Open Koran Weergave
Deze site is in concept en onder zware bewerking. Versie 1 staat gepland voor 1 september 2026.

Soera 27. An-Naml — De Mieren

Deze vertaling is in bewerking en heeft de status van een concept; de tekst wordt nog gecontroleerd en kan wijzigen.

De Nederlandse weergave van soera 27 (An-Naml, “De Mieren”), 93 verzen, naar de Engelse vertaling van Abdullah Yusuf Ali (1934, publiek domein). Lees deze soera interactief met het Arabische origineel, transliteratie, voorleesfunctie en toelichting.

De Koran als leiding voor de gelovigen

1

Ṭā, Sīn (طسٓ) Dit zijn verzen van de Koran — een boek dat (de dingen) duidelijk maakt;

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ طسٓ تِلْكَ ءَايَٰتُ ٱلْقُرْءَانِ وَكِتَابٍ مُّبِينٍ

2

Een leiding, en een blijde boodschap voor de gelovigen,

هُدًى وَبُشْرَىٰ لِلْمُؤْمِنِينَ

3

Zij die het gebed standvastig verrichten en geregeld aalmoezen geven, en ook (volle) zekerheid hebben van het hiernamaals.

ٱلَّذِينَ يُقِيمُونَ ٱلصَّلَوٰةَ وَيُؤْتُونَ ٱلزَّكَوٰةَ وَهُم بِٱلْـَٔاخِرَةِ هُمْ يُوقِنُونَ

4

Wat betreft hen die niet in het hiernamaals geloven: Wij hebben hun daden schoonschijnend gemaakt in hun ogen; en zo dolen zij verward rond.

إِنَّ ٱلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِٱلْـَٔاخِرَةِ زَيَّنَّا لَهُمْ أَعْمَٰلَهُمْ فَهُمْ يَعْمَهُونَ

5

Zij zijn het voor wie een smartelijke straf (wacht); en in het hiernamaals zullen zij het grootste verlies lijden.

أُو۟لَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ لَهُمْ سُوٓءُ ٱلْعَذَابِ وَهُمْ فِى ٱلْـَٔاخِرَةِ هُمُ ٱلْأَخْسَرُونَ

6

Wat u betreft: de Koran is u geschonken uit de tegenwoordigheid van Eén Die Wijs en Alwetend is.

وَإِنَّكَ لَتُلَقَّى ٱلْقُرْءَانَ مِن لَّدُنْ حَكِيمٍ عَلِيمٍ

Mozes ontvangt tekenen bij het vuur

7

Zie! Mozes zei tot zijn gezin: "Ik bespeur een vuur; weldra zal ik u vandaar enig bericht brengen, of ik zal u een brandende fakkel brengen om ons vuur te ontsteken, opdat u zich kunt verwarmen."

إِذْ قَالَ مُوسَىٰ لِأَهْلِهِۦٓ إِنِّىٓ ءَانَسْتُ نَارًا سَـَٔاتِيكُم مِّنْهَا بِخَبَرٍ أَوْ ءَاتِيكُم بِشِهَابٍ قَبَسٍ لَّعَلَّكُمْ تَصْطَلُونَ

8

Maar toen hij bij het (vuur) kwam, werd een stem gehoord: "Gezegend zijn zij die in het vuur zijn en zij die eromheen zijn; en ere zij Allah, de Heer van de werelden!"

فَلَمَّا جَآءَهَا نُودِىَ أَنۢ بُورِكَ مَن فِى ٱلنَّارِ وَمَنْ حَوْلَهَا وَسُبْحَٰنَ ٱللَّهِ رَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ

9

"O Mozes! Voorwaar, Ik ben Allah, de Verhevene in macht, de Wijze!..."

يَٰمُوسَىٰٓ إِنَّهُۥٓ أَنَا ٱللَّهُ ٱلْعَزِيزُ ٱلْحَكِيمُ

10

"Werp nu uw staf!" Maar toen hij hem zag bewegen (uit zichzelf) alsof hij een slang was, keerde hij zich om en vluchtte, en keerde niet op zijn schreden terug: "O Mozes!" (werd er gezegd), "Vrees niet: voorwaar, in Mijn tegenwoordigheid hebben zij die als boodschappers geroepen zijn geen vrees,"

وَأَلْقِ عَصَاكَ فَلَمَّا رَءَاهَا تَهْتَزُّ كَأَنَّهَا جَآنٌّ وَلَّىٰ مُدْبِرًا وَلَمْ يُعَقِّبْ يَٰمُوسَىٰ لَا تَخَفْ إِنِّى لَا يَخَافُ لَدَىَّ ٱلْمُرْسَلُونَ

11

"Maar indien iemand kwaad gedaan heeft en daarna het kwade door het goede vervangen heeft, voorwaar, Ik ben de Veelvergevende, de Meest Barmhartige."

إِلَّا مَن ظَلَمَ ثُمَّ بَدَّلَ حُسْنًۢا بَعْدَ سُوٓءٍ فَإِنِّى غَفُورٌ رَّحِيمٌ

12

"Steek nu uw hand in uw boezem, en zij zal wit tevoorschijn komen, zonder smet (of letsel): (dit is) een van de negen tekenen (die u zult brengen) tot Farao en zijn volk: want zij zijn een volk, opstandig in overtreding."

