Open Koran Weergave
Deze site is in concept en onder zware bewerking. Versie 1 staat gepland voor 1 september 2026.

Soera 32. As-Sadjda — De Neerknieling

Deze vertaling is in bewerking en heeft de status van een concept; de tekst wordt nog gecontroleerd en kan wijzigen.

De Nederlandse weergave van soera 32 (As-Sadjda, “De Neerknieling”), 30 verzen, naar de Engelse vertaling van Abdullah Yusuf Ali (1934, publiek domein). Lees deze soera interactief met het Arabische origineel, transliteratie, voorleesfunctie en toelichting.

De openbaring en de schepping van de mens

1

Alif, Lām, Mīm (الٓمٓ)

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ الٓمٓ

2

(Dit is) de openbaring van het Boek waaraan geen twijfel is,- van de Heer van de werelden.

تَنزِيلُ ٱلْكِتَٰبِ لَا رَيْبَ فِيهِ مِن رَّبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ

3

Of zeggen zij: "Hij heeft het verzonnen"? Nee, het is de waarheid van uw Heer, opdat u een volk zou vermanen tot wie vóór u geen waarschuwer is gekomen: opdat zij leiding mogen ontvangen.

أَمْ يَقُولُونَ ٱفْتَرَىٰهُ بَلْ هُوَ ٱلْحَقُّ مِن رَّبِّكَ لِتُنذِرَ قَوْمًا مَّآ أَتَىٰهُم مِّن نَّذِيرٍ مِّن قَبْلِكَ لَعَلَّهُمْ يَهْتَدُونَ

4

Het is Allah Die de hemelen en de aarde heeft geschapen, en alles wat daartussen is, in zes dagen, en Hij is vast gevestigd op de troon (van gezag): u hebt buiten Hem niemand om (u) te beschermen of voor (u) te bemiddelen: zult u dan geen vermaning aannemen?

ٱللَّهُ ٱلَّذِى خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ وَمَا بَيْنَهُمَا فِى سِتَّةِ أَيَّامٍ ثُمَّ ٱسْتَوَىٰ عَلَى ٱلْعَرْشِ مَا لَكُم مِّن دُونِهِۦ مِن وَلِىٍّ وَلَا شَفِيعٍ أَفَلَا تَتَذَكَّرُونَ

5

Hij bestuurt (alle) zaken van de hemelen tot de aarde: uiteindelijk zullen (alle zaken) tot Hem opstijgen, op een dag waarvan de duur (als) duizend jaren zal zijn naar uw rekening.

يُدَبِّرُ ٱلْأَمْرَ مِنَ ٱلسَّمَآءِ إِلَى ٱلْأَرْضِ ثُمَّ يَعْرُجُ إِلَيْهِ فِى يَوْمٍ كَانَ مِقْدَارُهُۥٓ أَلْفَ سَنَةٍ مِّمَّا تَعُدُّونَ

6

Zo is Hij, de Kenner van alle dingen, verborgen en openbaar, de Verhevene (in macht), de Barmhartige;-

ذَٰلِكَ عَٰلِمُ ٱلْغَيْبِ وَٱلشَّهَٰدَةِ ٱلْعَزِيزُ ٱلرَّحِيمُ

7

Hij Die alles wat Hij geschapen heeft zeer goed heeft gemaakt: Hij begon de schepping van de mens met (niets meer dan) klei,

ٱلَّذِىٓ أَحْسَنَ كُلَّ شَىْءٍ خَلَقَهُۥ وَبَدَأَ خَلْقَ ٱلْإِنسَٰنِ مِن طِينٍ

8

En maakte zijn nageslacht uit een essentie van de aard van een verachte vloeistof:

ثُمَّ جَعَلَ نَسْلَهُۥ مِن سُلَٰلَةٍ مِّن مَّآءٍ مَّهِينٍ

9

Maar Hij vormde hem in de juiste verhouding, en blies in hem iets van Zijn geest. En Hij gaf u (de vermogens van) gehoor en gezicht en gevoel (en verstand): weinig dank betuigt u!

ثُمَّ سَوَّىٰهُ وَنَفَخَ فِيهِ مِن رُّوحِهِۦ وَجَعَلَ لَكُمُ ٱلسَّمْعَ وَٱلْأَبْصَٰرَ وَٱلْأَفْـِٔدَةَ قَلِيلًا مَّا تَشْكُرُونَ

10

En zij zeggen: "Wat! wanneer wij, verborgen en verloren, in de aarde liggen, zullen wij dan voorzeker in een nieuwe schepping zijn? Nee, zij ontkennen de ontmoeting met hun Heer."

