Open Koran Weergave
Deze site is in concept en onder zware bewerking. Versie 1 staat gepland voor 1 september 2026.

Soera 17. Al-Isra — De Nachtreis

Deze vertaling is in bewerking en heeft de status van een concept; de tekst wordt nog gecontroleerd en kan wijzigen.

De Nederlandse weergave van soera 17 (Al-Isra, “De Nachtreis”), 111 verzen, naar de Engelse vertaling van Abdullah Yusuf Ali (1934, publiek domein). Lees deze soera interactief met het Arabische origineel, transliteratie, voorleesfunctie en toelichting.

De nachtreis van de profeet

1

Glorie zij (Allah), Die Zijn dienaar bij nacht op reis voerde van de Heilige Moskee naar de verste moskee, waarvan Wij de omgeving gezegend hebben, opdat Wij hem enige van Onze tekenen zouden tonen: want Hij is Degene Die (alle dingen) hoort en ziet.

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ سُبْحَٰنَ ٱلَّذِىٓ أَسْرَىٰ بِعَبْدِهِۦ لَيْلًا مِّنَ ٱلْمَسْجِدِ ٱلْحَرَامِ إِلَى ٱلْمَسْجِدِ ٱلْأَقْصَا ٱلَّذِى بَٰرَكْنَا حَوْلَهُۥ لِنُرِيَهُۥ مِنْ ءَايَٰتِنَآ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلْبَصِيرُ

Twee waarschuwingen aan de kinderen van Israël

2

Wij gaven Mozes het Boek, en maakten het tot een leiding voor de kinderen van Israël, (gebiedende): "Neem niemand anders dan Mij als Beschikker van (uw) zaken."

وَءَاتَيْنَا مُوسَى ٱلْكِتَٰبَ وَجَعَلْنَٰهُ هُدًى لِّبَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ أَلَّا تَتَّخِذُوا۟ مِن دُونِى وَكِيلًا

3

O u die voortgekomen bent uit hen die Wij (in de ark) met Noach droegen! Voorwaar, hij was een zeer dankbare dienaar.

ذُرِّيَّةَ مَنْ حَمَلْنَا مَعَ نُوحٍ إِنَّهُۥ كَانَ عَبْدًا شَكُورًا

4

En Wij gaven de kinderen van Israël in het Boek een (duidelijke) waarschuwing, dat zij tweemaal verderf zouden aanrichten op de aarde en zich met machtige hoogmoed zouden verheffen (en tweemaal zouden zij gestraft worden)!

وَقَضَيْنَآ إِلَىٰ بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ فِى ٱلْكِتَٰبِ لَتُفْسِدُنَّ فِى ٱلْأَرْضِ مَرَّتَيْنِ وَلَتَعْلُنَّ عُلُوًّا كَبِيرًا

5

Toen de eerste van de waarschuwingen in vervulling ging, zonden Wij tegen u Onze dienaren, geoefend in verschrikkelijke oorlogvoering: zij drongen door tot in de binnenste delen van uw huizen; en het was een waarschuwing die (volkomen) vervuld werd.

فَإِذَا جَآءَ وَعْدُ أُولَىٰهُمَا بَعَثْنَا عَلَيْكُمْ عِبَادًا لَّنَآ أُو۟لِى بَأْسٍ شَدِيدٍ فَجَاسُوا۟ خِلَٰلَ ٱلدِّيَارِ وَكَانَ وَعْدًا مَّفْعُولًا

6

Daarna schonken Wij u de terugkeer, tegen hen: Wij gaven u vermeerdering van middelen en zonen, en maakten u talrijker in mankracht.

ثُمَّ رَدَدْنَا لَكُمُ ٱلْكَرَّةَ عَلَيْهِمْ وَأَمْدَدْنَٰكُم بِأَمْوَٰلٍ وَبَنِينَ وَجَعَلْنَٰكُمْ أَكْثَرَ نَفِيرًا

7

Indien u goeddeed, deed u goed voor uzelf; indien u kwaad deed, (deed u het) tegen uzelf. Toen dan de tweede van de waarschuwingen in vervulling ging, (stonden Wij uw vijanden toe) uw gezichten te misvormen, en uw tempel binnen te gaan zoals zij die tevoren waren binnengegaan, en alles wat in hun macht viel met verwoesting te treffen.

إِنْ أَحْسَنتُمْ أَحْسَنتُمْ لِأَنفُسِكُمْ وَإِنْ أَسَأْتُمْ فَلَهَا فَإِذَا جَآءَ وَعْدُ ٱلْـَٔاخِرَةِ لِيَسُـۥٓـُٔوا۟ وُجُوهَكُمْ وَلِيَدْخُلُوا۟ ٱلْمَسْجِدَ كَمَا دَخَلُوهُ أَوَّلَ مَرَّةٍ وَلِيُتَبِّرُوا۟ مَا عَلَوْا۟ تَتْبِيرًا

8

Het kan zijn dat uw Heer u (nog) barmhartigheid zal betonen; maar indien u terugkeert (tot uw zonden), zullen Wij terugkeren (tot Onze straffen): en Wij hebben de hel tot een gevangenis gemaakt voor hen die (alle geloof) verwerpen.

عَسَىٰ رَبُّكُمْ أَن يَرْحَمَكُمْ وَإِنْ عُدتُّمْ عُدْنَا وَجَعَلْنَا جَهَنَّمَ لِلْكَٰفِرِينَ حَصِيرًا

De Koran, het oordeel en ieders eigen last

9

Voorwaar, deze Koran leidt tot hetgeen het meest recht (of bestendig) is, en verkondigt de blijde tijding aan de gelovigen die goede daden verrichten, dat zij een luisterrijke beloning zullen hebben;

إِنَّ هَٰذَا ٱلْقُرْءَانَ يَهْدِى لِلَّتِى هِىَ أَقْوَمُ وَيُبَشِّرُ ٱلْمُؤْمِنِينَ ٱلَّذِينَ يَعْمَلُونَ ٱلصَّٰلِحَٰتِ أَنَّ لَهُمْ أَجْرًا كَبِيرًا

10

En aan hen die niet in het hiernamaals geloven, (verkondigt hij) dat Wij voor hen een (waarlijk) smartelijke straf bereid hebben.

وَأَنَّ ٱلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِٱلْـَٔاخِرَةِ أَعْتَدْنَا لَهُمْ عَذَابًا أَلِيمًا

11

Het gebed dat de mens voor het goede zou moeten doen, doet hij voor het kwade; want de mens is geneigd tot overhaaste (daden).

وَيَدْعُ ٱلْإِنسَٰنُ بِٱلشَّرِّ دُعَآءَهُۥ بِٱلْخَيْرِ وَكَانَ ٱلْإِنسَٰنُ عَجُولًا

12

Wij hebben de nacht en de dag gemaakt als twee (van Onze) tekenen: het teken van de nacht hebben Wij verduisterd, terwijl Wij het teken van de dag gemaakt hebben om u te verlichten; opdat u overvloed zou zoeken van uw Heer, en opdat u het getal en de telling van de jaren zou kennen: alle dingen hebben Wij in bijzonderheden uiteengezet.

