Open Koran Weergave
Deze site is in concept en onder zware bewerking. Versie 1 staat gepland voor 1 september 2026.

Soera 21. Al-Anbija — De Profeten

Deze vertaling is in bewerking en heeft de status van een concept; de tekst wordt nog gecontroleerd en kan wijzigen.

De Nederlandse weergave van soera 21 (Al-Anbija, “De Profeten”), 112 verzen, naar de Engelse vertaling van Abdullah Yusuf Ali (1934, publiek domein). Lees deze soera interactief met het Arabische origineel, transliteratie, voorleesfunctie en toelichting.

De naderende afrekening en de spot met de profeten

1

Steeds nader komt tot de mensen hun afrekening: toch slaan zij er geen acht op en wenden zij zich af.

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ ٱقْتَرَبَ لِلنَّاسِ حِسَابُهُمْ وَهُمْ فِى غَفْلَةٍ مُّعْرِضُونَ

2

Nooit komt er (iets) tot hen van een vernieuwde boodschap van hun Heer, of zij luisteren ernaar als in scherts,-

مَا يَأْتِيهِم مِّن ذِكْرٍ مِّن رَّبِّهِم مُّحْدَثٍ إِلَّا ٱسْتَمَعُوهُ وَهُمْ يَلْعَبُونَ

3

terwijl hun hart ermee speelt als met beuzelingen. De onrechtvaardigen verbergen hun heimelijke beraadslagingen, (zeggende): "Is deze (man) meer dan een mens zoals uzelf? Zult u met open ogen tot toverij gaan?"

لَاهِيَةً قُلُوبُهُمْ وَأَسَرُّوا۟ ٱلنَّجْوَى ٱلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ هَلْ هَٰذَآ إِلَّا بَشَرٌ مِّثْلُكُمْ أَفَتَأْتُونَ ٱلسِّحْرَ وَأَنتُمْ تُبْصِرُونَ

4

Zeg: "Mijn Heer kent (elk) woord (dat gesproken wordt) in de hemelen en op de aarde: Hij is Degene Die (alle dingen) hoort en weet."

قَالَ رَبِّى يَعْلَمُ ٱلْقَوْلَ فِى ٱلسَّمَآءِ وَٱلْأَرْضِ وَهُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلْعَلِيمُ

5

"Nee," zeggen zij, "(dit zijn) verwarde dromen! - Nee, hij heeft het verzonnen! - Nee, hij is (slechts) een dichter! Laat hem ons dan een teken brengen zoals die welke gezonden werden tot (de profeten) vanouds!"

بَلْ قَالُوٓا۟ أَضْغَٰثُ أَحْلَٰمٍۭ بَلِ ٱفْتَرَىٰهُ بَلْ هُوَ شَاعِرٌ فَلْيَأْتِنَا بِـَٔايَةٍ كَمَآ أُرْسِلَ ٱلْأَوَّلُونَ

6

(Wat betreft hen) vóór hen: niet één van de volken die Wij verdelgd hebben, geloofde: zullen dezen dan geloven?

مَآ ءَامَنَتْ قَبْلَهُم مِّن قَرْيَةٍ أَهْلَكْنَٰهَآ أَفَهُمْ يُؤْمِنُونَ

7

Ook vóór u waren de boodschappers die Wij zonden slechts mensen, aan wie Wij ingeving schonken: indien u dit niet beseft, vraag het aan hen die de boodschap bezitten.

وَمَآ أَرْسَلْنَا قَبْلَكَ إِلَّا رِجَالًا نُّوحِىٓ إِلَيْهِمْ فَسْـَٔلُوٓا۟ أَهْلَ ٱلذِّكْرِ إِن كُنتُمْ لَا تَعْلَمُونَ

8

Ook gaven Wij hun geen lichamen die geen voedsel aten, noch waren zij vrijgesteld van de dood.

وَمَا جَعَلْنَٰهُمْ جَسَدًا لَّا يَأْكُلُونَ ٱلطَّعَامَ وَمَا كَانُوا۟ خَٰلِدِينَ

9

Ten slotte vervulden Wij aan hen Onze belofte, en Wij redden hen en degenen die Wij wilden, maar Wij verdelgden hen die de grenzen te buiten gingen.

ثُمَّ صَدَقْنَٰهُمُ ٱلْوَعْدَ فَأَنجَيْنَٰهُمْ وَمَن نَّشَآءُ وَأَهْلَكْنَا ٱلْمُسْرِفِينَ

10

Wij hebben voor u (o mensen!) een boek geopenbaard waarin een boodschap voor u is: zult u dan niet begrijpen?

لَقَدْ أَنزَلْنَآ إِلَيْكُمْ كِتَٰبًا فِيهِ ذِكْرُكُمْ أَفَلَا تَعْقِلُونَ

11

Hoevele waren de volken die Wij geheel verdelgd hebben vanwege hun ongerechtigheden, terwijl Wij in hun plaats andere volken stelden?

وَكَمْ قَصَمْنَا مِن قَرْيَةٍ كَانَتْ ظَالِمَةً وَأَنشَأْنَا بَعْدَهَا قَوْمًا ءَاخَرِينَ

12

Doch toen zij Onze straf voelden (komen), zie, toen (trachtten) zij ervan te vluchten.

فَلَمَّآ أَحَسُّوا۟ بَأْسَنَآ إِذَا هُم مِّنْهَا يَرْكُضُونَ

13

Vlucht niet, maar keer terug tot de goede dingen van dit leven die u gegeven waren, en tot uw woningen, opdat u ter verantwoording geroepen kunt worden.

لَا تَرْكُضُوا۟ وَٱرْجِعُوٓا۟ إِلَىٰ مَآ أُتْرِفْتُمْ فِيهِ وَمَسَٰكِنِكُمْ لَعَلَّكُمْ تُسْـَٔلُونَ

14

Zij zeiden: "Ach! wee ons! Wij waren waarlijk onrechtvaardigen!"

