zij zullen u zweren, opdat u welgevallen aan hen zou hebben; maar al hebt u welgevallen aan hen, Allah heeft geen welgevallen aan hen die ongehoorzaam zijn.

يَحْلِفُونَ لَكُمْ لِتَرْضَوْا۟ عَنْهُمْ فَإِن تَرْضَوْا۟ عَنْهُمْ فَإِنَّ ٱللَّهَ لَا يَرْضَىٰ عَنِ ٱلْقَوْمِ ٱلْفَٰسِقِينَ

De woestijnarabieren: gelovigen en huichelaars

97

De Arabieren van de woestijn zijn de ergsten in ongeloof en huichelarij, en het meest geneigd onwetend te zijn van het gebod dat Allah tot Zijn boodschapper heeft neergezonden: maar Allah is Alwetend, Alwijs.

ٱلْأَعْرَابُ أَشَدُّ كُفْرًا وَنِفَاقًا وَأَجْدَرُ أَلَّا يَعْلَمُوا۟ حُدُودَ مَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ عَلَىٰ رَسُولِهِۦ وَٱللَّهُ عَلِيمٌ حَكِيمٌ

98

Sommigen van de woestijnarabieren beschouwen hun betalingen als een boete, en wachten op rampen voor u: op hen zij de ramp van het kwaad: want Allah is Hij Die (alle dingen) hoort en weet.

وَمِنَ ٱلْأَعْرَابِ مَن يَتَّخِذُ مَا يُنفِقُ مَغْرَمًا وَيَتَرَبَّصُ بِكُمُ ٱلدَّوَآئِرَ عَلَيْهِمْ دَآئِرَةُ ٱلسَّوْءِ وَٱللَّهُ سَمِيعٌ عَلِيمٌ

99

Maar sommigen van de woestijnarabieren geloven in Allah en de laatste dag, en beschouwen hun betalingen als vrome gaven die hen nader tot Allah brengen en hun de gebeden van de boodschapper verwerven. Ja, waarlijk, zij brengen hen nader (tot Hem): spoedig zal Allah hen toelaten tot Zijn barmhartigheid: want Allah is de Veelvergevende, de Meest Barmhartige.

وَمِنَ ٱلْأَعْرَابِ مَن يُؤْمِنُ بِٱللَّهِ وَٱلْيَوْمِ ٱلْـَٔاخِرِ وَيَتَّخِذُ مَا يُنفِقُ قُرُبَٰتٍ عِندَ ٱللَّهِ وَصَلَوَٰتِ ٱلرَّسُولِ أَلَآ إِنَّهَا قُرْبَةٌ لَّهُمْ سَيُدْخِلُهُمُ ٱللَّهُ فِى رَحْمَتِهِۦٓ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٌ رَّحِيمٌ

100

De voorhoede (van de islam)- de eersten van hen die (hun huizen) verlieten en van hen die hun hulp gaven, en (ook) zij die hen volgen in (alle) goede daden,- Allah heeft welbehagen in hen, zoals zij in Hem: voor hen heeft Hij hoven bereid waar de rivieren onderdoor stromen, om daarin voor eeuwig te wonen: dat is de opperste zaligheid.

وَٱلسَّٰبِقُونَ ٱلْأَوَّلُونَ مِنَ ٱلْمُهَٰجِرِينَ وَٱلْأَنصَارِ وَٱلَّذِينَ ٱتَّبَعُوهُم بِإِحْسَٰنٍ رَّضِىَ ٱللَّهُ عَنْهُمْ وَرَضُوا۟ عَنْهُ وَأَعَدَّ لَهُمْ جَنَّٰتٍ تَجْرِى تَحْتَهَا ٱلْأَنْهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَآ أَبَدًا ذَٰلِكَ ٱلْفَوْزُ ٱلْعَظِيمُ

101

Sommigen van de woestijnarabieren rondom u zijn huichelaars, evenals (woestijnarabieren) onder het volk van Medina: zij zijn halsstarrig in huichelarij: u kent hen niet: Wij kennen hen: tweemaal zullen Wij hen straffen: en bovendien zullen zij overgeleverd worden aan een smartelijke straf.