وَجَعَلْنَا ٱلَّيْلَ وَٱلنَّهَارَ ءَايَتَيْنِ فَمَحَوْنَآ ءَايَةَ ٱلَّيْلِ وَجَعَلْنَآ ءَايَةَ ٱلنَّهَارِ مُبْصِرَةً لِّتَبْتَغُوا۟ فَضْلًا مِّن رَّبِّكُمْ وَلِتَعْلَمُوا۟ عَدَدَ ٱلسِّنِينَ وَٱلْحِسَابَ وَكُلَّ شَىْءٍ فَصَّلْنَٰهُ تَفْصِيلًا

13

Het lot van ieder mens hebben Wij aan zijn eigen hals gehecht: op de dag van het oordeel zullen Wij voor hem een boekrol tevoorschijn brengen, die hij opengespreid zal zien.

وَكُلَّ إِنسَٰنٍ أَلْزَمْنَٰهُ طَٰٓئِرَهُۥ فِى عُنُقِهِۦ وَنُخْرِجُ لَهُۥ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ كِتَٰبًا يَلْقَىٰهُ مَنشُورًا

14

(Er zal tot hem gezegd worden:) "Lees uw (eigen) verslag: uw ziel is deze dag voldoende om rekenschap tegen u op te maken."

ٱقْرَأْ كِتَٰبَكَ كَفَىٰ بِنَفْسِكَ ٱلْيَوْمَ عَلَيْكَ حَسِيبًا

15

Wie leiding ontvangt, ontvangt die tot zijn eigen voordeel: wie afdwaalt, doet dat tot zijn eigen verlies: geen lastdrager kan de last van een ander dragen: en Wij zouden niet met Onze toorn bezoeken voordat Wij een boodschapper gezonden hadden (om te waarschuwen).

مَّنِ ٱهْتَدَىٰ فَإِنَّمَا يَهْتَدِى لِنَفْسِهِۦ وَمَن ضَلَّ فَإِنَّمَا يَضِلُّ عَلَيْهَا وَلَا تَزِرُ وَازِرَةٌ وِزْرَ أُخْرَىٰ وَمَا كُنَّا مُعَذِّبِينَ حَتَّىٰ نَبْعَثَ رَسُولًا

16

Wanneer Wij besluiten een volk te verdelgen, zenden Wij (eerst) een uitdrukkelijk bevel tot hen onder hen aan wie de goede dingen van dit leven gegeven zijn en die toch overtreden; zodat het woord tegen hen bewaarheid wordt: dan verdelgen Wij hen geheel en al.

وَإِذَآ أَرَدْنَآ أَن نُّهْلِكَ قَرْيَةً أَمَرْنَا مُتْرَفِيهَا فَفَسَقُوا۟ فِيهَا فَحَقَّ عَلَيْهَا ٱلْقَوْلُ فَدَمَّرْنَٰهَا تَدْمِيرًا

17

Hoeveel geslachten hebben Wij na Noach verdelgd? En uw Heer is genoeg om de zonden van Zijn dienaren op te merken en te zien.

وَكَمْ أَهْلَكْنَا مِنَ ٱلْقُرُونِ مِنۢ بَعْدِ نُوحٍ وَكَفَىٰ بِرَبِّكَ بِذُنُوبِ عِبَادِهِۦ خَبِيرًۢا بَصِيرًا

18

Indien sommigen de vergankelijke dingen (van dit leven) wensen, schenken Wij hun die gereedelijk — zulke dingen als Wij willen, aan zulke personen als Wij willen: ten slotte hebben Wij voor hen de hel bereid: zij zullen daarin branden, onteerd en verworpen.

مَّن كَانَ يُرِيدُ ٱلْعَاجِلَةَ عَجَّلْنَا لَهُۥ فِيهَا مَا نَشَآءُ لِمَن نُّرِيدُ ثُمَّ جَعَلْنَا لَهُۥ جَهَنَّمَ يَصْلَىٰهَا مَذْمُومًا مَّدْحُورًا

19

Zij die de (dingen van) het hiernamaals wensen, en daarnaar streven met al het verschuldigde streven, en geloof hebben — zij zijn het wier streven aangenaam is (voor Allah).

وَمَنْ أَرَادَ ٱلْـَٔاخِرَةَ وَسَعَىٰ لَهَا سَعْيَهَا وَهُوَ مُؤْمِنٌ فَأُو۟لَٰٓئِكَ كَانَ سَعْيُهُم مَّشْكُورًا

20

Van de gaven van uw Heer schenken Wij vrijelijk aan allen — dezen zowel als genen: de gaven van uw Heer zijn niet gesloten (voor wie dan ook).

كُلًّا نُّمِدُّ هَٰٓؤُلَآءِ وَهَٰٓؤُلَآءِ مِنْ عَطَآءِ رَبِّكَ وَمَا كَانَ عَطَآءُ رَبِّكَ مَحْظُورًا

21

Zie hoe Wij aan sommigen meer geschonken hebben dan aan anderen; maar voorwaar, het hiernamaals is groter in rang en trap en groter in voortreffelijkheid.

ٱنظُرْ كَيْفَ فَضَّلْنَا بَعْضَهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ وَلَلْـَٔاخِرَةُ أَكْبَرُ دَرَجَٰتٍ وَأَكْبَرُ تَفْضِيلًا

Morele geboden en verboden

22

Neem naast Allah geen ander voorwerp van aanbidding; of u (o mens!) zult in schande en armoede neerzitten.

لَّا تَجْعَلْ مَعَ ٱللَّهِ إِلَٰهًا ءَاخَرَ فَتَقْعُدَ مَذْمُومًا مَّخْذُولًا

23

Uw Heer heeft verordend dat u niemand dient dan Hem, en dat u goed bent voor de ouders. Of nu één van beiden of beiden in uw leven de ouderdom bereiken, zeg niet tot hen een woord van verachting, en stoot hen niet af, maar spreek tot hen met woorden van eer.

وَقَضَىٰ رَبُّكَ أَلَّا تَعْبُدُوٓا۟ إِلَّآ إِيَّاهُ وَبِٱلْوَٰلِدَيْنِ إِحْسَٰنًا إِمَّا يَبْلُغَنَّ عِندَكَ ٱلْكِبَرَ أَحَدُهُمَآ أَوْ كِلَاهُمَا فَلَا تَقُل لَّهُمَآ أُفٍّ وَلَا تَنْهَرْهُمَا وَقُل لَّهُمَا قَوْلًا كَرِيمًا

24

En laat, uit goedertierenheid, voor hen de vleugel van nederigheid neer, en zeg: "Mijn Heer! Schenk hun Uw barmhartigheid, zoals zij mij in mijn kindsheid liefderijk verzorgd hebben."

وَٱخْفِضْ لَهُمَا جَنَاحَ ٱلذُّلِّ مِنَ ٱلرَّحْمَةِ وَقُل رَّبِّ ٱرْحَمْهُمَا كَمَا رَبَّيَانِى صَغِيرًا

25

Uw Heer weet het best wat in uw hart is: indien u rechtvaardige daden verricht, voorwaar, dan is Hij Meest Vergevend voor hen die telkens weer tot Hem terugkeren (in ware boetvaardigheid).

رَّبُّكُمْ أَعْلَمُ بِمَا فِى نُفُوسِكُمْ إِن تَكُونُوا۟ صَٰلِحِينَ فَإِنَّهُۥ كَانَ لِلْأَوَّٰبِينَ غَفُورًا

26

En geef aan de verwanten wat hun rechtens toekomt, als (ook) aan de behoeftigen en aan de reiziger: maar verkwist (uw rijkdom) niet op de wijze van een verkwister.

وَءَاتِ ذَا ٱلْقُرْبَىٰ حَقَّهُۥ وَٱلْمِسْكِينَ وَٱبْنَ ٱلسَّبِيلِ وَلَا تُبَذِّرْ تَبْذِيرًا

27

Voorwaar, verkwisters zijn broeders van de bozen; en de boze is jegens zijn Heer (zelf) ondankbaar.