قَالُوا۟ يَٰوَيْلَنَآ إِنَّا كُنَّا ظَٰلِمِينَ

15

En die roep van hen hield niet op, totdat Wij hen maakten als een veld dat gemaaid is, als as, stil en gedoofd.

فَمَا زَالَت تِّلْكَ دَعْوَىٰهُمْ حَتَّىٰ جَعَلْنَٰهُمْ حَصِيدًا خَٰمِدِينَ

De schepping als teken van Gods eenheid

16

Niet voor (ijdel) spel hebben Wij de hemelen en de aarde geschapen en al wat daartussen is!

وَمَا خَلَقْنَا ٱلسَّمَآءَ وَٱلْأَرْضَ وَمَا بَيْنَهُمَا لَٰعِبِينَ

17

Indien het Onze wens was geweest (slechts) een tijdverdrijf te nemen, dan zouden Wij het zeker genomen hebben uit de dingen die het dichtst bij Ons zijn, indien Wij (zoiets) zouden doen!

لَوْ أَرَدْنَآ أَن نَّتَّخِذَ لَهْوًا لَّٱتَّخَذْنَٰهُ مِن لَّدُنَّآ إِن كُنَّا فَٰعِلِينَ

18

Nee, Wij slingeren de waarheid tegen de leugen, en zij verbrijzelt haar het hoofd, en zie, de leugen vergaat! Ach! wee u vanwege de (valse) dingen die u (Ons) toeschrijft.

بَلْ نَقْذِفُ بِٱلْحَقِّ عَلَى ٱلْبَٰطِلِ فَيَدْمَغُهُۥ فَإِذَا هُوَ زَاهِقٌ وَلَكُمُ ٱلْوَيْلُ مِمَّا تَصِفُونَ

19

Hem behoren alle (schepselen) in de hemelen en op de aarde: zelfs zij die in Zijn (onmiddellijke) tegenwoordigheid zijn, zijn niet te hoogmoedig om Hem te dienen, noch worden zij (ooit) moede (van Zijn dienst):

وَلَهُۥ مَن فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ وَمَنْ عِندَهُۥ لَا يَسْتَكْبِرُونَ عَنْ عِبَادَتِهِۦ وَلَا يَسْتَحْسِرُونَ

20

Zij verheerlijken Zijn lof nacht en dag, en zij verslappen noch houden ooit op.

يُسَبِّحُونَ ٱلَّيْلَ وَٱلنَّهَارَ لَا يَفْتُرُونَ

21

Of hebben zij goden uit de aarde genomen (om te aanbidden), die (de doden) kunnen opwekken?

أَمِ ٱتَّخَذُوٓا۟ ءَالِهَةً مِّنَ ٱلْأَرْضِ هُمْ يُنشِرُونَ

22

Indien er in de hemelen en op de aarde andere goden waren geweest naast Allah, dan zou er in beide verwarring geweest zijn! maar ere zij Allah, de Heer van de troon: (hoog verheven is Hij) boven hetgeen zij Hem toeschrijven!

لَوْ كَانَ فِيهِمَآ ءَالِهَةٌ إِلَّا ٱللَّهُ لَفَسَدَتَا فَسُبْحَٰنَ ٱللَّهِ رَبِّ ٱلْعَرْشِ عَمَّا يَصِفُونَ

23

Hij kan niet ondervraagd worden over Zijn daden, maar zij zullen ondervraagd worden (over de hunne).

لَا يُسْـَٔلُ عَمَّا يَفْعَلُ وَهُمْ يُسْـَٔلُونَ

24

Of hebben zij (andere) goden naast Hem genomen om te aanbidden? Zeg: "Breng uw overtuigend bewijs: dit is de boodschap van hen die met mij zijn en de boodschap van hen die vóór mij waren." Maar de meesten van hen kennen de waarheid niet, en dus wenden zij zich af.

أَمِ ٱتَّخَذُوا۟ مِن دُونِهِۦٓ ءَالِهَةً قُلْ هَاتُوا۟ بُرْهَٰنَكُمْ هَٰذَا ذِكْرُ مَن مَّعِىَ وَذِكْرُ مَن قَبْلِى بَلْ أَكْثَرُهُمْ لَا يَعْلَمُونَ ٱلْحَقَّ فَهُم مُّعْرِضُونَ

25

Geen boodschapper zonden Wij vóór u zonder deze ingeving, door Ons tot hem gezonden: dat er geen god is dan Ik; aanbid en dien Mij daarom.

وَمَآ أَرْسَلْنَا مِن قَبْلِكَ مِن رَّسُولٍ إِلَّا نُوحِىٓ إِلَيْهِ أَنَّهُۥ لَآ إِلَٰهَ إِلَّآ أَنَا۠ فَٱعْبُدُونِ

26

En zij zeggen: "(Allah) de Meest Genadevolle heeft nakomelingen verwekt." Ere zij Hem! zij zijn (slechts) dienaren, tot eer verheven.

وَقَالُوا۟ ٱتَّخَذَ ٱلرَّحْمَٰنُ وَلَدًا سُبْحَٰنَهُۥ بَلْ عِبَادٌ مُّكْرَمُونَ

27

Zij spreken niet voordat Hij spreekt, en zij handelen (in alle dingen) op Zijn bevel.

لَا يَسْبِقُونَهُۥ بِٱلْقَوْلِ وَهُم بِأَمْرِهِۦ يَعْمَلُونَ

28

Hij weet wat vóór hen is en wat achter hen is, en zij doen geen voorspraak behalve voor hen die welgevallig zijn, en zij staan in ontzag en eerbied voor Zijn (heerlijkheid).