وَأَدْخِلْ يَدَكَ فِى جَيْبِكَ تَخْرُجْ بَيْضَآءَ مِنْ غَيْرِ سُوٓءٍ فِى تِسْعِ ءَايَٰتٍ إِلَىٰ فِرْعَوْنَ وَقَوْمِهِۦٓ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ قَوْمًا فَٰسِقِينَ

13

Maar toen Onze tekenen tot hen kwamen, die hun de ogen hadden moeten openen, zeiden zij: "Dit is klaarblijkelijke toverij!"

فَلَمَّا جَآءَتْهُمْ ءَايَٰتُنَا مُبْصِرَةً قَالُوا۟ هَٰذَا سِحْرٌ مُّبِينٌ

14

En zij verwierpen die tekenen in ongerechtigheid en hoogmoed, hoewel hun zielen ervan overtuigd waren: zie dan wat het einde was van hen die verderfelijk handelden!

وَجَحَدُوا۟ بِهَا وَٱسْتَيْقَنَتْهَآ أَنفُسُهُمْ ظُلْمًا وَعُلُوًّا فَٱنظُرْ كَيْفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلْمُفْسِدِينَ

David en Salomo en de taal van de dieren

15

Wij gaven (voorheen) kennis aan David en Salomo: en zij beiden zeiden: "Lof zij Allah, Die ons begunstigd heeft boven velen van Zijn dienaren die geloven!"

وَلَقَدْ ءَاتَيْنَا دَاوُۥدَ وَسُلَيْمَٰنَ عِلْمًا وَقَالَا ٱلْحَمْدُ لِلَّهِ ٱلَّذِى فَضَّلَنَا عَلَىٰ كَثِيرٍ مِّنْ عِبَادِهِ ٱلْمُؤْمِنِينَ

16

En Salomo was Davids erfgenaam. Hij zei: "O mensen! Ons is de taal van de vogels geleerd, en ons is (een weinig) van alle dingen geschonken: dit is waarlijk klaarblijkelijke genade (van Allah)."

وَوَرِثَ سُلَيْمَٰنُ دَاوُۥدَ وَقَالَ يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ عُلِّمْنَا مَنطِقَ ٱلطَّيْرِ وَأُوتِينَا مِن كُلِّ شَىْءٍ إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ ٱلْفَضْلُ ٱلْمُبِينُ

17

En voor Salomo werden zijn legerscharen opgesteld, van djinn en mensen en vogels, en zij werden allen in orde en gelederen gehouden.

وَحُشِرَ لِسُلَيْمَٰنَ جُنُودُهُۥ مِنَ ٱلْجِنِّ وَٱلْإِنسِ وَٱلطَّيْرِ فَهُمْ يُوزَعُونَ

18

Ten slotte, toen zij bij een (nederig) dal van de mieren kwamen, zei een van de mieren: "O mieren, gaat uw woningen binnen, opdat Salomo en zijn legerscharen u niet (onder de voet) vertreden zonder het te weten."

حَتَّىٰٓ إِذَآ أَتَوْا۟ عَلَىٰ وَادِ ٱلنَّمْلِ قَالَتْ نَمْلَةٌ يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّمْلُ ٱدْخُلُوا۟ مَسَٰكِنَكُمْ لَا يَحْطِمَنَّكُمْ سُلَيْمَٰنُ وَجُنُودُهُۥ وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ

19

Toen glimlachte hij, vermaakt om haar woorden; en hij zei: "O mijn Heer! Beschik het mij zo, dat ik dankbaar mag zijn voor Uw gunsten, die U mij en mijn ouders bewezen hebt, en dat ik de gerechtigheid mag werken die U behaagt: en laat mij, door Uw genade, toe tot de gelederen van Uw rechtvaardige dienaren."

فَتَبَسَّمَ ضَاحِكًا مِّن قَوْلِهَا وَقَالَ رَبِّ أَوْزِعْنِىٓ أَنْ أَشْكُرَ نِعْمَتَكَ ٱلَّتِىٓ أَنْعَمْتَ عَلَىَّ وَعَلَىٰ وَٰلِدَىَّ وَأَنْ أَعْمَلَ صَٰلِحًا تَرْضَىٰهُ وَأَدْخِلْنِى بِرَحْمَتِكَ فِى عِبَادِكَ ٱلصَّٰلِحِينَ

Salomo en de koningin van Seba

20

En hij monsterde de vogels; en hij zei: "Waarom zie ik de hop niet? Of is hij onder de afwezigen?"

وَتَفَقَّدَ ٱلطَّيْرَ فَقَالَ مَا لِىَ لَآ أَرَى ٱلْهُدْهُدَ أَمْ كَانَ مِنَ ٱلْغَآئِبِينَ

21

"Ik zal hem voorzeker met een strenge straf straffen, of hem ter dood brengen, tenzij hij mij een duidelijke reden (voor zijn afwezigheid) brengt."

لَأُعَذِّبَنَّهُۥ عَذَابًا شَدِيدًا أَوْ لَأَا۟ذْبَحَنَّهُۥٓ أَوْ لَيَأْتِيَنِّى بِسُلْطَٰنٍ مُّبِينٍ

22

Maar de hop bleef niet lang weg: hij (kwam en) zei: "Ik heb (een gebied) doorkruist dat u niet doorkruist hebt, en ik ben tot u gekomen uit Saba met waarachtige tijdingen."