إِنَّ ٱلْمُبَذِّرِينَ كَانُوٓا۟ إِخْوَٰنَ ٱلشَّيَٰطِينِ وَكَانَ ٱلشَّيْطَٰنُ لِرَبِّهِۦ كَفُورًا

28

En zelfs indien u zich van hen moet afwenden, in het najagen van de barmhartigheid van uw Heer die u verwacht, spreek dan toch tot hen een woord van milde vriendelijkheid.

وَإِمَّا تُعْرِضَنَّ عَنْهُمُ ٱبْتِغَآءَ رَحْمَةٍ مِّن رَّبِّكَ تَرْجُوهَا فَقُل لَّهُمْ قَوْلًا مَّيْسُورًا

29

Maak uw hand niet (als die van een vrek) aan uw hals gebonden, en strek haar ook niet uit tot haar uiterste reikwijdte, zodat u laakbaar en berooid wordt.

وَلَا تَجْعَلْ يَدَكَ مَغْلُولَةً إِلَىٰ عُنُقِكَ وَلَا تَبْسُطْهَا كُلَّ ٱلْبَسْطِ فَتَقْعُدَ مَلُومًا مَّحْسُورًا

30

Voorwaar, uw Heer schenkt levensonderhoud in overvloed aan wie Hij wil, en Hij schenkt met rechte maat. Want Hij kent en aanschouwt al Zijn dienaren.

إِنَّ رَبَّكَ يَبْسُطُ ٱلرِّزْقَ لِمَن يَشَآءُ وَيَقْدِرُ إِنَّهُۥ كَانَ بِعِبَادِهِۦ خَبِيرًۢا بَصِيرًا

31

Dood uw kinderen niet uit vrees voor gebrek: Wij zullen levensonderhoud verschaffen voor hen zowel als voor u. Voorwaar, het doden van hen is een grote zonde.

وَلَا تَقْتُلُوٓا۟ أَوْلَٰدَكُمْ خَشْيَةَ إِمْلَٰقٍ نَّحْنُ نَرْزُقُهُمْ وَإِيَّاكُمْ إِنَّ قَتْلَهُمْ كَانَ خِطْـًٔا كَبِيرًا

32

En nader het overspel niet: want het is een schandelijke (daad) en een kwaad, dat de weg opent (tot andere kwaden).

وَلَا تَقْرَبُوا۟ ٱلزِّنَىٰٓ إِنَّهُۥ كَانَ فَٰحِشَةً وَسَآءَ سَبِيلًا

33

En neem geen leven — dat Allah heilig heeft gemaakt — behalve om een rechtvaardige reden. En indien iemand onrechtmatig gedood wordt, hebben Wij zijn erfgenaam macht gegeven (om qisas te eisen of te vergeven): maar laat hij de grenzen niet overschrijden in de zaak van het nemen van leven; want hij wordt geholpen (door de wet).

وَلَا تَقْتُلُوا۟ ٱلنَّفْسَ ٱلَّتِى حَرَّمَ ٱللَّهُ إِلَّا بِٱلْحَقِّ وَمَن قُتِلَ مَظْلُومًا فَقَدْ جَعَلْنَا لِوَلِيِّهِۦ سُلْطَٰنًا فَلَا يُسْرِف فِّى ٱلْقَتْلِ إِنَّهُۥ كَانَ مَنصُورًا

34

Nader het eigendom van de wees niet, behalve om het te verbeteren, totdat hij de leeftijd van volle kracht bereikt; en vervul (elke) verbintenis, want naar (elke) verbintenis zal onderzoek gedaan worden (op de dag van de afrekening).

وَلَا تَقْرَبُوا۟ مَالَ ٱلْيَتِيمِ إِلَّا بِٱلَّتِى هِىَ أَحْسَنُ حَتَّىٰ يَبْلُغَ أَشُدَّهُۥ وَأَوْفُوا۟ بِٱلْعَهْدِ إِنَّ ٱلْعَهْدَ كَانَ مَسْـُٔولًا

35

Geef volle maat wanneer u meet, en weeg met een weegschaal die recht is: dat is het meest gepast en het voordeligst bij de uiteindelijke bepaling.

وَأَوْفُوا۟ ٱلْكَيْلَ إِذَا كِلْتُمْ وَزِنُوا۟ بِٱلْقِسْطَاسِ ٱلْمُسْتَقِيمِ ذَٰلِكَ خَيْرٌ وَأَحْسَنُ تَأْوِيلًا

36

En jaag niet na hetgeen waarvan u geen kennis hebt; want naar elke daad van het horen, of van het zien, of van (het gevoelen in) het hart zal onderzoek gedaan worden (op de dag van de afrekening).

وَلَا تَقْفُ مَا لَيْسَ لَكَ بِهِۦ عِلْمٌ إِنَّ ٱلسَّمْعَ وَٱلْبَصَرَ وَٱلْفُؤَادَ كُلُّ أُو۟لَٰٓئِكَ كَانَ عَنْهُ مَسْـُٔولًا

37

En wandel niet met overmoed op de aarde: want u kunt de aarde niet vaneenscheuren, noch de bergen in hoogte bereiken.

وَلَا تَمْشِ فِى ٱلْأَرْضِ مَرَحًا إِنَّكَ لَن تَخْرِقَ ٱلْأَرْضَ وَلَن تَبْلُغَ ٱلْجِبَالَ طُولًا

38

Van al zulke dingen is het kwade hatelijk in het oog van uw Heer.

كُلُّ ذَٰلِكَ كَانَ سَيِّئُهُۥ عِندَ رَبِّكَ مَكْرُوهًا

39

Deze behoren tot de (voorschriften van) wijsheid, die uw Heer u geopenbaard heeft. Neem naast Allah geen ander voorwerp van aanbidding, opdat u niet in de hel geworpen wordt, laakbaar en verworpen.

ذَٰلِكَ مِمَّآ أَوْحَىٰٓ إِلَيْكَ رَبُّكَ مِنَ ٱلْحِكْمَةِ وَلَا تَجْعَلْ مَعَ ٱللَّهِ إِلَٰهًا ءَاخَرَ فَتُلْقَىٰ فِى جَهَنَّمَ مَلُومًا مَّدْحُورًا

Weerlegging van de afgoderij

40

Heeft uw Heer (o heidenen!) dan voor u zonen verkoren, en voor Zichzelf dochters genomen onder de engelen? Waarlijk, u spreekt een zeer verschrikkelijk woord!

أَفَأَصْفَىٰكُمْ رَبُّكُم بِٱلْبَنِينَ وَٱتَّخَذَ مِنَ ٱلْمَلَٰٓئِكَةِ إِنَٰثًا إِنَّكُمْ لَتَقُولُونَ قَوْلًا عَظِيمًا

41

Wij hebben (de dingen) op verschillende (wijzen) uiteengezet in deze Koran, opdat zij vermaning zouden ontvangen, maar het vermeerdert slechts hun vlucht (van de waarheid)!

وَلَقَدْ صَرَّفْنَا فِى هَٰذَا ٱلْقُرْءَانِ لِيَذَّكَّرُوا۟ وَمَا يَزِيدُهُمْ إِلَّا نُفُورًا

42

Zeg: Indien er (andere) goden met Hem geweest waren, zoals zij zeggen — zie, dan zouden zij zeker een weg gezocht hebben tot de Heer van de Troon!