يَعْلَمُ مَا بَيْنَ أَيْدِيهِمْ وَمَا خَلْفَهُمْ وَلَا يَشْفَعُونَ إِلَّا لِمَنِ ٱرْتَضَىٰ وَهُم مِّنْ خَشْيَتِهِۦ مُشْفِقُونَ

29

Indien een van hen zou zeggen: "Ik ben een god naast Hem", zo een zouden Wij vergelden met de hel: aldus vergelden Wij hen die onrecht doen.

وَمَن يَقُلْ مِنْهُمْ إِنِّىٓ إِلَٰهٌ مِّن دُونِهِۦ فَذَٰلِكَ نَجْزِيهِ جَهَنَّمَ كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلظَّٰلِمِينَ

30

Zien de ongelovigen niet dat de hemelen en de aarde samengevoegd waren (als één eenheid van schepping), voordat Wij ze vaneenspleten? Wij hebben uit water alle levende dingen gemaakt. Zullen zij dan niet geloven?

أَوَلَمْ يَرَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓا۟ أَنَّ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ كَانَتَا رَتْقًا فَفَتَقْنَٰهُمَا وَجَعَلْنَا مِنَ ٱلْمَآءِ كُلَّ شَىْءٍ حَىٍّ أَفَلَا يُؤْمِنُونَ

31

En Wij hebben op de aarde bergen gezet, die vaststaan, opdat zij niet met hen zou schudden, en Wij hebben daarin brede wegen (tussen de bergen) gemaakt, opdat zij erdoor zouden trekken: opdat zij leiding zouden ontvangen.

وَجَعَلْنَا فِى ٱلْأَرْضِ رَوَٰسِىَ أَن تَمِيدَ بِهِمْ وَجَعَلْنَا فِيهَا فِجَاجًا سُبُلًا لَّعَلَّهُمْ يَهْتَدُونَ

32

En Wij hebben de hemelen gemaakt als een gewelf, wél bewaakt: toch wenden zij zich af van de tekenen waar deze dingen (op wijzen)!

وَجَعَلْنَا ٱلسَّمَآءَ سَقْفًا مَّحْفُوظًا وَهُمْ عَنْ ءَايَٰتِهَا مُعْرِضُونَ

33

Hij is het Die de nacht en de dag geschapen heeft, en de zon en de maan: alle (hemellichamen) zweven voort, elk in zijn eigen kringloop.

وَهُوَ ٱلَّذِى خَلَقَ ٱلَّيْلَ وَٱلنَّهَارَ وَٱلشَّمْسَ وَٱلْقَمَرَ كُلٌّ فِى فَلَكٍ يَسْبَحُونَ

De sterfelijkheid van de mens en het oordeel

34

Wij hebben aan geen mens vóór u blijvend leven (hier) geschonken: indien u dan zou sterven, zouden zij dan blijvend leven?

وَمَا جَعَلْنَا لِبَشَرٍ مِّن قَبْلِكَ ٱلْخُلْدَ أَفَإِي۟ن مِّتَّ فَهُمُ ٱلْخَٰلِدُونَ

35

Iedere ziel zal de dood smaken: en Wij beproeven u door het kwade en door het goede, bij wijze van beproeving: tot Ons moet u terugkeren.

كُلُّ نَفْسٍ ذَآئِقَةُ ٱلْمَوْتِ وَنَبْلُوكُم بِٱلشَّرِّ وَٱلْخَيْرِ فِتْنَةً وَإِلَيْنَا تُرْجَعُونَ

36

Wanneer de ongelovigen u zien, bejegenen zij u slechts met spot. "Is dit," (zeggen zij), "degene die over uw goden spreekt?" en zij lasteren bij de vermelding van (Allah) de Meest Genadevolle!

وَإِذَا رَءَاكَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓا۟ إِن يَتَّخِذُونَكَ إِلَّا هُزُوًا أَهَٰذَا ٱلَّذِى يَذْكُرُ ءَالِهَتَكُمْ وَهُم بِذِكْرِ ٱلرَّحْمَٰنِ هُمْ كَٰفِرُونَ

37

De mens is een schepsel van haast: spoedig (genoeg) zal Ik u Mijn tekenen tonen; dan zult u Mij niet vragen ze te verhaasten!

خُلِقَ ٱلْإِنسَٰنُ مِنْ عَجَلٍ سَأُو۟رِيكُمْ ءَايَٰتِى فَلَا تَسْتَعْجِلُونِ

38

Zij zeggen: "Wanneer zal deze belofte vervuld worden, indien u de waarheid spreekt?"

وَيَقُولُونَ مَتَىٰ هَٰذَا ٱلْوَعْدُ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ

39

Indien de ongelovigen slechts (de tijd) kenden waarop zij het vuur niet zullen kunnen afweren van hun aangezichten, noch van hun ruggen, en (waarop) geen hulp hen kan bereiken!

لَوْ يَعْلَمُ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ حِينَ لَا يَكُفُّونَ عَن وُجُوهِهِمُ ٱلنَّارَ وَلَا عَن ظُهُورِهِمْ وَلَا هُمْ يُنصَرُونَ

40

Nee, het kan plotseling over hen komen en hen verbijsteren: geen macht zullen zij dan hebben om het af te wenden, noch zal hun (dan) uitstel gegeven worden.

بَلْ تَأْتِيهِم بَغْتَةً فَتَبْهَتُهُمْ فَلَا يَسْتَطِيعُونَ رَدَّهَا وَلَا هُمْ يُنظَرُونَ

41

Bespot werden (vele) boodschappers vóór u; maar hun spotters werden omsingeld door hetgeen zij bespotten.