فَمَكَثَ غَيْرَ بَعِيدٍ فَقَالَ أَحَطتُ بِمَا لَمْ تُحِطْ بِهِۦ وَجِئْتُكَ مِن سَبَإٍۭ بِنَبَإٍ يَقِينٍ

23

"Ik vond (daar) een vrouw die over hen regeerde en die van alle benodigdheden voorzien was; en zij heeft een prachtige troon."

إِنِّى وَجَدتُّ ٱمْرَأَةً تَمْلِكُهُمْ وَأُوتِيَتْ مِن كُلِّ شَىْءٍ وَلَهَا عَرْشٌ عَظِيمٌ

24

"Ik vond haar en haar volk de zon aanbiddend naast Allah: Satan heeft hun daden schoonschijnend gemaakt in hun ogen, en heeft hen van het pad afgehouden, zodat zij geen leiding ontvangen,"

وَجَدتُّهَا وَقَوْمَهَا يَسْجُدُونَ لِلشَّمْسِ مِن دُونِ ٱللَّهِ وَزَيَّنَ لَهُمُ ٱلشَّيْطَٰنُ أَعْمَٰلَهُمْ فَصَدَّهُمْ عَنِ ٱلسَّبِيلِ فَهُمْ لَا يَهْتَدُونَ

25

"(Hen van het pad afgehouden), opdat zij Allah niet zouden aanbidden, Die aan het licht brengt wat verborgen is in de hemelen en de aarde, en Die weet wat u verbergt en wat u openbaart."

أَلَّا يَسْجُدُوا۟ لِلَّهِ ٱلَّذِى يُخْرِجُ ٱلْخَبْءَ فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ وَيَعْلَمُ مَا تُخْفُونَ وَمَا تُعْلِنُونَ

26

"Allah! Er is geen god dan Hij! Heer van de verheven troon!"

ٱللَّهُ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ رَبُّ ٱلْعَرْشِ ٱلْعَظِيمِ

27

(Salomo) zei: "Weldra zullen wij zien of u de waarheid gesproken hebt of gelogen!"

قَالَ سَنَنظُرُ أَصَدَقْتَ أَمْ كُنتَ مِنَ ٱلْكَٰذِبِينَ

28

"Ga heen met deze brief van mij, en overhandig hem aan hen; trek u dan van hen terug, en (wacht af om) te zien welk antwoord zij geven"...

ٱذْهَب بِّكِتَٰبِى هَٰذَا فَأَلْقِهْ إِلَيْهِمْ ثُمَّ تَوَلَّ عَنْهُمْ فَٱنظُرْ مَاذَا يَرْجِعُونَ

29

(De koningin) zei: "O hoofden! Mij is een brief bezorgd die eerbied waardig is."

قَالَتْ يَٰٓأَيُّهَا ٱلْمَلَؤُا۟ إِنِّىٓ أُلْقِىَ إِلَىَّ كِتَٰبٌ كَرِيمٌ

30

"Hij is van Salomo, en luidt (als volgt): 'In de naam van Allah, de Meest Genadevolle, de Meest Barmhartige:'"

إِنَّهُۥ مِن سُلَيْمَٰنَ وَإِنَّهُۥ بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ

31

"'Verheft u niet hoogmoedig tegen mij, maar komt tot mij in onderwerping (aan de ware godsdienst).'"

أَلَّا تَعْلُوا۟ عَلَىَّ وَأْتُونِى مُسْلِمِينَ

32

Zij zei: "O hoofden! Geeft mij raad in (deze) mijn zaak: geen zaak heb ik beslist dan in uw tegenwoordigheid."

قَالَتْ يَٰٓأَيُّهَا ٱلْمَلَؤُا۟ أَفْتُونِى فِىٓ أَمْرِى مَا كُنتُ قَاطِعَةً أَمْرًا حَتَّىٰ تَشْهَدُونِ

33

Zij zeiden: "Wij zijn begiftigd met kracht, en geneigd tot hevige oorlog: maar het bevel is aan u; overweeg dus wat u bevelen wilt."

قَالُوا۟ نَحْنُ أُو۟لُوا۟ قُوَّةٍ وَأُو۟لُوا۟ بَأْسٍ شَدِيدٍ وَٱلْأَمْرُ إِلَيْكِ فَٱنظُرِى مَاذَا تَأْمُرِينَ

34

Zij zei: "Koningen, wanneer zij een land binnentrekken, verwoesten het, en maken de edelsten van zijn volk tot de geringsten: zo handelen zij."

قَالَتْ إِنَّ ٱلْمُلُوكَ إِذَا دَخَلُوا۟ قَرْيَةً أَفْسَدُوهَا وَجَعَلُوٓا۟ أَعِزَّةَ أَهْلِهَآ أَذِلَّةً وَكَذَٰلِكَ يَفْعَلُونَ

35

"Maar ik zal hem een geschenk zenden, en (afwachten) om te zien met welk (antwoord mijn) gezanten terugkeren."

وَإِنِّى مُرْسِلَةٌ إِلَيْهِم بِهَدِيَّةٍ فَنَاظِرَةٌۢ بِمَ يَرْجِعُ ٱلْمُرْسَلُونَ

36

Toen nu (het gezantschap) bij Salomo kwam, zei hij: "Wilt u mij overvloed aan rijkdom geven? Maar wat Allah mij gegeven heeft, is beter dan wat Hij u gegeven heeft! Nee, u bent het die zich in uw geschenk verheugt!"