قُل لَّوْ كَانَ مَعَهُۥٓ ءَالِهَةٌ كَمَا يَقُولُونَ إِذًا لَّٱبْتَغَوْا۟ إِلَىٰ ذِى ٱلْعَرْشِ سَبِيلًا

43

Glorie zij Hem! Hij is hoog verheven boven alles wat zij zeggen! — Verheven en Groot (boven alle maat)!

سُبْحَٰنَهُۥ وَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يَقُولُونَ عُلُوًّا كَبِيرًا

44

De zeven hemelen en de aarde, en alle wezens daarin, verkondigen Zijn glorie: er is geen ding of het prijst Zijn lof; en toch verstaat u niet hoe zij Zijn glorie verkondigen! Voorwaar, Hij is Veelverdraagzaam, Meest Vergevend!

تُسَبِّحُ لَهُ ٱلسَّمَٰوَٰتُ ٱلسَّبْعُ وَٱلْأَرْضُ وَمَن فِيهِنَّ وَإِن مِّن شَىْءٍ إِلَّا يُسَبِّحُ بِحَمْدِهِۦ وَلَٰكِن لَّا تَفْقَهُونَ تَسْبِيحَهُمْ إِنَّهُۥ كَانَ حَلِيمًا غَفُورًا

45

Wanneer u de Koran voordraagt, plaatsen Wij tussen u en hen die niet in het hiernamaals geloven een onzichtbare sluier:

وَإِذَا قَرَأْتَ ٱلْقُرْءَانَ جَعَلْنَا بَيْنَكَ وَبَيْنَ ٱلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِٱلْـَٔاخِرَةِ حِجَابًا مَّسْتُورًا

46

En Wij leggen bedekkingen over hun hart (en verstand), opdat zij de Koran niet zouden verstaan, en doofheid in hun oren: wanneer u in de Koran uw Heer gedenkt, en Hem alleen, keren zij de rug toe, vluchtend (van de waarheid).

وَجَعَلْنَا عَلَىٰ قُلُوبِهِمْ أَكِنَّةً أَن يَفْقَهُوهُ وَفِىٓ ءَاذَانِهِمْ وَقْرًا وَإِذَا ذَكَرْتَ رَبَّكَ فِى ٱلْقُرْءَانِ وَحْدَهُۥ وَلَّوْا۟ عَلَىٰٓ أَدْبَٰرِهِمْ نُفُورًا

47

Wij weten het best waarom zij luisteren, wanneer zij naar u luisteren; en wanneer zij in besloten overleg samenkomen, zie, dan zeggen de goddelozen: "U volgt niemand anders dan een betoverde man!"

نَّحْنُ أَعْلَمُ بِمَا يَسْتَمِعُونَ بِهِۦٓ إِذْ يَسْتَمِعُونَ إِلَيْكَ وَإِذْ هُمْ نَجْوَىٰٓ إِذْ يَقُولُ ٱلظَّٰلِمُونَ إِن تَتَّبِعُونَ إِلَّا رَجُلًا مَّسْحُورًا

48

Zie welke gelijkenissen zij voor u maken: maar zij zijn afgedwaald, en nooit kunnen zij een weg vinden.

ٱنظُرْ كَيْفَ ضَرَبُوا۟ لَكَ ٱلْأَمْثَالَ فَضَلُّوا۟ فَلَا يَسْتَطِيعُونَ سَبِيلًا

Ontkenning en bewijs van de opstanding

49

Zij zeggen: "Wat! Wanneer wij tot beenderen en stof vergaan zijn, zouden wij dan werkelijk opgewekt worden (tot) een nieuwe schepping?"

وَقَالُوٓا۟ أَءِذَا كُنَّا عِظَٰمًا وَرُفَٰتًا أَءِنَّا لَمَبْعُوثُونَ خَلْقًا جَدِيدًا

50

Zeg: "(Nee!) Al was u stenen of ijzer,"

قُلْ كُونُوا۟ حِجَارَةً أَوْ حَدِيدًا

51

"Of geschapen stof die, naar uw gedachten, het moeilijkst is (om opgewekt te worden) — (toch zult u opgewekt worden)!" Dan zullen zij zeggen: "Wie zal ons doen terugkeren?" Zeg: "Hij Die u de eerste maal geschapen heeft!" Dan zullen zij hun hoofd naar u schudden en zeggen: "Wanneer zal dat zijn?" Zeg: "Misschien zal het zeer spoedig zijn!"

أَوْ خَلْقًا مِّمَّا يَكْبُرُ فِى صُدُورِكُمْ فَسَيَقُولُونَ مَن يُعِيدُنَا قُلِ ٱلَّذِى فَطَرَكُمْ أَوَّلَ مَرَّةٍ فَسَيُنْغِضُونَ إِلَيْكَ رُءُوسَهُمْ وَيَقُولُونَ مَتَىٰ هُوَ قُلْ عَسَىٰٓ أَن يَكُونَ قَرِيبًا

52

"Het zal zijn op een dag waarop Hij u zal roepen, en u zult (Zijn roep) beantwoorden met (woorden van) Zijn lof, en u zult menen dat u slechts een korte tijd vertoefd hebt!"

يَوْمَ يَدْعُوكُمْ فَتَسْتَجِيبُونَ بِحَمْدِهِۦ وَتَظُنُّونَ إِن لَّبِثْتُمْ إِلَّا قَلِيلًا

Satan als vijand van de mens

53

Zeg tot Mijn dienaren dat zij (alleen) die dingen zeggen die het best zijn: want Satan zaait tweedracht onder hen: want Satan is voor de mens een verklaarde vijand.

وَقُل لِّعِبَادِى يَقُولُوا۟ ٱلَّتِى هِىَ أَحْسَنُ إِنَّ ٱلشَّيْطَٰنَ يَنزَغُ بَيْنَهُمْ إِنَّ ٱلشَّيْطَٰنَ كَانَ لِلْإِنسَٰنِ عَدُوًّا مُّبِينًا

54

Het is uw Heer Die u het best kent: indien het Hem behaagt, schenkt Hij u barmhartigheid, of indien het Hem behaagt, straf: Wij hebben u niet gezonden om voor hen een beschikker over hun zaken te zijn.

رَّبُّكُمْ أَعْلَمُ بِكُمْ إِن يَشَأْ يَرْحَمْكُمْ أَوْ إِن يَشَأْ يُعَذِّبْكُمْ وَمَآ أَرْسَلْنَٰكَ عَلَيْهِمْ وَكِيلًا

55

En het is uw Heer Die alle wezens die in de hemelen en op de aarde zijn het best kent: Wij hebben aan sommige profeten meer (en andere) gaven geschonken dan aan anderen: en Wij gaven aan David (de gave van) de Psalmen.

وَرَبُّكَ أَعْلَمُ بِمَن فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ وَلَقَدْ فَضَّلْنَا بَعْضَ ٱلنَّبِيِّـۧنَ عَلَىٰ بَعْضٍ وَءَاتَيْنَا دَاوُۥدَ زَبُورًا

56

Zeg: "Roep hen aan die u zich — buiten Hem — inbeeldt: zij hebben noch de macht om uw moeiten van u weg te nemen, noch om ze te veranderen."