وَلَقَدِ ٱسْتُهْزِئَ بِرُسُلٍ مِّن قَبْلِكَ فَحَاقَ بِٱلَّذِينَ سَخِرُوا۟ مِنْهُم مَّا كَانُوا۟ بِهِۦ يَسْتَهْزِءُونَ

42

Zeg: "Wie kan u bij nacht en bij dag behoeden voor (de toorn van) (Allah) de Meest Genadevolle?" Toch wenden zij zich af van de vermelding van hun Heer.

قُلْ مَن يَكْلَؤُكُم بِٱلَّيْلِ وَٱلنَّهَارِ مِنَ ٱلرَّحْمَٰنِ بَلْ هُمْ عَن ذِكْرِ رَبِّهِم مُّعْرِضُونَ

43

Of hebben zij goden die hen tegen Ons kunnen beschermen? Zij hebben geen macht om zichzelf te helpen, noch kunnen zij tegen Ons verdedigd worden.

أَمْ لَهُمْ ءَالِهَةٌ تَمْنَعُهُم مِّن دُونِنَا لَا يَسْتَطِيعُونَ نَصْرَ أَنفُسِهِمْ وَلَا هُم مِّنَّا يُصْحَبُونَ

44

Nee, Wij gaven de goede dingen van dit leven aan deze mensen en hun vaderen, totdat de tijd hun lang werd; zien zij niet dat Wij het land (in hun macht) geleidelijk verkleinen vanaf zijn buitenste grenzen? Zijn zij het dan die zullen overwinnen?

بَلْ مَتَّعْنَا هَٰٓؤُلَآءِ وَءَابَآءَهُمْ حَتَّىٰ طَالَ عَلَيْهِمُ ٱلْعُمُرُ أَفَلَا يَرَوْنَ أَنَّا نَأْتِى ٱلْأَرْضَ نَنقُصُهَا مِنْ أَطْرَافِهَآ أَفَهُمُ ٱلْغَٰلِبُونَ

45

Zeg: "Ik waarschuw u slechts overeenkomstig de openbaring": maar de doven zullen de roep niet horen, (zelfs) wanneer zij gewaarschuwd worden!

قُلْ إِنَّمَآ أُنذِرُكُم بِٱلْوَحْىِ وَلَا يَسْمَعُ ٱلصُّمُّ ٱلدُّعَآءَ إِذَا مَا يُنذَرُونَ

46

Indien slechts een ademtocht van de toorn van uw Heer hen aanraakt, dan zullen zij zeggen: "Wee ons! wij hebben waarlijk onrecht gedaan!"

وَلَئِن مَّسَّتْهُمْ نَفْحَةٌ مِّنْ عَذَابِ رَبِّكَ لَيَقُولُنَّ يَٰوَيْلَنَآ إِنَّا كُنَّا ظَٰلِمِينَ

47

Wij zullen weegschalen van gerechtigheid opstellen voor de dag van het oordeel, zodat geen ziel in het minst onrechtvaardig behandeld zal worden, en al ware er (niet meer dan) het gewicht van een mosterdzaad, Wij zullen het (ter verantwoording) brengen: en Wij zijn toereikend om rekenschap af te nemen.

وَنَضَعُ ٱلْمَوَٰزِينَ ٱلْقِسْطَ لِيَوْمِ ٱلْقِيَٰمَةِ فَلَا تُظْلَمُ نَفْسٌ شَيْـًٔا وَإِن كَانَ مِثْقَالَ حَبَّةٍ مِّنْ خَرْدَلٍ أَتَيْنَا بِهَا وَكَفَىٰ بِنَا حَٰسِبِينَ

48

In het verleden schonken Wij aan Mozes en Aäron het onderscheidingsmiddel (voor het oordeel), en een licht en een boodschap voor hen die het goede zouden doen,-

وَلَقَدْ ءَاتَيْنَا مُوسَىٰ وَهَٰرُونَ ٱلْفُرْقَانَ وَضِيَآءً وَذِكْرًا لِّلْمُتَّقِينَ

49

Hen die hun Heer vrezen in hun meest verborgen gedachten, en die het uur (van het oordeel) met ontzag tegemoetzien.

ٱلَّذِينَ يَخْشَوْنَ رَبَّهُم بِٱلْغَيْبِ وَهُم مِّنَ ٱلسَّاعَةِ مُشْفِقُونَ

50

En dit is een gezegende boodschap die Wij hebben neergezonden: zult u haar dan verwerpen?

وَهَٰذَا ذِكْرٌ مُّبَارَكٌ أَنزَلْنَٰهُ أَفَأَنتُمْ لَهُۥ مُنكِرُونَ

Abraham en de vernietiging van de afgoden

51

Wij schonken voorheen aan Abraham zijn oprechtheid van wandel, en Wij kenden hem wél.

وَلَقَدْ ءَاتَيْنَآ إِبْرَٰهِيمَ رُشْدَهُۥ مِن قَبْلُ وَكُنَّا بِهِۦ عَٰلِمِينَ

52

Zie! hij zei tot zijn vader en zijn volk: "Wat zijn deze beelden, waaraan u (zo ijverig) toegewijd bent?"

إِذْ قَالَ لِأَبِيهِ وَقَوْمِهِۦ مَا هَٰذِهِ ٱلتَّمَاثِيلُ ٱلَّتِىٓ أَنتُمْ لَهَا عَٰكِفُونَ

53

Zij zeiden: "Wij vonden onze vaderen, terwijl zij hen aanbaden."

قَالُوا۟ وَجَدْنَآ ءَابَآءَنَا لَهَا عَٰبِدِينَ

54

Hij zei: "Waarlijk, u bent in klaarblijkelijke dwaling geweest - u en uw vaderen."

قَالَ لَقَدْ كُنتُمْ أَنتُمْ وَءَابَآؤُكُمْ فِى ضَلَٰلٍ مُّبِينٍ

55

Zij zeiden: "Hebt u ons de waarheid gebracht, of bent u een van hen die schertsen?"