فَلَمَّا جَآءَ سُلَيْمَٰنَ قَالَ أَتُمِدُّونَنِ بِمَالٍ فَمَآ ءَاتَىٰنِۦَ ٱللَّهُ خَيْرٌ مِّمَّآ ءَاتَىٰكُم بَلْ أَنتُم بِهَدِيَّتِكُمْ تَفْرَحُونَ

37

"Keer tot hen terug, en wees verzekerd dat wij tot hen zullen komen met zulke legerscharen als zij nimmer zullen kunnen weerstaan: wij zullen hen vandaar in schande verdrijven, en zij zullen zich (waarlijk) vernederd voelen."

ٱرْجِعْ إِلَيْهِمْ فَلَنَأْتِيَنَّهُم بِجُنُودٍ لَّا قِبَلَ لَهُم بِهَا وَلَنُخْرِجَنَّهُم مِّنْهَآ أَذِلَّةً وَهُمْ صَٰغِرُونَ

38

Hij zei (tot zijn eigen mannen): "O hoofden! Wie van u kan mij haar troon brengen, voordat zij tot mij komen in onderwerping?"

قَالَ يَٰٓأَيُّهَا ٱلْمَلَؤُا۟ أَيُّكُمْ يَأْتِينِى بِعَرْشِهَا قَبْلَ أَن يَأْتُونِى مُسْلِمِينَ

39

Een 'ifriet van de djinn zei: "Ik zal hem tot u brengen voordat u van uw raadszitting opstaat: waarlijk, ik heb daarvoor volle kracht, en ik ben te vertrouwen."

قَالَ عِفْرِيتٌ مِّنَ ٱلْجِنِّ أَنَا۠ ءَاتِيكَ بِهِۦ قَبْلَ أَن تَقُومَ مِن مَّقَامِكَ وَإِنِّى عَلَيْهِ لَقَوِىٌّ أَمِينٌ

40

Iemand die kennis van het Boek had, zei: "Ik zal hem tot u brengen in een oogwenk!" Toen (Salomo) hem dan vast voor zich geplaatst zag, zei hij: "Dit is door de genade van mijn Heer! Om mij te beproeven, of ik dankbaar ben of ondankbaar! En wie dankbaar is, voorwaar, zijn dankbaarheid is (een gewin) voor zijn eigen ziel; maar wie ondankbaar is — voorwaar, mijn Heer is vrij van alle behoeften, de Verhevene in eer!"

قَالَ ٱلَّذِى عِندَهُۥ عِلْمٌ مِّنَ ٱلْكِتَٰبِ أَنَا۠ ءَاتِيكَ بِهِۦ قَبْلَ أَن يَرْتَدَّ إِلَيْكَ طَرْفُكَ فَلَمَّا رَءَاهُ مُسْتَقِرًّا عِندَهُۥ قَالَ هَٰذَا مِن فَضْلِ رَبِّى لِيَبْلُوَنِىٓ ءَأَشْكُرُ أَمْ أَكْفُرُ وَمَن شَكَرَ فَإِنَّمَا يَشْكُرُ لِنَفْسِهِۦ وَمَن كَفَرَ فَإِنَّ رَبِّى غَنِىٌّ كَرِيمٌ

41

Hij zei: "Maak haar troon voor haar onherkenbaar: laten wij zien of zij geleid wordt (tot de waarheid), of dat zij een van hen is die geen leiding ontvangen."

قَالَ نَكِّرُوا۟ لَهَا عَرْشَهَا نَنظُرْ أَتَهْتَدِىٓ أَمْ تَكُونُ مِنَ ٱلَّذِينَ لَا يَهْتَدُونَ

42

Toen zij dan aankwam, werd haar gevraagd: "Is dit uw troon?" Zij zei: "Hij was precies zoals deze; en kennis was ons hiervóór geschonken, en wij hebben ons aan Allah onderworpen (in de islam)."

فَلَمَّا جَآءَتْ قِيلَ أَهَٰكَذَا عَرْشُكِ قَالَتْ كَأَنَّهُۥ هُوَ وَأُوتِينَا ٱلْعِلْمَ مِن قَبْلِهَا وَكُنَّا مُسْلِمِينَ

43

En hij wendde haar af van de aanbidding van anderen naast Allah: want zij was (gesproten) uit een volk dat geen geloof had.

وَصَدَّهَا مَا كَانَت تَّعْبُدُ مِن دُونِ ٱللَّهِ إِنَّهَا كَانَتْ مِن قَوْمٍ كَٰفِرِينَ

44

Haar werd gevraagd het verheven paleis binnen te gaan: maar toen zij het zag, meende zij dat het een watervlakte was, en zij (schortte haar gewaad op), haar benen ontblotend. Hij zei: "Dit is slechts een paleis, glad geplaveid met platen van glas." Zij zei: "O mijn Heer! Ik heb waarlijk mijn ziel onrecht aangedaan: ik onderwerp mij (nu), met Salomo, (in de islam) aan de Heer van de werelden."

قِيلَ لَهَا ٱدْخُلِى ٱلصَّرْحَ فَلَمَّا رَأَتْهُ حَسِبَتْهُ لُجَّةً وَكَشَفَتْ عَن سَاقَيْهَا قَالَ إِنَّهُۥ صَرْحٌ مُّمَرَّدٌ مِّن قَوَارِيرَ قَالَتْ رَبِّ إِنِّى ظَلَمْتُ نَفْسِى وَأَسْلَمْتُ مَعَ سُلَيْمَٰنَ لِلَّهِ رَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ

Salih en de negen samenzweerders

45

Wij zonden (voorheen) tot de Thamoed hun broeder Salih, zeggende: "Dient Allah": maar zie, zij werden twee partijen die met elkaar twistten.