قُلِ ٱدْعُوا۟ ٱلَّذِينَ زَعَمْتُم مِّن دُونِهِۦ فَلَا يَمْلِكُونَ كَشْفَ ٱلضُّرِّ عَنكُمْ وَلَا تَحْوِيلًا

57

Zij die zij aanroepen, begeren (voor zichzelf) middelen van toegang tot hun Heer — zelfs zij die het naast zijn: zij hopen op Zijn barmhartigheid en vrezen Zijn toorn: want de toorn van uw Heer is iets om voor op zijn hoede te zijn.

أُو۟لَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ يَدْعُونَ يَبْتَغُونَ إِلَىٰ رَبِّهِمُ ٱلْوَسِيلَةَ أَيُّهُمْ أَقْرَبُ وَيَرْجُونَ رَحْمَتَهُۥ وَيَخَافُونَ عَذَابَهُۥٓ إِنَّ عَذَابَ رَبِّكَ كَانَ مَحْذُورًا

Het lot van ongelovige volken

58

Er is geen volk of Wij zullen het vóór de dag van het oordeel verdelgen, of het straffen met een verschrikkelijke straf: dat staat geschreven in het (eeuwige) geschrift.

وَإِن مِّن قَرْيَةٍ إِلَّا نَحْنُ مُهْلِكُوهَا قَبْلَ يَوْمِ ٱلْقِيَٰمَةِ أَوْ مُعَذِّبُوهَا عَذَابًا شَدِيدًا كَانَ ذَٰلِكَ فِى ٱلْكِتَٰبِ مَسْطُورًا

59

En Wij onthouden ons ervan de tekenen te zenden, alleen omdat de mensen van vroegere geslachten ze voor leugen hielden: Wij zonden de kamelin tot de Thamoed om hun ogen te openen, maar zij behandelden haar onrechtvaardig: Wij zenden de tekenen slechts bij wijze van verschrikking (en waarschuwing voor het kwade).

وَمَا مَنَعَنَآ أَن نُّرْسِلَ بِٱلْـَٔايَٰتِ إِلَّآ أَن كَذَّبَ بِهَا ٱلْأَوَّلُونَ وَءَاتَيْنَا ثَمُودَ ٱلنَّاقَةَ مُبْصِرَةً فَظَلَمُوا۟ بِهَا وَمَا نُرْسِلُ بِٱلْـَٔايَٰتِ إِلَّا تَخْوِيفًا

60

Zie! Wij zeiden u dat uw Heer de mensheid rondom omvat: Wij schonken het visioen dat Wij u toonden slechts als een beproeving voor de mensen — evenals de vervloekte boom (genoemd) in de Koran: Wij legden verschrikking (en waarschuwing) in hen, maar het vermeerdert slechts hun buitensporige overtreding!

وَإِذْ قُلْنَا لَكَ إِنَّ رَبَّكَ أَحَاطَ بِٱلنَّاسِ وَمَا جَعَلْنَا ٱلرُّءْيَا ٱلَّتِىٓ أَرَيْنَٰكَ إِلَّا فِتْنَةً لِّلنَّاسِ وَٱلشَّجَرَةَ ٱلْمَلْعُونَةَ فِى ٱلْقُرْءَانِ وَنُخَوِّفُهُمْ فَمَا يَزِيدُهُمْ إِلَّا طُغْيَٰنًا كَبِيرًا

De weigering van Satan voor Adam

61

Zie! Wij zeiden tot de engelen: "Buig u neer voor Adam": zij bogen zich neer, behalve Iblis: hij zei: "Zal ik mij neerbuigen voor iemand die U uit klei geschapen hebt?"

وَإِذْ قُلْنَا لِلْمَلَٰٓئِكَةِ ٱسْجُدُوا۟ لِـَٔادَمَ فَسَجَدُوٓا۟ إِلَّآ إِبْلِيسَ قَالَ ءَأَسْجُدُ لِمَنْ خَلَقْتَ طِينًا

62

Hij zei: "Ziet U? Dit is degene die U boven mij geëerd hebt! Indien U mij slechts uitstel geeft tot de dag van het oordeel, zal ik voorzeker zijn nakomelingen onder mijn heerschappij brengen — allen op weinigen na!"

قَالَ أَرَءَيْتَكَ هَٰذَا ٱلَّذِى كَرَّمْتَ عَلَىَّ لَئِنْ أَخَّرْتَنِ إِلَىٰ يَوْمِ ٱلْقِيَٰمَةِ لَأَحْتَنِكَنَّ ذُرِّيَّتَهُۥٓ إِلَّا قَلِيلًا

63

(Allah) zei: "Ga uw weg; indien iemand van hen u volgt, voorwaar, dan zal de hel de vergelding van u (allen) zijn — een ruime vergelding."

قَالَ ٱذْهَبْ فَمَن تَبِعَكَ مِنْهُمْ فَإِنَّ جَهَنَّمَ جَزَآؤُكُمْ جَزَآءً مَّوْفُورًا

64

"Voer ten verderve wie u kunt onder hen, met uw (verleidelijke) stem; doe aanvallen op hen met uw ruiterij en uw voetvolk; deel met hen rijkdom en kinderen; en doe hun beloften." Maar Satan belooft hun niets dan bedrog.

وَٱسْتَفْزِزْ مَنِ ٱسْتَطَعْتَ مِنْهُم بِصَوْتِكَ وَأَجْلِبْ عَلَيْهِم بِخَيْلِكَ وَرَجِلِكَ وَشَارِكْهُمْ فِى ٱلْأَمْوَٰلِ وَٱلْأَوْلَٰدِ وَعِدْهُمْ وَمَا يَعِدُهُمُ ٱلشَّيْطَٰنُ إِلَّا غُرُورًا

65

"Wat Mijn dienaren betreft, over hen zult u geen macht hebben:" uw Heer is genoeg als Beschikker van zaken.

إِنَّ عِبَادِى لَيْسَ لَكَ عَلَيْهِمْ سُلْطَٰنٌ وَكَفَىٰ بِرَبِّكَ وَكِيلًا

Gods macht en de ondankbaarheid van de mens

66

Uw Heer is het Die het schip voor u voorspoedig doet varen door de zee, opdat u van Zijn overvloed zou zoeken. Want Hij is jegens u zeer barmhartig.

رَّبُّكُمُ ٱلَّذِى يُزْجِى لَكُمُ ٱلْفُلْكَ فِى ٱلْبَحْرِ لِتَبْتَغُوا۟ مِن فَضْلِهِۦٓ إِنَّهُۥ كَانَ بِكُمْ رَحِيمًا

67

Wanneer nood u op zee aangrijpt, laten zij die u aanroept — buiten Hemzelf — u in de steek! Maar wanneer Hij u veilig aan land terugbrengt, wendt u zich af (van Hem). Zeer ondankbaar is de mens!

وَإِذَا مَسَّكُمُ ٱلضُّرُّ فِى ٱلْبَحْرِ ضَلَّ مَن تَدْعُونَ إِلَّآ إِيَّاهُ فَلَمَّا نَجَّىٰكُمْ إِلَى ٱلْبَرِّ أَعْرَضْتُمْ وَكَانَ ٱلْإِنسَٰنُ كَفُورًا

68

Voelt u zich er dan veilig voor dat Hij u niet onder de aarde zal doen verzwelgen wanneer u op het land bent, of dat Hij geen geweldige wervelstorm (met stenenregens) tegen u zal zenden, zodat u niemand zult vinden om uw zaken voor u te behartigen?