وَقَالُوٓا۟ أَءِذَا ضَلَلْنَا فِى ٱلْأَرْضِ أَءِنَّا لَفِى خَلْقٍ جَدِيدٍۭ بَلْ هُم بِلِقَآءِ رَبِّهِمْ كَٰفِرُونَ

11

Zeg: "De engel van de dood, die over u is aangesteld, zal uw zielen (naar behoren) wegnemen: daarna zult u tot uw Heer worden teruggebracht."

قُلْ يَتَوَفَّىٰكُم مَّلَكُ ٱلْمَوْتِ ٱلَّذِى وُكِّلَ بِكُمْ ثُمَّ إِلَىٰ رَبِّكُمْ تُرْجَعُونَ

De dag van het oordeel: gelovigen en opstandigen

12

Kon u het slechts zien wanneer de schuldigen hun hoofden diep zullen buigen voor hun Heer, (zeggend:) "Onze Heer! Wij hebben gezien en wij hebben gehoord: zend ons nu dan terug (naar de wereld): wij zullen rechtvaardigheid werken: want wij geloven (nu) voorzeker."

وَلَوْ تَرَىٰٓ إِذِ ٱلْمُجْرِمُونَ نَاكِسُوا۟ رُءُوسِهِمْ عِندَ رَبِّهِمْ رَبَّنَآ أَبْصَرْنَا وَسَمِعْنَا فَٱرْجِعْنَا نَعْمَلْ صَٰلِحًا إِنَّا مُوقِنُونَ

13

Indien Wij het zo gewild hadden, hadden Wij zeker aan elke ziel haar ware leiding kunnen brengen: maar het woord van Mij zal bewaarheid worden: "Ik zal de hel vullen met djinn en mensen tezamen."

وَلَوْ شِئْنَا لَـَٔاتَيْنَا كُلَّ نَفْسٍ هُدَىٰهَا وَلَٰكِنْ حَقَّ ٱلْقَوْلُ مِنِّى لَأَمْلَأَنَّ جَهَنَّمَ مِنَ ٱلْجِنَّةِ وَٱلنَّاسِ أَجْمَعِينَ

14

"Proef dan - want u vergat de ontmoeting van deze dag van u, en ook Wij zullen u vergeten - proef de straf van de eeuwigheid voor uw (boze) daden!"

فَذُوقُوا۟ بِمَا نَسِيتُمْ لِقَآءَ يَوْمِكُمْ هَٰذَآ إِنَّا نَسِينَٰكُمْ وَذُوقُوا۟ عَذَابَ ٱلْخُلْدِ بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ

15

Alleen zij geloven in Onze tekenen, die, wanneer deze aan hen worden voorgedragen, in aanbidding neervallen, en de lof van hun Heer verheerlijken, en zij worden (nooit) opgeblazen van hoogmoed.

إِنَّمَا يُؤْمِنُ بِـَٔايَٰتِنَا ٱلَّذِينَ إِذَا ذُكِّرُوا۟ بِهَا خَرُّوا۟ سُجَّدًا وَسَبَّحُوا۟ بِحَمْدِ رَبِّهِمْ وَهُمْ لَا يَسْتَكْبِرُونَ

16

Hun ledematen verlaten hun slaapplaatsen, terwijl zij hun Heer aanroepen, in vrees en hoop: en zij geven (als aalmoes) uit van het levensonderhoud dat Wij hun geschonken hebben.

تَتَجَافَىٰ جُنُوبُهُمْ عَنِ ٱلْمَضَاجِعِ يَدْعُونَ رَبَّهُمْ خَوْفًا وَطَمَعًا وَمِمَّا رَزَقْنَٰهُمْ يُنفِقُونَ

17

Nu weet geen mens welke verrukkingen voor het oog voor hen verborgen worden gehouden (in het verschiet) - als een beloning voor hun (goede) daden.

فَلَا تَعْلَمُ نَفْسٌ مَّآ أُخْفِىَ لَهُم مِّن قُرَّةِ أَعْيُنٍ جَزَآءًۢ بِمَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ

18

Is dan de mens die gelooft niet beter dan de mens die opstandig en goddeloos is? Zij zijn niet gelijk.

أَفَمَن كَانَ مُؤْمِنًا كَمَن كَانَ فَاسِقًا لَّا يَسْتَوُۥنَ

19

Voor hen die geloven en rechtvaardige daden verrichten zijn er hoven als gastvrije woningen, voor hun (goede) daden.

أَمَّا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ فَلَهُمْ جَنَّٰتُ ٱلْمَأْوَىٰ نُزُلًۢا بِمَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ

20

Wat betreft hen die opstandig en goddeloos zijn, hun verblijfplaats zal het vuur zijn: telkens wanneer zij daaruit willen ontkomen, zullen zij erin worden teruggedreven, en tot hen zal gezegd worden: "Proef de straf van het vuur, die u als leugen placht te verwerpen."