قَالُوٓا۟ أَجِئْتَنَا بِٱلْحَقِّ أَمْ أَنتَ مِنَ ٱللَّٰعِبِينَ

56

Hij zei: "Nee, uw Heer is de Heer van de hemelen en de aarde, Hij Die ze (uit niets) geschapen heeft: en ik ben een getuige van deze (waarheid)."

قَالَ بَل رَّبُّكُمْ رَبُّ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ ٱلَّذِى فَطَرَهُنَّ وَأَنَا۠ عَلَىٰ ذَٰلِكُم مِّنَ ٱلشَّٰهِدِينَ

57

"En bij Allah, ik heb een plan met uw afgoden - nadat u weggegaan bent en uw rug hebt toegekeerd"..

وَتَٱللَّهِ لَأَكِيدَنَّ أَصْنَٰمَكُم بَعْدَ أَن تُوَلُّوا۟ مُدْبِرِينَ

58

Zo brak hij ze in stukken, (alle) behalve de grootste van hen, opdat zij zich tot deze zouden wenden (en zich tot hem zouden richten).

فَجَعَلَهُمْ جُذَٰذًا إِلَّا كَبِيرًا لَّهُمْ لَعَلَّهُمْ إِلَيْهِ يَرْجِعُونَ

59

Zij zeiden: "Wie heeft dit met onze goden gedaan? Hij moet waarlijk een goddeloos mens zijn!"

قَالُوا۟ مَن فَعَلَ هَٰذَا بِـَٔالِهَتِنَآ إِنَّهُۥ لَمِنَ ٱلظَّٰلِمِينَ

60

Zij zeiden: "Wij hoorden een jongeling over hen spreken: hij wordt Abraham genoemd."

قَالُوا۟ سَمِعْنَا فَتًى يَذْكُرُهُمْ يُقَالُ لَهُۥٓ إِبْرَٰهِيمُ

61

Zij zeiden: "Breng hem dan voor de ogen van het volk, opdat zij getuigenis afleggen."

قَالُوا۟ فَأْتُوا۟ بِهِۦ عَلَىٰٓ أَعْيُنِ ٱلنَّاسِ لَعَلَّهُمْ يَشْهَدُونَ

62

Zij zeiden: "Bent u degene die dit met onze goden gedaan heeft, o Abraham?"

قَالُوٓا۟ ءَأَنتَ فَعَلْتَ هَٰذَا بِـَٔالِهَتِنَا يَٰٓإِبْرَٰهِيمُ

63

Hij zei: "Nee, dit is gedaan door - dit is hun grootste! vraag het hun, indien zij verstandig kunnen spreken!"

قَالَ بَلْ فَعَلَهُۥ كَبِيرُهُمْ هَٰذَا فَسْـَٔلُوهُمْ إِن كَانُوا۟ يَنطِقُونَ

64

Zo keerden zij zich tot zichzelf en zeiden: "Voorwaar, u bent het die in het ongelijk staat!"

فَرَجَعُوٓا۟ إِلَىٰٓ أَنفُسِهِمْ فَقَالُوٓا۟ إِنَّكُمْ أَنتُمُ ٱلظَّٰلِمُونَ

65

Toen werden zij met schaamte verbijsterd: (zij zeiden): "U weet zeer wel dat deze (afgoden) niet spreken!"

ثُمَّ نُكِسُوا۟ عَلَىٰ رُءُوسِهِمْ لَقَدْ عَلِمْتَ مَا هَٰٓؤُلَآءِ يَنطِقُونَ

66

(Abraham) zei: "Aanbidt u dan, naast Allah, dingen die u geen enkel goed kunnen doen, noch u schaden?"

قَالَ أَفَتَعْبُدُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ مَا لَا يَنفَعُكُمْ شَيْـًٔا وَلَا يَضُرُّكُمْ

67

"Foei over u, en over de dingen die u aanbidt naast Allah! Hebt u geen verstand?"..

أُفٍّ لَّكُمْ وَلِمَا تَعْبُدُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ أَفَلَا تَعْقِلُونَ

68

Zij zeiden: "Verbrand hem en bescherm uw goden, indien u (ook maar iets) doet!"

قَالُوا۟ حَرِّقُوهُ وَٱنصُرُوٓا۟ ءَالِهَتَكُمْ إِن كُنتُمْ فَٰعِلِينَ

69

Wij zeiden: "O vuur! wees koel, en (een middel van) veiligheid voor Abraham!"

قُلْنَا يَٰنَارُ كُونِى بَرْدًا وَسَلَٰمًا عَلَىٰٓ إِبْرَٰهِيمَ

70

Toen zochten zij een listige aanslag tegen hem: maar Wij maakten hen tot degenen die het meest verloren!

وَأَرَادُوا۟ بِهِۦ كَيْدًا فَجَعَلْنَٰهُمُ ٱلْأَخْسَرِينَ

71

Maar Wij verlosten hem en (zijn neef) Lot (en leidden hen) naar het land dat Wij gezegend hebben voor de volken.

وَنَجَّيْنَٰهُ وَلُوطًا إِلَى ٱلْأَرْضِ ٱلَّتِى بَٰرَكْنَا فِيهَا لِلْعَٰلَمِينَ

72

En Wij schonken hem Izak en, als een bijkomende gave, (een kleinzoon), Jakob, en Wij maakten van ieder (van hen) rechtvaardige mannen.

وَوَهَبْنَا لَهُۥٓ إِسْحَٰقَ وَيَعْقُوبَ نَافِلَةً وَكُلًّا جَعَلْنَا صَٰلِحِينَ

73

En Wij maakten hen tot leiders, die (de mensen) leidden op Ons bevel, en Wij zonden hun de ingeving om goede daden te doen, het gebed te onderhouden en geregeld aalmoezen te geven; en zij dienden Ons voortdurend (en Ons alleen).