أَفَأَمِنتُمْ أَن يَخْسِفَ بِكُمْ جَانِبَ ٱلْبَرِّ أَوْ يُرْسِلَ عَلَيْكُمْ حَاصِبًا ثُمَّ لَا تَجِدُوا۟ لَكُمْ وَكِيلًا

69

Of voelt u zich er veilig voor dat Hij u niet een tweede maal naar zee zal terugzenden en een zware storm tegen u zal zenden om u te verdrinken vanwege uw ondankbaarheid, zodat u geen helper vindt, daarin tegen Ons?

أَمْ أَمِنتُمْ أَن يُعِيدَكُمْ فِيهِ تَارَةً أُخْرَىٰ فَيُرْسِلَ عَلَيْكُمْ قَاصِفًا مِّنَ ٱلرِّيحِ فَيُغْرِقَكُم بِمَا كَفَرْتُمْ ثُمَّ لَا تَجِدُوا۟ لَكُمْ عَلَيْنَا بِهِۦ تَبِيعًا

70

Wij hebben de zonen van Adam geëerd; hun vervoer verschaft op land en zee; hun tot levensonderhoud goede en reine dingen gegeven; en hun bijzondere gunsten verleend, boven een groot deel van Onze schepping.

وَلَقَدْ كَرَّمْنَا بَنِىٓ ءَادَمَ وَحَمَلْنَٰهُمْ فِى ٱلْبَرِّ وَٱلْبَحْرِ وَرَزَقْنَٰهُم مِّنَ ٱلطَّيِّبَٰتِ وَفَضَّلْنَٰهُمْ عَلَىٰ كَثِيرٍ مِّمَّنْ خَلَقْنَا تَفْضِيلًا

71

Op een dag zullen Wij alle mensen samenroepen met hun (onderscheiden) imams: zij aan wie hun verslag in hun rechterhand gegeven wordt, zullen het (met vreugde) lezen, en hun zal niet in het minst onrecht aangedaan worden.

يَوْمَ نَدْعُوا۟ كُلَّ أُنَاسٍۭ بِإِمَٰمِهِمْ فَمَنْ أُوتِىَ كِتَٰبَهُۥ بِيَمِينِهِۦ فَأُو۟لَٰٓئِكَ يَقْرَءُونَ كِتَٰبَهُمْ وَلَا يُظْلَمُونَ فَتِيلًا

72

Maar zij die blind waren in deze wereld, zullen blind zijn in het hiernamaals en het verst van het pad afdwalen.

وَمَن كَانَ فِى هَٰذِهِۦٓ أَعْمَىٰ فَهُوَ فِى ٱلْـَٔاخِرَةِ أَعْمَىٰ وَأَضَلُّ سَبِيلًا

Pogingen om de profeet te verleiden

73

En hun doel was u door verleiding af te wenden van hetgeen Wij u geopenbaard hadden, om in Onze naam iets geheel anders in de plaats te stellen; (in dat geval), zie! dan zouden zij u zeker tot (hun) vriend gemaakt hebben!

وَإِن كَادُوا۟ لَيَفْتِنُونَكَ عَنِ ٱلَّذِىٓ أَوْحَيْنَآ إِلَيْكَ لِتَفْتَرِىَ عَلَيْنَا غَيْرَهُۥ وَإِذًا لَّٱتَّخَذُوكَ خَلِيلًا

74

En hadden Wij u geen kracht gegeven, dan zou u bijna een weinig tot hen geneigd zijn.

وَلَوْلَآ أَن ثَبَّتْنَٰكَ لَقَدْ كِدتَّ تَرْكَنُ إِلَيْهِمْ شَيْـًٔا قَلِيلًا

75

In dat geval zouden Wij u een gelijk deel (van straf) in dit leven hebben doen smaken, en een gelijk deel in de dood: en bovendien zou u niemand gevonden hebben om u tegen Ons te helpen!

إِذًا لَّأَذَقْنَٰكَ ضِعْفَ ٱلْحَيَوٰةِ وَضِعْفَ ٱلْمَمَاتِ ثُمَّ لَا تَجِدُ لَكَ عَلَيْنَا نَصِيرًا

76

Hun doel was u van het land af te schrikken, om u te verdrijven; maar in dat geval zouden zij (daarin) na u niet gebleven zijn, behalve voor een korte tijd.

وَإِن كَادُوا۟ لَيَسْتَفِزُّونَكَ مِنَ ٱلْأَرْضِ لِيُخْرِجُوكَ مِنْهَا وَإِذًا لَّا يَلْبَثُونَ خِلَٰفَكَ إِلَّا قَلِيلًا

77

(Dit was Onze) handelwijze met de boodschappers die Wij vóór u zonden: u zult geen verandering vinden in Onze handelwijzen.

سُنَّةَ مَن قَدْ أَرْسَلْنَا قَبْلَكَ مِن رُّسُلِنَا وَلَا تَجِدُ لِسُنَّتِنَا تَحْوِيلًا

Voorschriften voor het gebed

78

Onderhoud de geregelde gebeden — van het dalen van de zon tot de duisternis van de nacht, en het morgengebed en de morgenlezing: want het gebed en de lezing in de morgen dragen hun getuigenis.

أَقِمِ ٱلصَّلَوٰةَ لِدُلُوكِ ٱلشَّمْسِ إِلَىٰ غَسَقِ ٱلَّيْلِ وَقُرْءَانَ ٱلْفَجْرِ إِنَّ قُرْءَانَ ٱلْفَجْرِ كَانَ مَشْهُودًا

79

En bid in de kleine nachtwaken van de morgen: (het zou) een bijkomend gebed (of geestelijk gewin) voor u (zijn): weldra zal uw Heer u verheffen tot een plaats van lof en glorie!

وَمِنَ ٱلَّيْلِ فَتَهَجَّدْ بِهِۦ نَافِلَةً لَّكَ عَسَىٰٓ أَن يَبْعَثَكَ رَبُّكَ مَقَامًا مَّحْمُودًا

80

Zeg: "O mijn Heer! Laat mijn ingang zijn door de poort van waarheid en eer, en evenzo mijn uitgang door de poort van waarheid en eer; en verleen mij uit Uw tegenwoordigheid een gezag om (mij) te helpen."

وَقُل رَّبِّ أَدْخِلْنِى مُدْخَلَ صِدْقٍ وَأَخْرِجْنِى مُخْرَجَ صِدْقٍ وَٱجْعَل لِّى مِن لَّدُنكَ سُلْطَٰنًا نَّصِيرًا

81

En zeg: "De waarheid is (nu) gekomen, en de leugen is vergaan: want de leugen is (naar haar aard) bestemd om te vergaan."

وَقُلْ جَآءَ ٱلْحَقُّ وَزَهَقَ ٱلْبَٰطِلُ إِنَّ ٱلْبَٰطِلَ كَانَ زَهُوقًا

De Koran als genezing en de uitdaging aan de ongelovigen

82

Wij zenden in de Koran (trapsgewijs) neer hetgeen een genezing en een barmhartigheid is voor hen die geloven: voor de onrechtvaardigen veroorzaakt het niets dan verlies op verlies.

وَنُنَزِّلُ مِنَ ٱلْقُرْءَانِ مَا هُوَ شِفَآءٌ وَرَحْمَةٌ لِّلْمُؤْمِنِينَ وَلَا يَزِيدُ ٱلظَّٰلِمِينَ إِلَّا خَسَارًا

83

Maar wanneer Wij Onze gunsten aan de mens schenken, wendt hij zich af en houdt zich verre terzijde (in plaats van tot Ons te komen), en wanneer het kwaad hem aangrijpt, geeft hij zich over aan wanhoop!