وَلَقَدْ أَرْسَلْنَآ إِلَىٰ ثَمُودَ أَخَاهُمْ صَٰلِحًا أَنِ ٱعْبُدُوا۟ ٱللَّهَ فَإِذَا هُمْ فَرِيقَانِ يَخْتَصِمُونَ

46

Hij zei: "O mijn volk! Waarom vraagt u het kwade te verhaasten boven het goede? Indien u Allah slechts om vergeving vraagt, mag u hopen barmhartigheid te ontvangen."

قَالَ يَٰقَوْمِ لِمَ تَسْتَعْجِلُونَ بِٱلسَّيِّئَةِ قَبْلَ ٱلْحَسَنَةِ لَوْلَا تَسْتَغْفِرُونَ ٱللَّهَ لَعَلَّكُمْ تُرْحَمُونَ

47

Zij zeiden: "Een kwaad voorteken zien wij in u en in hen die met u zijn." Hij zei: "Uw kwade voorteken is bij Allah; ja, u bent een volk dat beproefd wordt."

قَالُوا۟ ٱطَّيَّرْنَا بِكَ وَبِمَن مَّعَكَ قَالَ طَٰٓئِرُكُمْ عِندَ ٱللَّهِ بَلْ أَنتُمْ قَوْمٌ تُفْتَنُونَ

48

Er waren in de stad negen mannen van één geslacht, die verderf stichtten in het land, en zich niet wilden beteren.

وَكَانَ فِى ٱلْمَدِينَةِ تِسْعَةُ رَهْطٍ يُفْسِدُونَ فِى ٱلْأَرْضِ وَلَا يُصْلِحُونَ

49

Zij zeiden: "Zweert elkander een eed bij Allah, dat wij in de nacht een heimelijke aanval zullen doen op hem en zijn huisgezin, en dat wij dan tot zijn erfgenaam zullen zeggen (wanneer hij wraak zoekt): 'Wij waren niet aanwezig bij de moord op zijn huisgezin, en wij spreken stellig de waarheid.'"

قَالُوا۟ تَقَاسَمُوا۟ بِٱللَّهِ لَنُبَيِّتَنَّهُۥ وَأَهْلَهُۥ ثُمَّ لَنَقُولَنَّ لِوَلِيِّهِۦ مَا شَهِدْنَا مَهْلِكَ أَهْلِهِۦ وَإِنَّا لَصَٰدِقُونَ

50

Zij smeedden plannen en beraamden, maar Wij beraamden ook, terwijl zij het niet bemerkten.

وَمَكَرُوا۟ مَكْرًا وَمَكَرْنَا مَكْرًا وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ

51

Zie dan wat het einde was van hun plan! Dit, dat Wij hen en hun volk verdelgden, allen (tezamen).

فَٱنظُرْ كَيْفَ كَانَ عَٰقِبَةُ مَكْرِهِمْ أَنَّا دَمَّرْنَٰهُمْ وَقَوْمَهُمْ أَجْمَعِينَ

52

Zo waren nu hun huizen, geheel verwoest, omdat zij onrecht bedreven. Voorwaar, hierin is een teken voor mensen van kennis.

فَتِلْكَ بُيُوتُهُمْ خَاوِيَةًۢ بِمَا ظَلَمُوٓا۟ إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَـَٔايَةً لِّقَوْمٍ يَعْلَمُونَ

53

En Wij redden hen die geloofden en gerechtigheid betrachtten.

وَأَنجَيْنَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَكَانُوا۟ يَتَّقُونَ

Lot en zijn volk

54

(Wij zonden ook) Lot (als boodschapper): zie, hij zei tot zijn volk: "Doet u wat schandelijk is, hoewel u (de ongerechtigheid ervan) ziet?"

وَلُوطًا إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِۦٓ أَتَأْتُونَ ٱلْفَٰحِشَةَ وَأَنتُمْ تُبْصِرُونَ

55

Zoudt u waarlijk in uw lusten mannen benaderen in plaats van vrouwen? Nee, u bent een (uiterst) onwetend volk!

أَئِنَّكُمْ لَتَأْتُونَ ٱلرِّجَالَ شَهْوَةً مِّن دُونِ ٱلنِّسَآءِ بَلْ أَنتُمْ قَوْمٌ تَجْهَلُونَ

56

Maar zijn volk gaf geen ander antwoord dan dit: zij zeiden: "Verdrijft de volgelingen van Lot uit uw stad: dit zijn waarlijk mensen die rein en zuiver willen zijn!"

فَمَا كَانَ جَوَابَ قَوْمِهِۦٓ إِلَّآ أَن قَالُوٓا۟ أَخْرِجُوٓا۟ ءَالَ لُوطٍ مِّن قَرْيَتِكُمْ إِنَّهُمْ أُنَاسٌ يَتَطَهَّرُونَ

57

Maar Wij redden hem en zijn huisgezin, behalve zijn vrouw; haar bestemden Wij om te zijn onder hen die achterbleven.

فَأَنجَيْنَٰهُ وَأَهْلَهُۥٓ إِلَّا ٱمْرَأَتَهُۥ قَدَّرْنَٰهَا مِنَ ٱلْغَٰبِرِينَ

58

En Wij deden een regen (van zwavel) op hen neerdalen: en kwaad was de regen voor hen die gewaarschuwd waren (maar niet luisterden)!