وَمِمَّنْ حَوْلَكُم مِّنَ ٱلْأَعْرَابِ مُنَٰفِقُونَ وَمِنْ أَهْلِ ٱلْمَدِينَةِ مَرَدُوا۟ عَلَى ٱلنِّفَاقِ لَا تَعْلَمُهُمْ نَحْنُ نَعْلَمُهُمْ سَنُعَذِّبُهُم مَّرَّتَيْنِ ثُمَّ يُرَدُّونَ إِلَىٰ عَذَابٍ عَظِيمٍ

102

Anderen (zijn er die) hun misdaden erkend hebben: zij hebben een daad die goed was vermengd met een andere die kwaad was. Wellicht zal Allah Zich (in barmhartigheid) tot hen wenden: want Allah is de Veelvergevende, de Meest Barmhartige.

وَءَاخَرُونَ ٱعْتَرَفُوا۟ بِذُنُوبِهِمْ خَلَطُوا۟ عَمَلًا صَٰلِحًا وَءَاخَرَ سَيِّئًا عَسَى ٱللَّهُ أَن يَتُوبَ عَلَيْهِمْ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٌ رَّحِيمٌ

103

Neem van hun goederen aalmoezen, opdat u hen daardoor zou reinigen en heiligen; en bid voor hen. Voorwaar, uw gebeden zijn een bron van zekerheid voor hen: en Allah is Degene Die hoort en weet.

خُذْ مِنْ أَمْوَٰلِهِمْ صَدَقَةً تُطَهِّرُهُمْ وَتُزَكِّيهِم بِهَا وَصَلِّ عَلَيْهِمْ إِنَّ صَلَوٰتَكَ سَكَنٌ لَّهُمْ وَٱللَّهُ سَمِيعٌ عَلِيمٌ

104

Weten zij niet dat Allah het berouw van Zijn dienaren aanneemt en hun gaven van liefdadigheid ontvangt, en dat Allah waarlijk Hij is, de Berouwaanvaardende, de Meest Barmhartige?

أَلَمْ يَعْلَمُوٓا۟ أَنَّ ٱللَّهَ هُوَ يَقْبَلُ ٱلتَّوْبَةَ عَنْ عِبَادِهِۦ وَيَأْخُذُ ٱلصَّدَقَٰتِ وَأَنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلتَّوَّابُ ٱلرَّحِيمُ

105

En zeg: "Werk (gerechtigheid): spoedig zal Allah uw werk gadeslaan, en Zijn boodschapper, en de gelovigen: spoedig zult u teruggebracht worden tot de Kenner van wat verborgen en wat openbaar is: dan zal Hij u de waarheid tonen van alles wat u deed."

وَقُلِ ٱعْمَلُوا۟ فَسَيَرَى ٱللَّهُ عَمَلَكُمْ وَرَسُولُهُۥ وَٱلْمُؤْمِنُونَ وَسَتُرَدُّونَ إِلَىٰ عَٰلِمِ ٱلْغَيْبِ وَٱلشَّهَٰدَةِ فَيُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ

106

Er zijn (nog) anderen, in afwachting gehouden van het gebod van Allah, of Hij hen zal straffen, of Zich in barmhartigheid tot hen zal wenden: en Allah is Alwetend, Wijs.

وَءَاخَرُونَ مُرْجَوْنَ لِأَمْرِ ٱللَّهِ إِمَّا يُعَذِّبُهُمْ وَإِمَّا يَتُوبُ عَلَيْهِمْ وَٱللَّهُ عَلِيمٌ حَكِيمٌ

De moskee van tweedracht

107

En er zijn er die een moskee opgericht hebben bij wijze van onheil en ongeloof - om de gelovigen te verdelen - en als voorbereiding voor iemand die tevoren tegen Allah en Zijn boodschapper gestreden heeft. Zij zullen waarlijk zweren dat hun bedoeling niets dan goed is; maar Allah verklaart dat zij zeker leugenaars zijn.