وَإِذَآ أَنْعَمْنَا عَلَى ٱلْإِنسَٰنِ أَعْرَضَ وَنَـَٔا بِجَانِبِهِۦ وَإِذَا مَسَّهُ ٱلشَّرُّ كَانَ يَـُٔوسًا

84

Zeg: "Ieder handelt naar zijn eigen aard: maar uw Heer weet het best wie het best geleid is op de weg."

قُلْ كُلٌّ يَعْمَلُ عَلَىٰ شَاكِلَتِهِۦ فَرَبُّكُمْ أَعْلَمُ بِمَنْ هُوَ أَهْدَىٰ سَبِيلًا

85

Zij vragen u aangaande de Geest (van de ingeving). Zeg: "De Geest (komt) op bevel van mijn Heer: van de kennis is u slechts weinig meegedeeld, (o mensen!)"

وَيَسْـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلرُّوحِ قُلِ ٱلرُّوحُ مِنْ أَمْرِ رَبِّى وَمَآ أُوتِيتُم مِّنَ ٱلْعِلْمِ إِلَّا قَلِيلًا

86

Indien het Onze wil was, zouden Wij hetgeen Wij u door ingeving gezonden hebben kunnen wegnemen: dan zou u niemand vinden om uw zaak in die aangelegenheid tegen Ons te bepleiten —

وَلَئِن شِئْنَا لَنَذْهَبَنَّ بِٱلَّذِىٓ أَوْحَيْنَآ إِلَيْكَ ثُمَّ لَا تَجِدُ لَكَ بِهِۦ عَلَيْنَا وَكِيلًا

87

Behalve door barmhartigheid van uw Heer: want Zijn goedheid jegens u is (waarlijk) groot.

إِلَّا رَحْمَةً مِّن رَّبِّكَ إِنَّ فَضْلَهُۥ كَانَ عَلَيْكَ كَبِيرًا

88

Zeg: "Indien de gehele mensheid en de djinn zich zouden verenigen om het gelijke van deze Koran voort te brengen, zij zouden het gelijke daarvan niet kunnen voortbrengen, zelfs al ondersteunden zij elkaar met hulp en bijstand."

قُل لَّئِنِ ٱجْتَمَعَتِ ٱلْإِنسُ وَٱلْجِنُّ عَلَىٰٓ أَن يَأْتُوا۟ بِمِثْلِ هَٰذَا ٱلْقُرْءَانِ لَا يَأْتُونَ بِمِثْلِهِۦ وَلَوْ كَانَ بَعْضُهُمْ لِبَعْضٍ ظَهِيرًا

89

En Wij hebben voor de mens in deze Koran allerlei gelijkenissen uiteengezet: toch weigert het grootste deel van de mensen (die te ontvangen), anders dan met ondankbaarheid!

وَلَقَدْ صَرَّفْنَا لِلنَّاسِ فِى هَٰذَا ٱلْقُرْءَانِ مِن كُلِّ مَثَلٍ فَأَبَىٰٓ أَكْثَرُ ٱلنَّاسِ إِلَّا كُفُورًا

90

Zij zeggen: "Wij zullen niet in u geloven, totdat u voor ons een bron uit de aarde doet opwellen,"

وَقَالُوا۟ لَن نُّؤْمِنَ لَكَ حَتَّىٰ تَفْجُرَ لَنَا مِنَ ٱلْأَرْضِ يَنۢبُوعًا

91

"Of (totdat) u een hof van dadelbomen en wijnstokken hebt, en rivieren in het midden daarvan doet ontspringen, die overvloedig water voeren;"

أَوْ تَكُونَ لَكَ جَنَّةٌ مِّن نَّخِيلٍ وَعِنَبٍ فَتُفَجِّرَ ٱلْأَنْهَٰرَ خِلَٰلَهَا تَفْجِيرًا

92

"Of u de hemel in stukken op ons doet neervallen, zoals u zegt (dat gebeuren zal); of u Allah en de engelen van aangezicht tot aangezicht vóór (ons) brengt:"

أَوْ تُسْقِطَ ٱلسَّمَآءَ كَمَا زَعَمْتَ عَلَيْنَا كِسَفًا أَوْ تَأْتِىَ بِٱللَّهِ وَٱلْمَلَٰٓئِكَةِ قَبِيلًا

93

"Of u een huis hebt versierd met goud, of u een ladder beklimt recht de hemel in. Nee, wij zullen zelfs niet in uw beklimming geloven, totdat u ons een boek neerzendt dat wij kunnen lezen." Zeg: "Glorie zij mijn Heer! Ben ik iets anders dan een mens — een boodschapper?"

أَوْ يَكُونَ لَكَ بَيْتٌ مِّن زُخْرُفٍ أَوْ تَرْقَىٰ فِى ٱلسَّمَآءِ وَلَن نُّؤْمِنَ لِرُقِيِّكَ حَتَّىٰ تُنَزِّلَ عَلَيْنَا كِتَٰبًا نَّقْرَؤُهُۥ قُلْ سُبْحَانَ رَبِّى هَلْ كُنتُ إِلَّا بَشَرًا رَّسُولًا

94

Wat de mensen van het geloof terughield toen de leiding tot hen kwam, was niets anders dan dit: zij zeiden: "Heeft Allah een mens (zoals wij) gezonden om (Zijn) boodschapper te zijn?"

وَمَا مَنَعَ ٱلنَّاسَ أَن يُؤْمِنُوٓا۟ إِذْ جَآءَهُمُ ٱلْهُدَىٰٓ إِلَّآ أَن قَالُوٓا۟ أَبَعَثَ ٱللَّهُ بَشَرًا رَّسُولًا

95

Zeg: "Indien er op de aarde engelen gevestigd waren, die in vrede en rust rondwandelden, dan zouden Wij zeker uit de hemelen een engel tot hen hebben neergezonden als boodschapper."

قُل لَّوْ كَانَ فِى ٱلْأَرْضِ مَلَٰٓئِكَةٌ يَمْشُونَ مُطْمَئِنِّينَ لَنَزَّلْنَا عَلَيْهِم مِّنَ ٱلسَّمَآءِ مَلَكًا رَّسُولًا

96

Zeg: "Allah is genoeg als getuige tussen mij en u: want Hij is welbekend met Zijn dienaren, en Hij ziet (alle dingen)."

قُلْ كَفَىٰ بِٱللَّهِ شَهِيدًۢا بَيْنِى وَبَيْنَكُمْ إِنَّهُۥ كَانَ بِعِبَادِهِۦ خَبِيرًۢا بَصِيرًا

Leiding, dwaling en de opstanding

97

Hij die door Allah geleid wordt, die is op ware leiding; maar wie Hij laat dwalen — voor hem zult u geen beschermer vinden buiten Hem. Op de dag van het oordeel zullen Wij hen samenbrengen, voorover op hun aangezicht, blind, stom en doof: hun verblijfplaats zal de hel zijn: telkens wanneer zij afneemt, zullen Wij voor hen de felheid van het vuur vermeerderen.

وَمَن يَهْدِ ٱللَّهُ فَهُوَ ٱلْمُهْتَدِ وَمَن يُضْلِلْ فَلَن تَجِدَ لَهُمْ أَوْلِيَآءَ مِن دُونِهِۦ وَنَحْشُرُهُمْ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ عَلَىٰ وُجُوهِهِمْ عُمْيًا وَبُكْمًا وَصُمًّا مَّأْوَىٰهُمْ جَهَنَّمُ كُلَّمَا خَبَتْ زِدْنَٰهُمْ سَعِيرًا

98

Dat is hun vergelding, omdat zij Onze tekenen verwierpen en zeiden: "Wanneer wij tot beenderen en verbrijzeld stof vergaan zijn, zouden wij dan werkelijk opgewekt worden (tot) een nieuwe schepping?"