وَأَمَّا ٱلَّذِينَ فَسَقُوا۟ فَمَأْوَىٰهُمُ ٱلنَّارُ كُلَّمَآ أَرَادُوٓا۟ أَن يَخْرُجُوا۟ مِنْهَآ أُعِيدُوا۟ فِيهَا وَقِيلَ لَهُمْ ذُوقُوا۟ عَذَابَ ٱلنَّارِ ٱلَّذِى كُنتُم بِهِۦ تُكَذِّبُونَ

21

En voorzeker, Wij zullen hen laten proeven van de straf van dit (leven) vóór de allergrootste straf, opdat zij (berouw tonen en) terugkeren.

وَلَنُذِيقَنَّهُم مِّنَ ٱلْعَذَابِ ٱلْأَدْنَىٰ دُونَ ٱلْعَذَابِ ٱلْأَكْبَرِ لَعَلَّهُمْ يَرْجِعُونَ

22

En wie doet groter onrecht dan hij aan wie de tekenen van zijn Heer worden voorgedragen, en die zich vervolgens daarvan afwendt? Voorwaar, aan hen die overtreden zullen Wij (verschuldigde) vergelding voltrekken.

وَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّن ذُكِّرَ بِـَٔايَٰتِ رَبِّهِۦ ثُمَّ أَعْرَضَ عَنْهَآ إِنَّا مِنَ ٱلْمُجْرِمِينَ مُنتَقِمُونَ

Het Boek van Mozes en de dag van de beslissing

23

Wij hebben voorzeker eertijds het Boek aan Mozes gegeven: wees dan niet in twijfel dat het (u) bereikt: en Wij hebben het tot een leiding gemaakt voor de kinderen van Israël.

وَلَقَدْ ءَاتَيْنَا مُوسَى ٱلْكِتَٰبَ فَلَا تَكُن فِى مِرْيَةٍ مِّن لِّقَآئِهِۦ وَجَعَلْنَٰهُ هُدًى لِّبَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ

24

En Wij hebben uit hun midden leiders aangesteld, die leiding gaven onder Ons bevel, zolang zij met geduld volhardden en bleven geloven in Onze tekenen.

وَجَعَلْنَا مِنْهُمْ أَئِمَّةً يَهْدُونَ بِأَمْرِنَا لَمَّا صَبَرُوا۟ وَكَانُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَا يُوقِنُونَ

25

Voorwaar, uw Heer zal tussen hen oordelen op de dag van het oordeel, in de zaken waarin zij (onderling) verschillen.

إِنَّ رَبَّكَ هُوَ يَفْصِلُ بَيْنَهُمْ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ فِيمَا كَانُوا۟ فِيهِ يَخْتَلِفُونَ

26

Leert het hun geen les, hoeveel geslachten Wij vóór hen verdelgd hebben, in wier woningen zij (nu) heen en weer gaan? Voorwaar, daarin zijn tekenen: luisteren zij dan niet?

أَوَلَمْ يَهْدِ لَهُمْ كَمْ أَهْلَكْنَا مِن قَبْلِهِم مِّنَ ٱلْقُرُونِ يَمْشُونَ فِى مَسَٰكِنِهِمْ إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَـَٔايَٰتٍ أَفَلَا يَسْمَعُونَ

27

En zien zij niet dat Wij de regen naar dorre grond drijven (kaal van gewas), en daarmee gewassen voortbrengen, die voedsel verschaffen voor hun vee en voor henzelf? Hebben zij dan geen gezichtsvermogen?

أَوَلَمْ يَرَوْا۟ أَنَّا نَسُوقُ ٱلْمَآءَ إِلَى ٱلْأَرْضِ ٱلْجُرُزِ فَنُخْرِجُ بِهِۦ زَرْعًا تَأْكُلُ مِنْهُ أَنْعَٰمُهُمْ وَأَنفُسُهُمْ أَفَلَا يُبْصِرُونَ

28

Zij zeggen: "Wanneer zal deze beslissing zijn, indien u de waarheid spreekt?"

وَيَقُولُونَ مَتَىٰ هَٰذَا ٱلْفَتْحُ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ

29

Zeg: "Op de dag van de beslissing zal het de ongelovigen niet baten indien zij (dan) geloven! en hun zal geen uitstel worden verleend."

قُلْ يَوْمَ ٱلْفَتْحِ لَا يَنفَعُ ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓا۟ إِيمَٰنُهُمْ وَلَا هُمْ يُنظَرُونَ

30

Wend u dan van hen af, en wacht: ook zij wachten.

فَأَعْرِضْ عَنْهُمْ وَٱنتَظِرْ إِنَّهُم مُّنتَظِرُونَ