وَجَعَلْنَٰهُمْ أَئِمَّةً يَهْدُونَ بِأَمْرِنَا وَأَوْحَيْنَآ إِلَيْهِمْ فِعْلَ ٱلْخَيْرَٰتِ وَإِقَامَ ٱلصَّلَوٰةِ وَإِيتَآءَ ٱلزَّكَوٰةِ وَكَانُوا۟ لَنَا عَٰبِدِينَ

Lot, Noach, David en Salomo

74

En ook aan Lot gaven Wij oordeel en kennis, en Wij redden hem uit de stad die gruwelen bedreef: waarlijk, zij waren een volk dat aan het kwade was overgegeven, een opstandig volk.

وَلُوطًا ءَاتَيْنَٰهُ حُكْمًا وَعِلْمًا وَنَجَّيْنَٰهُ مِنَ ٱلْقَرْيَةِ ٱلَّتِى كَانَت تَّعْمَلُ ٱلْخَبَٰٓئِثَ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ قَوْمَ سَوْءٍ فَٰسِقِينَ

75

En Wij lieten hem toe tot Onze barmhartigheid: want hij was een van de rechtvaardigen.

وَأَدْخَلْنَٰهُ فِى رَحْمَتِنَآ إِنَّهُۥ مِنَ ٱلصَّٰلِحِينَ

76

(Gedenk) Noach, toen hij voorheen (tot Ons) riep: Wij verhoorden zijn (gebed) en verlosten hem en zijn gezin uit grote benauwdheid.

وَنُوحًا إِذْ نَادَىٰ مِن قَبْلُ فَٱسْتَجَبْنَا لَهُۥ فَنَجَّيْنَٰهُ وَأَهْلَهُۥ مِنَ ٱلْكَرْبِ ٱلْعَظِيمِ

77

Wij hielpen hem tegen het volk dat Onze tekenen verwierp: waarlijk, zij waren een volk dat aan het kwade was overgegeven: daarom verdronken Wij hen (in de vloed) allen tezamen.

وَنَصَرْنَٰهُ مِنَ ٱلْقَوْمِ ٱلَّذِينَ كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَآ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ قَوْمَ سَوْءٍ فَأَغْرَقْنَٰهُمْ أَجْمَعِينَ

78

En gedenk David en Salomo, toen zij oordeel gaven in de zaak van het veld waarin de schapen van zekere mensen des nachts waren afgedwaald: Wij waren getuige van hun oordeel.

وَدَاوُۥدَ وَسُلَيْمَٰنَ إِذْ يَحْكُمَانِ فِى ٱلْحَرْثِ إِذْ نَفَشَتْ فِيهِ غَنَمُ ٱلْقَوْمِ وَكُنَّا لِحُكْمِهِمْ شَٰهِدِينَ

79

Aan Salomo gaven Wij het (juiste) begrip van de zaak in: aan elk (van hen) gaven Wij oordeel en kennis; het was Onze macht die de heuvels en de vogels Onze lof deed verheerlijken, met David: Wij waren het Die (al deze dingen) deden.

فَفَهَّمْنَٰهَا سُلَيْمَٰنَ وَكُلًّا ءَاتَيْنَا حُكْمًا وَعِلْمًا وَسَخَّرْنَا مَعَ دَاوُۥدَ ٱلْجِبَالَ يُسَبِّحْنَ وَٱلطَّيْرَ وَكُنَّا فَٰعِلِينَ

80

Wij waren het Die hem het vervaardigen van maliënkolders leerden tot uw nut, om u te beschermen tegen elkaars geweld: zult u dan dankbaar zijn?

وَعَلَّمْنَٰهُ صَنْعَةَ لَبُوسٍ لَّكُمْ لِتُحْصِنَكُم مِّنۢ بَأْسِكُمْ فَهَلْ أَنتُمْ شَٰكِرُونَ

81

(Het was Onze macht die) de hevige (onstuimige) wind (gedwee) deed waaien voor Salomo, op zijn bevel, naar het land dat Wij gezegend hadden: want Wij weten alle dingen.

وَلِسُلَيْمَٰنَ ٱلرِّيحَ عَاصِفَةً تَجْرِى بِأَمْرِهِۦٓ إِلَى ٱلْأَرْضِ ٱلَّتِى بَٰرَكْنَا فِيهَا وَكُنَّا بِكُلِّ شَىْءٍ عَٰلِمِينَ

82

En onder de bozen waren er sommigen die voor hem doken, en daarnaast ander werk deden; en Wij waren het Die hen bewaakten.

وَمِنَ ٱلشَّيَٰطِينِ مَن يَغُوصُونَ لَهُۥ وَيَعْمَلُونَ عَمَلًا دُونَ ذَٰلِكَ وَكُنَّا لَهُمْ حَٰفِظِينَ

Job en verdere profeten

83

En (gedenk) Job, toen hij tot zijn Heer riep: "Waarlijk, benauwdheid heeft mij aangegrepen, maar U bent de Meest Barmhartige van hen die barmhartig zijn."

وَأَيُّوبَ إِذْ نَادَىٰ رَبَّهُۥٓ أَنِّى مَسَّنِىَ ٱلضُّرُّ وَأَنتَ أَرْحَمُ ٱلرَّٰحِمِينَ

84

Zo verhoorden Wij hem: Wij namen de benauwdheid weg die op hem was, en Wij gaven hem zijn gezin terug, en verdubbelden hun aantal,- als een genade van Onszelf, en tot een gedachtenis voor allen die Ons dienen.