ذَٰلِكَ جَزَآؤُهُم بِأَنَّهُمْ كَفَرُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَا وَقَالُوٓا۟ أَءِذَا كُنَّا عِظَٰمًا وَرُفَٰتًا أَءِنَّا لَمَبْعُوثُونَ خَلْقًا جَدِيدًا

99

Zien zij niet dat Allah, Die de hemelen en de aarde geschapen heeft, macht heeft om het gelijke van hen (opnieuw) te scheppen? Hij alleen heeft een vastgestelde termijn verordend, waaraan geen twijfel is. Maar de onrechtvaardigen weigeren (die te aanvaarden), anders dan met ondankbaarheid.

أَوَلَمْ يَرَوْا۟ أَنَّ ٱللَّهَ ٱلَّذِى خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ قَادِرٌ عَلَىٰٓ أَن يَخْلُقَ مِثْلَهُمْ وَجَعَلَ لَهُمْ أَجَلًا لَّا رَيْبَ فِيهِ فَأَبَى ٱلظَّٰلِمُونَ إِلَّا كُفُورًا

100

Zeg: "Indien u de schatten van de barmhartigheid van mijn Heer in uw macht had, zie, dan zou u ze terughouden uit vrees ze uit te geven: want de mens is (immer) vrekkig!"

قُل لَّوْ أَنتُمْ تَمْلِكُونَ خَزَآئِنَ رَحْمَةِ رَبِّىٓ إِذًا لَّأَمْسَكْتُمْ خَشْيَةَ ٱلْإِنفَاقِ وَكَانَ ٱلْإِنسَٰنُ قَتُورًا

Mozes en Farao

101

Aan Mozes gaven Wij negen duidelijke tekenen: vraag het de kinderen van Israël: toen hij tot hen kwam, zei Farao tot hem: "O Mozes! Ik houd u waarlijk voor iemand die door tovenarij bewerkt is!"

وَلَقَدْ ءَاتَيْنَا مُوسَىٰ تِسْعَ ءَايَٰتٍۭ بَيِّنَٰتٍ فَسْـَٔلْ بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ إِذْ جَآءَهُمْ فَقَالَ لَهُۥ فِرْعَوْنُ إِنِّى لَأَظُنُّكَ يَٰمُوسَىٰ مَسْحُورًا

102

Mozes zei: "U weet wel dat deze dingen door niemand anders neergezonden zijn dan door de Heer van de hemelen en de aarde, als oogopenend bewijs: en ik houd u, o Farao, waarlijk voor iemand die ten verderve gedoemd is!"

قَالَ لَقَدْ عَلِمْتَ مَآ أَنزَلَ هَٰٓؤُلَآءِ إِلَّا رَبُّ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ بَصَآئِرَ وَإِنِّى لَأَظُنُّكَ يَٰفِرْعَوْنُ مَثْبُورًا

103

Toen besloot hij hen van het aangezicht van de aarde weg te vagen: maar Wij verdronken hem en allen die met hem waren.

فَأَرَادَ أَن يَسْتَفِزَّهُم مِّنَ ٱلْأَرْضِ فَأَغْرَقْنَٰهُ وَمَن مَّعَهُۥ جَمِيعًا

104

En Wij zeiden daarna tot de kinderen van Israël: "Woon veilig in het land (van de belofte)": maar toen de tweede van de waarschuwingen in vervulling ging, brachten Wij u samen in een vermengde menigte.

وَقُلْنَا مِنۢ بَعْدِهِۦ لِبَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ ٱسْكُنُوا۟ ٱلْأَرْضَ فَإِذَا جَآءَ وَعْدُ ٱلْـَٔاخِرَةِ جِئْنَا بِكُمْ لَفِيفًا

De openbaring van de Koran

105

Wij zonden de (Koran) in waarheid neer, en in waarheid is hij neergedaald: en Wij hebben u slechts gezonden om blijde tijding te brengen en om (zondaren) te waarschuwen.

وَبِٱلْحَقِّ أَنزَلْنَٰهُ وَبِٱلْحَقِّ نَزَلَ وَمَآ أَرْسَلْنَٰكَ إِلَّا مُبَشِّرًا وَنَذِيرًا

106

(Het is) een Koran die Wij (in delen, van tijd tot tijd) verdeeld hebben, opdat u hem met tussenpozen aan de mensen zou voordragen: Wij hebben hem trapsgewijs geopenbaard.

وَقُرْءَانًا فَرَقْنَٰهُ لِتَقْرَأَهُۥ عَلَى ٱلنَّاسِ عَلَىٰ مُكْثٍ وَنَزَّلْنَٰهُ تَنزِيلًا

107

Zeg: "Of u er nu in gelooft of niet, het is waar dat zij aan wie tevoren kennis gegeven is, wanneer hij aan hen wordt voorgedragen, op hun aangezicht neervallen in nederige aanbidding,"

قُلْ ءَامِنُوا۟ بِهِۦٓ أَوْ لَا تُؤْمِنُوٓا۟ إِنَّ ٱلَّذِينَ أُوتُوا۟ ٱلْعِلْمَ مِن قَبْلِهِۦٓ إِذَا يُتْلَىٰ عَلَيْهِمْ يَخِرُّونَ لِلْأَذْقَانِ سُجَّدًا

108

"En zij zeggen: 'Glorie zij onze Heer! Waarlijk, de belofte van onze Heer is vervuld!'"

وَيَقُولُونَ سُبْحَٰنَ رَبِّنَآ إِن كَانَ وَعْدُ رَبِّنَا لَمَفْعُولًا

109

Zij vallen op hun aangezicht neer in tranen, en het vermeerdert hun (ernstige) nederigheid.

وَيَخِرُّونَ لِلْأَذْقَانِ يَبْكُونَ وَيَزِيدُهُمْ خُشُوعًا

110

Zeg: "Roep Allah aan, of roep Rahman aan: met welke naam u Hem ook aanroept, (het is wel): want Hem behoren de Schoonste Namen. Spreek uw gebed niet luid uit, en spreek het ook niet op zachte toon, maar zoek een middenweg daartussen."

قُلِ ٱدْعُوا۟ ٱللَّهَ أَوِ ٱدْعُوا۟ ٱلرَّحْمَٰنَ أَيًّا مَّا تَدْعُوا۟ فَلَهُ ٱلْأَسْمَآءُ ٱلْحُسْنَىٰ وَلَا تَجْهَرْ بِصَلَاتِكَ وَلَا تُخَافِتْ بِهَا وَٱبْتَغِ بَيْنَ ذَٰلِكَ سَبِيلًا

111

Zeg: "Lof zij Allah, Die geen zoon verwekt, en geen deelgenoot heeft in (Zijn) heerschappij: en Hij (behoeft) niemand om Hem te beschermen tegen vernedering: ja, verheerlijk Hem om Zijn grootheid en glorie!"

وَقُلِ ٱلْحَمْدُ لِلَّهِ ٱلَّذِى لَمْ يَتَّخِذْ وَلَدًا وَلَمْ يَكُن لَّهُۥ شَرِيكٌ فِى ٱلْمُلْكِ وَلَمْ يَكُن لَّهُۥ وَلِىٌّ مِّنَ ٱلذُّلِّ وَكَبِّرْهُ تَكْبِيرًۢا