وَٱلَّذِينَ ٱتَّخَذُوا۟ مَسْجِدًا ضِرَارًا وَكُفْرًا وَتَفْرِيقًۢا بَيْنَ ٱلْمُؤْمِنِينَ وَإِرْصَادًا لِّمَنْ حَارَبَ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ مِن قَبْلُ وَلَيَحْلِفُنَّ إِنْ أَرَدْنَآ إِلَّا ٱلْحُسْنَىٰ وَٱللَّهُ يَشْهَدُ إِنَّهُمْ لَكَٰذِبُونَ

108

Sta daarin nimmer (ten gebede). Er is een moskee waarvan het fundament van de eerste dag af op vroomheid gelegd is; die is het waardiger dat men daarin staat (ten gebede). Daarin zijn mannen die het liefhebben gereinigd te worden; en Allah heeft hen lief die zich rein maken.

لَا تَقُمْ فِيهِ أَبَدًا لَّمَسْجِدٌ أُسِّسَ عَلَى ٱلتَّقْوَىٰ مِنْ أَوَّلِ يَوْمٍ أَحَقُّ أَن تَقُومَ فِيهِ فِيهِ رِجَالٌ يُحِبُّونَ أَن يَتَطَهَّرُوا۟ وَٱللَّهُ يُحِبُّ ٱلْمُطَّهِّرِينَ

109

Wie is dan de beste? - hij die zijn fundament legt op vroomheid jegens Allah en Zijn welbehagen? - of hij die zijn fundament legt op een ondergraven zandwand, gereed om in stukken te storten? En hij stort met hem in stukken, in het vuur van de hel. En Allah leidt geen volk dat onrecht doet.

أَفَمَنْ أَسَّسَ بُنْيَٰنَهُۥ عَلَىٰ تَقْوَىٰ مِنَ ٱللَّهِ وَرِضْوَٰنٍ خَيْرٌ أَم مَّنْ أَسَّسَ بُنْيَٰنَهُۥ عَلَىٰ شَفَا جُرُفٍ هَارٍ فَٱنْهَارَ بِهِۦ فِى نَارِ جَهَنَّمَ وَٱللَّهُ لَا يَهْدِى ٱلْقَوْمَ ٱلظَّٰلِمِينَ

110

Het fundament van hen die zo bouwen is nooit vrij van argwaan en wankeling in hun hart, totdat hun hart in stukken gesneden is. En Allah is Alwetend, Wijs.

لَا يَزَالُ بُنْيَٰنُهُمُ ٱلَّذِى بَنَوْا۟ رِيبَةً فِى قُلُوبِهِمْ إِلَّآ أَن تَقَطَّعَ قُلُوبُهُمْ وَٱللَّهُ عَلِيمٌ حَكِيمٌ

Allah koopt het leven van de gelovigen; berouw en vergeving

111

Allah heeft van de gelovigen hun persoon en hun goederen gekocht; want voor hen is (in ruil) de hof (van het paradijs): zij strijden voor Zijn zaak, en doden en worden gedood: een belofte die Hem in waarheid bindt, in de Thora, het Evangelie en de Koran: en wie is getrouwer aan zijn verbond dan Allah? Verheug u dan in de koop die u gesloten hebt: dat is de opperste zegepraal.

إِنَّ ٱللَّهَ ٱشْتَرَىٰ مِنَ ٱلْمُؤْمِنِينَ أَنفُسَهُمْ وَأَمْوَٰلَهُم بِأَنَّ لَهُمُ ٱلْجَنَّةَ يُقَٰتِلُونَ فِى سَبِيلِ ٱللَّهِ فَيَقْتُلُونَ وَيُقْتَلُونَ وَعْدًا عَلَيْهِ حَقًّا فِى ٱلتَّوْرَىٰةِ وَٱلْإِنجِيلِ وَٱلْقُرْءَانِ وَمَنْ أَوْفَىٰ بِعَهْدِهِۦ مِنَ ٱللَّهِ فَٱسْتَبْشِرُوا۟ بِبَيْعِكُمُ ٱلَّذِى بَايَعْتُم بِهِۦ وَذَٰلِكَ هُوَ ٱلْفَوْزُ ٱلْعَظِيمُ

112

Zij die zich (tot Allah) wenden in berouw; die Hem dienen en Hem prijzen; die rondtrekken in toewijding aan de zaak van Allah: die zich buigen en zich neerwerpen in het gebed; die het goede gebieden en het kwade verbieden; en de grens in acht nemen die door Allah gesteld is;- (dezen verheugen zich). Verkondig dan de blijde tijding aan de gelovigen.