فَٱسْتَجَبْنَا لَهُۥ فَكَشَفْنَا مَا بِهِۦ مِن ضُرٍّ وَءَاتَيْنَٰهُ أَهْلَهُۥ وَمِثْلَهُم مَّعَهُمْ رَحْمَةً مِّنْ عِندِنَا وَذِكْرَىٰ لِلْعَٰبِدِينَ

85

En (gedenk) Ismaël, Idris en Zul-kifl, allen (mannen) van standvastigheid en geduld;

وَإِسْمَٰعِيلَ وَإِدْرِيسَ وَذَا ٱلْكِفْلِ كُلٌّ مِّنَ ٱلصَّٰبِرِينَ

86

Wij lieten hen toe tot Onze barmhartigheid: want zij behoorden tot de rechtvaardigen.

وَأَدْخَلْنَٰهُمْ فِى رَحْمَتِنَآ إِنَّهُم مِّنَ ٱلصَّٰلِحِينَ

87

En gedenk Zun-nun, toen hij in toorn heenging: hij meende dat Wij geen macht over hem hadden! Maar hij riep door de diepten van de duisternis: "Er is geen god dan U: ere zij U: ik heb waarlijk onrecht gedaan!"

وَذَا ٱلنُّونِ إِذ ذَّهَبَ مُغَٰضِبًا فَظَنَّ أَن لَّن نَّقْدِرَ عَلَيْهِ فَنَادَىٰ فِى ٱلظُّلُمَٰتِ أَن لَّآ إِلَٰهَ إِلَّآ أَنتَ سُبْحَٰنَكَ إِنِّى كُنتُ مِنَ ٱلظَّٰلِمِينَ

88

Zo verhoorden Wij hem: en verlosten hem uit de benauwdheid: en aldus verlossen Wij hen die geloven.

فَٱسْتَجَبْنَا لَهُۥ وَنَجَّيْنَٰهُ مِنَ ٱلْغَمِّ وَكَذَٰلِكَ نُـۨجِى ٱلْمُؤْمِنِينَ

89

En (gedenk) Zacharias, toen hij tot zijn Heer riep: "O mijn Heer! laat mij niet zonder nageslacht, hoewel U de beste van de erfgenamen bent."

وَزَكَرِيَّآ إِذْ نَادَىٰ رَبَّهُۥ رَبِّ لَا تَذَرْنِى فَرْدًا وَأَنتَ خَيْرُ ٱلْوَٰرِثِينَ

90

Zo verhoorden Wij hem: en Wij schonken hem Yahya: Wij genazen voor hem (de onvruchtbaarheid van) zijn vrouw. Dezen (drie) waren steeds vlug in het wedijveren in goede werken; zij plachten Ons aan te roepen met liefde en eerbied, en zich voor Ons te verootmoedigen.

فَٱسْتَجَبْنَا لَهُۥ وَوَهَبْنَا لَهُۥ يَحْيَىٰ وَأَصْلَحْنَا لَهُۥ زَوْجَهُۥٓ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ يُسَٰرِعُونَ فِى ٱلْخَيْرَٰتِ وَيَدْعُونَنَا رَغَبًا وَرَهَبًا وَكَانُوا۟ لَنَا خَٰشِعِينَ

91

En (gedenk) haar die haar kuisheid bewaarde: Wij bliezen in haar van Onze geest, en Wij maakten haar en haar zoon tot een teken voor alle volken.

وَٱلَّتِىٓ أَحْصَنَتْ فَرْجَهَا فَنَفَخْنَا فِيهَا مِن رُّوحِنَا وَجَعَلْنَٰهَا وَٱبْنَهَآ ءَايَةً لِّلْعَٰلَمِينَ

De ene gemeenschap en de dag van het oordeel

92

Voorwaar, deze broederschap van u is één enkele broederschap, en Ik ben uw Heer en Onderhouder: dien Mij daarom (en geen ander).

إِنَّ هَٰذِهِۦٓ أُمَّتُكُمْ أُمَّةً وَٰحِدَةً وَأَنَا۠ رَبُّكُمْ فَٱعْبُدُونِ

93

Maar (latere geslachten) sneden hun zaak (van eenheid) af, de een van de ander: (toch) zullen zij allen tot Ons terugkeren.

وَتَقَطَّعُوٓا۟ أَمْرَهُم بَيْنَهُمْ كُلٌّ إِلَيْنَا رَٰجِعُونَ

94

Wie enige daad van gerechtigheid verricht en gelooft,- diens streven zal niet verworpen worden: Wij zullen het te zijnen gunste optekenen.

فَمَن يَعْمَلْ مِنَ ٱلصَّٰلِحَٰتِ وَهُوَ مُؤْمِنٌ فَلَا كُفْرَانَ لِسَعْيِهِۦ وَإِنَّا لَهُۥ كَٰتِبُونَ

95

Maar er ligt een ban op elk volk dat Wij verdelgd hebben: dat zij niet zullen terugkeren,

وَحَرَٰمٌ عَلَىٰ قَرْيَةٍ أَهْلَكْنَٰهَآ أَنَّهُمْ لَا يَرْجِعُونَ

96

Totdat Gog en Magog (dat volk) worden doorgelaten (door hun barrière), en zij zich haastig van elke heuvel verspreiden.

حَتَّىٰٓ إِذَا فُتِحَتْ يَأْجُوجُ وَمَأْجُوجُ وَهُم مِّن كُلِّ حَدَبٍ يَنسِلُونَ

97

Dan zal de ware belofte nabijkomen (om vervuld te worden): dan zie! de ogen van de ongelovigen zullen star staren van ontzetting: "Ach! wee ons! wij waren waarlijk achteloos hieromtrent; nee, wij hebben waarlijk onrecht gedaan!"