وَأَمْطَرْنَا عَلَيْهِم مَّطَرًا فَسَآءَ مَطَرُ ٱلْمُنذَرِينَ

Vragen over God als schepper

59

Zeg: Lof zij Allah, en vrede over Zijn dienaren die Hij verkoren heeft (voor Zijn boodschap). (Wie) is beter? Allah, of de valse goden die zij (met Hem) vereenzelvigen?

قُلِ ٱلْحَمْدُ لِلَّهِ وَسَلَٰمٌ عَلَىٰ عِبَادِهِ ٱلَّذِينَ ٱصْطَفَىٰٓ ءَآللَّهُ خَيْرٌ أَمَّا يُشْرِكُونَ

60

Of: Wie heeft de hemelen en de aarde geschapen, en Wie zendt u regen neer uit de hemel? Ja, daarmee doen Wij welbeplante boomgaarden groeien, vol schoonheid en verrukking: het staat niet in uw macht de bomen daarin te doen groeien. (Kan er een andere) god zijn naast Allah? Nee, zij zijn een volk dat van de gerechtigheid afwijkt.

أَمَّنْ خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضَ وَأَنزَلَ لَكُم مِّنَ ٱلسَّمَآءِ مَآءً فَأَنۢبَتْنَا بِهِۦ حَدَآئِقَ ذَاتَ بَهْجَةٍ مَّا كَانَ لَكُمْ أَن تُنۢبِتُوا۟ شَجَرَهَآ أَءِلَٰهٌ مَّعَ ٱللَّهِ بَلْ هُمْ قَوْمٌ يَعْدِلُونَ

61

Of: Wie heeft de aarde vast gemaakt om op te wonen; rivieren in haar midden gemaakt; daarop onwrikbare bergen gezet; en een scheidsmuur gemaakt tussen de twee stromende wateren? (Kan er een andere) god zijn naast Allah? Nee, de meesten van hen weten het niet.

أَمَّن جَعَلَ ٱلْأَرْضَ قَرَارًا وَجَعَلَ خِلَٰلَهَآ أَنْهَٰرًا وَجَعَلَ لَهَا رَوَٰسِىَ وَجَعَلَ بَيْنَ ٱلْبَحْرَيْنِ حَاجِزًا أَءِلَٰهٌ مَّعَ ٱللَّهِ بَلْ أَكْثَرُهُمْ لَا يَعْلَمُونَ

62

Of: Wie verhoort de benauwde (ziel) wanneer zij Hem aanroept, en Wie verlicht haar lijden, en maakt u (mensen) tot erfgenamen van de aarde? (Kan er een andere) god zijn naast Allah? Weinig is het dat u ter harte neemt!

أَمَّن يُجِيبُ ٱلْمُضْطَرَّ إِذَا دَعَاهُ وَيَكْشِفُ ٱلسُّوٓءَ وَيَجْعَلُكُمْ خُلَفَآءَ ٱلْأَرْضِ أَءِلَٰهٌ مَّعَ ٱللَّهِ قَلِيلًا مَّا تَذَكَّرُونَ

63

Of: Wie leidt u door de diepten van duisternis op land en zee, en Wie zendt de winden als voorboden van blijde tijdingen, uitgaande voor Zijn barmhartigheid? (Kan er een andere) god zijn naast Allah? Hoog verheven is Allah boven wat zij met Hem vereenzelvigen!

أَمَّن يَهْدِيكُمْ فِى ظُلُمَٰتِ ٱلْبَرِّ وَٱلْبَحْرِ وَمَن يُرْسِلُ ٱلرِّيَٰحَ بُشْرًۢا بَيْنَ يَدَىْ رَحْمَتِهِۦٓ أَءِلَٰهٌ مَّعَ ٱللَّهِ تَعَٰلَى ٱللَّهُ عَمَّا يُشْرِكُونَ

64

Of: Wie brengt de schepping voort en herhaalt haar daarna, en wie geeft u onderhoud uit hemel en aarde? (Kan er een andere) god zijn naast Allah? Zeg: "Brengt uw bewijs voort, indien u de waarheid spreekt!"

أَمَّن يَبْدَؤُا۟ ٱلْخَلْقَ ثُمَّ يُعِيدُهُۥ وَمَن يَرْزُقُكُم مِّنَ ٱلسَّمَآءِ وَٱلْأَرْضِ أَءِلَٰهٌ مَّعَ ٱللَّهِ قُلْ هَاتُوا۟ بُرْهَٰنَكُمْ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ

65

Zeg: Niemand in de hemelen of op de aarde, behalve Allah, weet wat verborgen is: en zij kunnen ook niet bemerken wanneer zij zullen worden opgewekt (voor het oordeel).

قُل لَّا يَعْلَمُ مَن فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ ٱلْغَيْبَ إِلَّا ٱللَّهُ وَمَا يَشْعُرُونَ أَيَّانَ يُبْعَثُونَ

66

Nog minder kan hun kennis het hiernamaals bevatten: nee, zij zijn in twijfel en onzekerheid daaromtrent; nee, zij zijn er blind voor!