ٱلتَّٰٓئِبُونَ ٱلْعَٰبِدُونَ ٱلْحَٰمِدُونَ ٱلسَّٰٓئِحُونَ ٱلرَّٰكِعُونَ ٱلسَّٰجِدُونَ ٱلْـَٔامِرُونَ بِٱلْمَعْرُوفِ وَٱلنَّاهُونَ عَنِ ٱلْمُنكَرِ وَٱلْحَٰفِظُونَ لِحُدُودِ ٱللَّهِ وَبَشِّرِ ٱلْمُؤْمِنِينَ

113

Het past de profeet en hen die geloven niet, dat zij om vergeving bidden voor heidenen, ook al zijn zij verwanten, nadat het hun duidelijk geworden is dat zij bewoners van het Vuur zijn.

مَا كَانَ لِلنَّبِىِّ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ أَن يَسْتَغْفِرُوا۟ لِلْمُشْرِكِينَ وَلَوْ كَانُوٓا۟ أُو۟لِى قُرْبَىٰ مِنۢ بَعْدِ مَا تَبَيَّنَ لَهُمْ أَنَّهُمْ أَصْحَٰبُ ٱلْجَحِيمِ

114

En Abraham bad slechts om vergeving voor zijn vader vanwege een belofte die hij hem gedaan had. Maar toen het hem duidelijk werd dat hij een vijand van Allah was, onttrok hij zich aan hem: want Abraham was zeer teerhartig, verdraagzaam.

وَمَا كَانَ ٱسْتِغْفَارُ إِبْرَٰهِيمَ لِأَبِيهِ إِلَّا عَن مَّوْعِدَةٍ وَعَدَهَآ إِيَّاهُ فَلَمَّا تَبَيَّنَ لَهُۥٓ أَنَّهُۥ عَدُوٌّ لِّلَّهِ تَبَرَّأَ مِنْهُ إِنَّ إِبْرَٰهِيمَ لَأَوَّٰهٌ حَلِيمٌ

115

En Allah zal een volk niet doen dwalen nadat Hij hen geleid heeft, opdat Hij hun duidelijk moge maken wat te vrezen (en te vermijden) is- want Allah heeft kennis van alle dingen.

وَمَا كَانَ ٱللَّهُ لِيُضِلَّ قَوْمًۢا بَعْدَ إِذْ هَدَىٰهُمْ حَتَّىٰ يُبَيِّنَ لَهُم مَّا يَتَّقُونَ إِنَّ ٱللَّهَ بِكُلِّ شَىْءٍ عَلِيمٌ

116

Aan Allah behoort de heerschappij van de hemelen en de aarde. Hij geeft het leven en Hij neemt het. Buiten Hem hebt u geen beschermer noch helper.

إِنَّ ٱللَّهَ لَهُۥ مُلْكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ يُحْىِۦ وَيُمِيتُ وَمَا لَكُم مِّن دُونِ ٱللَّهِ مِن وَلِىٍّ وَلَا نَصِيرٍ

117

Allah wendde Zich met gunst tot de profeet, de Muhadjirs en de Ansar,- die hem volgden in een tijd van benauwdheid, nadat het hart van een deel van hen bijna afgeweken was (van de plicht); maar Hij wendde Zich (ook) tot hen: want Hij is jegens hen Meest Goedertieren, Meest Barmhartig.