وَٱقْتَرَبَ ٱلْوَعْدُ ٱلْحَقُّ فَإِذَا هِىَ شَٰخِصَةٌ أَبْصَٰرُ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ يَٰوَيْلَنَا قَدْ كُنَّا فِى غَفْلَةٍ مِّنْ هَٰذَا بَلْ كُنَّا ظَٰلِمِينَ

98

Voorwaar, u, (ongelovigen), en de (valse) goden die u aanbidt naast Allah, bent (slechts) brandstof voor de hel! daartoe zult u (zeker) komen!

إِنَّكُمْ وَمَا تَعْبُدُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ حَصَبُ جَهَنَّمَ أَنتُمْ لَهَا وَٰرِدُونَ

99

Indien dezen goden waren geweest, zouden zij daar niet gekomen zijn! maar ieder zal daarin verblijven.

لَوْ كَانَ هَٰٓؤُلَآءِ ءَالِهَةً مَّا وَرَدُوهَا وَكُلٌّ فِيهَا خَٰلِدُونَ

100

Daar zal snikken hun deel zijn, en zij zullen daar niets (anders) horen.

لَهُمْ فِيهَا زَفِيرٌ وَهُمْ فِيهَا لَا يَسْمَعُونَ

101

Zij voor wie het goede (getuigenis) van Ons is voorafgegaan, zullen daarvan ver verwijderd worden.

إِنَّ ٱلَّذِينَ سَبَقَتْ لَهُم مِّنَّا ٱلْحُسْنَىٰٓ أُو۟لَٰٓئِكَ عَنْهَا مُبْعَدُونَ

102

Niet het geringste geluid van de hel zullen zij horen: in hetgeen hun ziel begeerde, daarin zullen zij wonen.

لَا يَسْمَعُونَ حَسِيسَهَا وَهُمْ فِى مَا ٱشْتَهَتْ أَنفُسُهُمْ خَٰلِدُونَ

103

De grote verschrikking zal hun geen droefheid brengen: maar de engelen zullen hen ontmoeten (met wederzijdse begroetingen): "Dit is uw dag,- (de dag) die u beloofd was."

لَا يَحْزُنُهُمُ ٱلْفَزَعُ ٱلْأَكْبَرُ وَتَتَلَقَّىٰهُمُ ٱلْمَلَٰٓئِكَةُ هَٰذَا يَوْمُكُمُ ٱلَّذِى كُنتُمْ تُوعَدُونَ

104

De dag waarop Wij de hemelen oprollen als een boekrol, opgerold voor (voltooide) geschriften,- zoals Wij de eerste schepping hebben voortgebracht, zo zullen Wij een nieuwe voortbrengen: een belofte die Wij op Ons genomen hebben: waarlijk, Wij zullen haar vervullen.

يَوْمَ نَطْوِى ٱلسَّمَآءَ كَطَىِّ ٱلسِّجِلِّ لِلْكُتُبِ كَمَا بَدَأْنَآ أَوَّلَ خَلْقٍ نُّعِيدُهُۥ وَعْدًا عَلَيْنَآ إِنَّا كُنَّا فَٰعِلِينَ

De rechtvaardigen beërven de aarde

105

Vóór dit hebben Wij in de Psalmen geschreven, na de boodschap (aan Mozes gegeven): "Mijn dienaren, de rechtvaardigen, zullen de aarde beërven."

وَلَقَدْ كَتَبْنَا فِى ٱلزَّبُورِ مِنۢ بَعْدِ ٱلذِّكْرِ أَنَّ ٱلْأَرْضَ يَرِثُهَا عِبَادِىَ ٱلصَّٰلِحُونَ

106

Voorwaar, in deze (Koran) is een boodschap voor mensen die Allah (waarlijk) willen aanbidden.

إِنَّ فِى هَٰذَا لَبَلَٰغًا لِّقَوْمٍ عَٰبِدِينَ

107

Wij hebben u slechts gezonden als een barmhartigheid voor alle schepselen.

وَمَآ أَرْسَلْنَٰكَ إِلَّا رَحْمَةً لِّلْعَٰلَمِينَ

108

Zeg: "Wat tot mij gekomen is door ingeving, is dat uw Allah één Allah is: zult u zich daarom buigen voor Zijn wil (in de islam)?"

قُلْ إِنَّمَا يُوحَىٰٓ إِلَىَّ أَنَّمَآ إِلَٰهُكُمْ إِلَٰهٌ وَٰحِدٌ فَهَلْ أَنتُم مُّسْلِمُونَ

109

Maar indien zij zich afkeren, zeg dan: "Ik heb de boodschap aan u allen gelijkelijk en in waarheid verkondigd; maar ik weet niet of hetgeen u beloofd is nabij is of ver."

فَإِن تَوَلَّوْا۟ فَقُلْ ءَاذَنتُكُمْ عَلَىٰ سَوَآءٍ وَإِنْ أَدْرِىٓ أَقَرِيبٌ أَم بَعِيدٌ مَّا تُوعَدُونَ

110

"Hij is het Die weet wat openlijk gesproken wordt en wat u verbergt (in uw hart)."

إِنَّهُۥ يَعْلَمُ ٱلْجَهْرَ مِنَ ٱلْقَوْلِ وَيَعْلَمُ مَا تَكْتُمُونَ

111

"Ik weet niet of het wellicht een beproeving voor u is, en een gave van (werelds) levensonderhoud (voor u) voor een tijd."

وَإِنْ أَدْرِى لَعَلَّهُۥ فِتْنَةٌ لَّكُمْ وَمَتَٰعٌ إِلَىٰ حِينٍ

112

Zeg: "O mijn Heer! oordeel U in waarheid!" "Onze Heer, de Meest Genadevolle, is Degene Wiens bijstand gezocht moet worden tegen de lasteringen die u uit!"

قَٰلَ رَبِّ ٱحْكُم بِٱلْحَقِّ وَرَبُّنَا ٱلرَّحْمَٰنُ ٱلْمُسْتَعَانُ عَلَىٰ مَا تَصِفُونَ