بَلِ ٱدَّٰرَكَ عِلْمُهُمْ فِى ٱلْـَٔاخِرَةِ بَلْ هُمْ فِى شَكٍّ مِّنْهَا بَلْ هُم مِّنْهَا عَمُونَ

Het loochenen van de opstanding

67

De ongelovigen zeggen: "Wat! Wanneer wij stof geworden zijn, wij en onze vaderen, zullen wij dan waarlijk worden opgewekt (uit de doden)?"

وَقَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓا۟ أَءِذَا كُنَّا تُرَٰبًا وَءَابَآؤُنَآ أَئِنَّا لَمُخْرَجُونَ

68

"Het is waar dat dit ons beloofd is, ons en onze vaderen vóór (ons): dit zijn niets dan fabelen van de ouden."

لَقَدْ وُعِدْنَا هَٰذَا نَحْنُ وَءَابَآؤُنَا مِن قَبْلُ إِنْ هَٰذَآ إِلَّآ أَسَٰطِيرُ ٱلْأَوَّلِينَ

69

Zeg: "Trekt door de aarde en ziet wat het einde is geweest van hen die schuldig waren (aan zonde)."

قُلْ سِيرُوا۟ فِى ٱلْأَرْضِ فَٱنظُرُوا۟ كَيْفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلْمُجْرِمِينَ

70

Maar treur niet over hen, en wees niet benauwd vanwege hun listen.

وَلَا تَحْزَنْ عَلَيْهِمْ وَلَا تَكُن فِى ضَيْقٍ مِّمَّا يَمْكُرُونَ

71

Zij zeggen ook: "Wanneer zal deze belofte (in vervulling gaan)? (Zeg het) indien u waarachtig bent."

وَيَقُولُونَ مَتَىٰ هَٰذَا ٱلْوَعْدُ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ

72

Zeg: "Het kan zijn dat een deel van hetgeen u wenst te verhaasten, u (dicht) op de hielen zit!"

قُلْ عَسَىٰٓ أَن يَكُونَ رَدِفَ لَكُم بَعْضُ ٱلَّذِى تَسْتَعْجِلُونَ

73

Maar voorwaar, uw Heer is vol genade voor de mensen: toch zijn de meesten van hen ondankbaar.

وَإِنَّ رَبَّكَ لَذُو فَضْلٍ عَلَى ٱلنَّاسِ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَهُمْ لَا يَشْكُرُونَ

74

En voorwaar, uw Heer weet alles wat hun harten verbergen, alsook alles wat zij openbaren.

وَإِنَّ رَبَّكَ لَيَعْلَمُ مَا تُكِنُّ صُدُورُهُمْ وَمَا يُعْلِنُونَ

75

En er is niets van het onzienlijke, in hemel of op aarde, of het is (opgetekend) in een duidelijk register.

وَمَا مِنْ غَآئِبَةٍ فِى ٱلسَّمَآءِ وَٱلْأَرْضِ إِلَّا فِى كِتَٰبٍ مُّبِينٍ

De Koran en het naderende oordeel

76

Voorwaar, deze Koran verklaart aan de kinderen van Israël de meeste van de zaken waarover zij van mening verschillen.

إِنَّ هَٰذَا ٱلْقُرْءَانَ يَقُصُّ عَلَىٰ بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ أَكْثَرَ ٱلَّذِى هُمْ فِيهِ يَخْتَلِفُونَ

77

En hij is voorzeker een leiding en een barmhartigheid voor hen die geloven.

وَإِنَّهُۥ لَهُدًى وَرَحْمَةٌ لِّلْمُؤْمِنِينَ

78

Voorwaar, uw Heer zal tussen hen beslissen door Zijn besluit: en Hij is de Verhevene in macht, de Alwetende.

إِنَّ رَبَّكَ يَقْضِى بَيْنَهُم بِحُكْمِهِۦ وَهُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلْعَلِيمُ

79

Stel dan uw vertrouwen op Allah: want u bent op (het pad van) de klaarblijkelijke waarheid.

فَتَوَكَّلْ عَلَى ٱللَّهِ إِنَّكَ عَلَى ٱلْحَقِّ ٱلْمُبِينِ

80

Voorwaar, u kunt de doden niet doen luisteren, en u kunt de doven de roep niet doen horen, (vooral) wanneer zij zich omkeren en terugtrekken.

إِنَّكَ لَا تُسْمِعُ ٱلْمَوْتَىٰ وَلَا تُسْمِعُ ٱلصُّمَّ ٱلدُّعَآءَ إِذَا وَلَّوْا۟ مُدْبِرِينَ

81

En u kunt ook geen leidsman zijn voor de blinden, (om hen te weerhouden) van het afdwalen: alleen hen zult u tot luisteren brengen die in Onze tekenen geloven, en zij zullen zich buigen in de islam.

وَمَآ أَنتَ بِهَٰدِى ٱلْعُمْىِ عَن ضَلَٰلَتِهِمْ إِن تُسْمِعُ إِلَّا مَن يُؤْمِنُ بِـَٔايَٰتِنَا فَهُم مُّسْلِمُونَ

82

En wanneer het woord tegen hen (de onrechtvaardigen) vervuld wordt, zullen Wij uit de aarde een beest voortbrengen om hen (tegemoet te treden): het zal tot hen spreken, omdat de mensen niet met zekerheid in Onze tekenen geloofden.