لَّقَد تَّابَ ٱللَّهُ عَلَى ٱلنَّبِىِّ وَٱلْمُهَٰجِرِينَ وَٱلْأَنصَارِ ٱلَّذِينَ ٱتَّبَعُوهُ فِى سَاعَةِ ٱلْعُسْرَةِ مِنۢ بَعْدِ مَا كَادَ يَزِيغُ قُلُوبُ فَرِيقٍ مِّنْهُمْ ثُمَّ تَابَ عَلَيْهِمْ إِنَّهُۥ بِهِمْ رَءُوفٌ رَّحِيمٌ

118

(Hij wendde Zich in barmhartigheid ook) tot de drie die achtergelaten waren; (zij voelden zich schuldig) in zulk een mate dat de aarde hun benauwd scheen, ondanks al haar ruimte, en hun (eigen) ziel hun beklemd scheen,- en zij beseften dat er geen vluchten is voor Allah (en geen toevlucht) dan tot Hemzelf. Toen wendde Hij Zich tot hen, opdat zij zich zouden bekeren: want Allah is de Berouwaanvaardende, de Meest Barmhartige.

وَعَلَى ٱلثَّلَٰثَةِ ٱلَّذِينَ خُلِّفُوا۟ حَتَّىٰٓ إِذَا ضَاقَتْ عَلَيْهِمُ ٱلْأَرْضُ بِمَا رَحُبَتْ وَضَاقَتْ عَلَيْهِمْ أَنفُسُهُمْ وَظَنُّوٓا۟ أَن لَّا مَلْجَأَ مِنَ ٱللَّهِ إِلَّآ إِلَيْهِ ثُمَّ تَابَ عَلَيْهِمْ لِيَتُوبُوٓا۟ إِنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلتَّوَّابُ ٱلرَّحِيمُ

Oproep tot waarachtigheid en strijd

119

O u die gelooft! Vrees Allah en wees met hen die waarachtig zijn (in woord en daad).

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ ٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ وَكُونُوا۟ مَعَ ٱلصَّٰدِقِينَ

120

Het paste het volk van Medina en de bedoeïenen-Arabieren uit de omtrek niet, te weigeren de boodschapper van Allah te volgen, noch hun eigen leven boven het zijne te verkiezen: want niets konden zij lijden of doen, of het werd hun toegerekend als een daad van gerechtigheid,- hetzij zij dorst leden, of vermoeidheid, of honger, voor de zaak van Allah, of paden betraden om de toorn van de ongelovigen op te wekken, of enig letsel van een vijand ontvingen: want Allah laat het loon niet verloren gaan van hen die goed doen;-

مَا كَانَ لِأَهْلِ ٱلْمَدِينَةِ وَمَنْ حَوْلَهُم مِّنَ ٱلْأَعْرَابِ أَن يَتَخَلَّفُوا۟ عَن رَّسُولِ ٱللَّهِ وَلَا يَرْغَبُوا۟ بِأَنفُسِهِمْ عَن نَّفْسِهِۦ ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمْ لَا يُصِيبُهُمْ ظَمَأٌ وَلَا نَصَبٌ وَلَا مَخْمَصَةٌ فِى سَبِيلِ ٱللَّهِ وَلَا يَطَـُٔونَ مَوْطِئًا يَغِيظُ ٱلْكُفَّارَ وَلَا يَنَالُونَ مِنْ عَدُوٍّ نَّيْلًا إِلَّا كُتِبَ لَهُم بِهِۦ عَمَلٌ صَٰلِحٌ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يُضِيعُ أَجْرَ ٱلْمُحْسِنِينَ

121

Noch konden zij iets besteden (voor de zaak) - klein of groot- noch een vallei doortrekken, of de daad werd hun toegeschreven: opdat Allah hun daad moge vergelden met het beste (mogelijke loon).

وَلَا يُنفِقُونَ نَفَقَةً صَغِيرَةً وَلَا كَبِيرَةً وَلَا يَقْطَعُونَ وَادِيًا إِلَّا كُتِبَ لَهُمْ لِيَجْزِيَهُمُ ٱللَّهُ أَحْسَنَ مَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ

122

Ook behoren de gelovigen niet allen tezamen uit te trekken: als van elke veldtocht een deel achterbleef, zouden zij zich kunnen wijden aan de studie van de godsdienst, en het volk vermanen wanneer zij tot hen terugkeren,- opdat zij aldus (mogen leren) zich te hoeden (voor het kwaad).

وَمَا كَانَ ٱلْمُؤْمِنُونَ لِيَنفِرُوا۟ كَآفَّةً فَلَوْلَا نَفَرَ مِن كُلِّ فِرْقَةٍ مِّنْهُمْ طَآئِفَةٌ لِّيَتَفَقَّهُوا۟ فِى ٱلدِّينِ وَلِيُنذِرُوا۟ قَوْمَهُمْ إِذَا رَجَعُوٓا۟ إِلَيْهِمْ لَعَلَّهُمْ يَحْذَرُونَ

123

O u die gelooft! Bestrijd de ongelovigen die u omringen, en laat hen vastberadenheid in u vinden: en weet dat Allah met hen is die Hem vrezen.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ قَٰتِلُوا۟ ٱلَّذِينَ يَلُونَكُم مِّنَ ٱلْكُفَّارِ وَلْيَجِدُوا۟ فِيكُمْ غِلْظَةً وَٱعْلَمُوٓا۟ أَنَّ ٱللَّهَ مَعَ ٱلْمُتَّقِينَ

De openbaring beproeft gelovigen en huichelaars

124

Telkens wanneer er een soera neerkomt, zeggen sommigen van hen: "Wie van u heeft daardoor zijn geloof vermeerderd gekregen?" Ja, zij die geloven,- hun geloof wordt vermeerderd en zij verheugen zich.

وَإِذَا مَآ أُنزِلَتْ سُورَةٌ فَمِنْهُم مَّن يَقُولُ أَيُّكُمْ زَادَتْهُ هَٰذِهِۦٓ إِيمَٰنًا فَأَمَّا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ فَزَادَتْهُمْ إِيمَٰنًا وَهُمْ يَسْتَبْشِرُونَ

125

Maar zij in wier hart een ziekte is,- het zal twijfel toevoegen aan hun twijfel, en zij zullen sterven in een staat van ongeloof.

وَأَمَّا ٱلَّذِينَ فِى قُلُوبِهِم مَّرَضٌ فَزَادَتْهُمْ رِجْسًا إِلَىٰ رِجْسِهِمْ وَمَاتُوا۟ وَهُمْ كَٰفِرُونَ

126

Zien zij niet dat zij elk jaar eens of tweemaal beproefd worden? Toch keren zij zich niet in berouw, en zij slaan er geen acht op.

أَوَلَا يَرَوْنَ أَنَّهُمْ يُفْتَنُونَ فِى كُلِّ عَامٍ مَّرَّةً أَوْ مَرَّتَيْنِ ثُمَّ لَا يَتُوبُونَ وَلَا هُمْ يَذَّكَّرُونَ

127

Telkens wanneer er een soera neerkomt, zien zij elkaar aan, (zeggend): "Ziet iemand u?" Dan wenden zij zich af: Allah heeft hun hart afgewend (van het licht); want zij zijn een volk dat niet verstaat.

وَإِذَا مَآ أُنزِلَتْ سُورَةٌ نَّظَرَ بَعْضُهُمْ إِلَىٰ بَعْضٍ هَلْ يَرَىٰكُم مِّنْ أَحَدٍ ثُمَّ ٱنصَرَفُوا۟ صَرَفَ ٱللَّهُ قُلُوبَهُم بِأَنَّهُمْ قَوْمٌ لَّا يَفْقَهُونَ

128

Nu is er tot u een boodschapper gekomen uit uw eigen midden: het smart hem dat u zou omkomen: vurig bezorgd is hij over u: voor de gelovigen is hij zeer goedertieren en barmhartig.

لَقَدْ جَآءَكُمْ رَسُولٌ مِّنْ أَنفُسِكُمْ عَزِيزٌ عَلَيْهِ مَا عَنِتُّمْ حَرِيصٌ عَلَيْكُم بِٱلْمُؤْمِنِينَ رَءُوفٌ رَّحِيمٌ

129

Maar als zij zich afwenden, zeg dan: "Allah is mij genoeg: er is geen god dan Hij: op Hem is mijn vertrouwen,- Hij, de Heer van de verheven troon (van heerlijkheid)!"

فَإِن تَوَلَّوْا۟ فَقُلْ حَسْبِىَ ٱللَّهُ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ عَلَيْهِ تَوَكَّلْتُ وَهُوَ رَبُّ ٱلْعَرْشِ ٱلْعَظِيمِ