وَإِذَا وَقَعَ ٱلْقَوْلُ عَلَيْهِمْ أَخْرَجْنَا لَهُمْ دَآبَّةً مِّنَ ٱلْأَرْضِ تُكَلِّمُهُمْ أَنَّ ٱلنَّاسَ كَانُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَا لَا يُوقِنُونَ

83

Op een dag zullen Wij uit elk volk een schare bijeenbrengen van hen die Onze tekenen verwerpen, en zij zullen in gelederen gehouden worden,

وَيَوْمَ نَحْشُرُ مِن كُلِّ أُمَّةٍ فَوْجًا مِّمَّن يُكَذِّبُ بِـَٔايَٰتِنَا فَهُمْ يُوزَعُونَ

84

Totdat, wanneer zij (voor de rechterstoel) komen, (Allah) zal zeggen: "Hebt u Mijn tekenen verworpen, hoewel u ze met uw kennis niet bevat hebt, of wat was het dat u deed?"

حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءُو قَالَ أَكَذَّبْتُم بِـَٔايَٰتِى وَلَمْ تُحِيطُوا۟ بِهَا عِلْمًا أَمَّاذَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ

85

En het woord zal tegen hen vervuld worden, vanwege hun onrecht, en zij zullen niet kunnen spreken (tot verweer).

وَوَقَعَ ٱلْقَوْلُ عَلَيْهِم بِمَا ظَلَمُوا۟ فَهُمْ لَا يَنطِقُونَ

86

Zien zij niet dat Wij de nacht voor hen gemaakt hebben om in te rusten, en de dag om hun licht te geven? Voorwaar, hierin zijn tekenen voor elk volk dat gelooft!

أَلَمْ يَرَوْا۟ أَنَّا جَعَلْنَا ٱلَّيْلَ لِيَسْكُنُوا۟ فِيهِ وَٱلنَّهَارَ مُبْصِرًا إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَـَٔايَٰتٍ لِّقَوْمٍ يُؤْمِنُونَ

87

En de dag dat de bazuin geblazen zal worden — dan zullen met schrik geslagen worden zij die in de hemelen zijn, en zij die op de aarde zijn, behalve wie het Allah behaagt (uit te zonderen): en allen zullen tot Zijn (tegenwoordigheid) komen als wezens die zich hun geringheid bewust zijn.

وَيَوْمَ يُنفَخُ فِى ٱلصُّورِ فَفَزِعَ مَن فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَن فِى ٱلْأَرْضِ إِلَّا مَن شَآءَ ٱللَّهُ وَكُلٌّ أَتَوْهُ دَٰخِرِينَ

88

U ziet de bergen en meent dat zij vast gegrondvest zijn: maar zij zullen voorbijgaan zoals de wolken voorbijgaan: (zodanig is) het kunstwerk van Allah, Die alle dingen in volmaakte orde beschikt: want Hij is welbekend met alles wat u doet.

وَتَرَى ٱلْجِبَالَ تَحْسَبُهَا جَامِدَةً وَهِىَ تَمُرُّ مَرَّ ٱلسَّحَابِ صُنْعَ ٱللَّهِ ٱلَّذِىٓ أَتْقَنَ كُلَّ شَىْءٍ إِنَّهُۥ خَبِيرٌۢ بِمَا تَفْعَلُونَ

89

Wie goed doet, hem zal daaruit goed (toekomen); en zij zullen op die dag veilig zijn voor schrik.

مَن جَآءَ بِٱلْحَسَنَةِ فَلَهُۥ خَيْرٌ مِّنْهَا وَهُم مِّن فَزَعٍ يَوْمَئِذٍ ءَامِنُونَ

90

En wie kwaad doet, hun aangezichten zullen voorover in het vuur geworpen worden: "Ontvangt u een andere vergelding dan hetgeen u door uw daden verdiend hebt?"

وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَكُبَّتْ وُجُوهُهُمْ فِى ٱلنَّارِ هَلْ تُجْزَوْنَ إِلَّا مَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ

91

Wat mij betreft, mij is bevolen de Heer van deze stad te dienen, Hem Die haar geheiligd heeft en aan Wie alle dingen (toebehoren): en mij is bevolen te zijn onder hen die zich in de islam buigen voor Allahs wil,

إِنَّمَآ أُمِرْتُ أَنْ أَعْبُدَ رَبَّ هَٰذِهِ ٱلْبَلْدَةِ ٱلَّذِى حَرَّمَهَا وَلَهُۥ كُلُّ شَىْءٍ وَأُمِرْتُ أَنْ أَكُونَ مِنَ ٱلْمُسْلِمِينَ

92

En de Koran voor te dragen: en wie de leiding aanneemt, die doet het ten goede van zijn eigen ziel, en wie afdwaalt, zeg: "Ik ben slechts een waarschuwer".

وَأَنْ أَتْلُوَا۟ ٱلْقُرْءَانَ فَمَنِ ٱهْتَدَىٰ فَإِنَّمَا يَهْتَدِى لِنَفْسِهِۦ وَمَن ضَلَّ فَقُلْ إِنَّمَآ أَنَا۠ مِنَ ٱلْمُنذِرِينَ

93

En zeg: "Lof zij Allah, Die u weldra Zijn tekenen zal tonen, zodat u ze zult kennen"; en uw Heer is niet onachtzaam jegens alles wat u doet.

وَقُلِ ٱلْحَمْدُ لِلَّهِ سَيُرِيكُمْ ءَايَٰتِهِۦ فَتَعْرِفُونَهَا وَمَا رَبُّكَ بِغَٰفِلٍ عَمَّا تَعْمَلُونَ