Open Koran Weergave
Deze site is in concept en onder zware bewerking. Versie 1 staat gepland voor 1 september 2026.

Soera 37. As-Saaffaat — De In Rijen Geschaarden

Deze vertaling is in bewerking en heeft de status van een concept; de tekst wordt nog gecontroleerd en kan wijzigen.

De Nederlandse weergave van soera 37 (As-Saaffaat, “De In Rijen Geschaarden”), 182 verzen, naar de Engelse vertaling van Abdullah Yusuf Ali (1934, publiek domein). Lees deze soera interactief met het Arabische origineel, transliteratie, voorleesfunctie en toelichting.

De eenheid van Allah en de bewaakte hemel

1

Bij hen die zich in rijen scharen,

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ وَٱلصَّٰٓفَّٰتِ صَفًّا

2

En zo sterk zijn in het afweren (van het kwaad),

فَٱلزَّٰجِرَٰتِ زَجْرًا

3

En aldus de boodschap (van Allah) verkondigen!

فَٱلتَّٰلِيَٰتِ ذِكْرًا

4

Voorwaar, voorwaar, uw Allah is één!-

إِنَّ إِلَٰهَكُمْ لَوَٰحِدٌ

5

Heer van de hemelen en van de aarde en alles daartussen, en Heer van elk punt bij de opgang van de zon!

رَّبُّ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا وَرَبُّ ٱلْمَشَٰرِقِ

6

Wij hebben voorzeker de laagste hemel getooid met schoonheid, (in) de sterren,-

إِنَّا زَيَّنَّا ٱلسَّمَآءَ ٱلدُّنْيَا بِزِينَةٍ ٱلْكَوَاكِبِ

7

(Tot schoonheid) en tot bescherming tegen alle halsstarrige, opstandige boze geesten,

وَحِفْظًا مِّن كُلِّ شَيْطَٰنٍ مَّارِدٍ

8

(Zodat) zij hun oren niet zouden spitsen in de richting van de Verheven Vergadering, maar van elke zijde worden weggeworpen,

لَّا يَسَّمَّعُونَ إِلَى ٱلْمَلَإِ ٱلْأَعْلَىٰ وَيُقْذَفُونَ مِن كُلِّ جَانِبٍ

9

Verdreven, want zij zijn onder een eeuwigdurende straf,

دُحُورًا وَلَهُمْ عَذَابٌ وَاصِبٌ

10

Behalve wie heimelijk iets wegrooft, en zij worden achtervolgd door een vlammend vuur van doordringende helderheid.

إِلَّا مَنْ خَطِفَ ٱلْخَطْفَةَ فَأَتْبَعَهُۥ شِهَابٌ ثَاقِبٌ

11

Vraag hun slechts naar hun mening: zijn zij moeilijker te scheppen, of de (andere) schepselen die Wij geschapen hebben? Hen hebben Wij geschapen uit kleverige klei!

فَٱسْتَفْتِهِمْ أَهُمْ أَشَدُّ خَلْقًا أَم مَّنْ خَلَقْنَآ إِنَّا خَلَقْنَٰهُم مِّن طِينٍ لَّازِبٍۭ

Spot met de opstanding en het oordeel over de zondaren

12

Waarlijk, u verwondert zich, terwijl zij spotten,

بَلْ عَجِبْتَ وَيَسْخَرُونَ

13

En wanneer zij vermaand worden, slaan zij er geen acht op,-

وَإِذَا ذُكِّرُوا۟ لَا يَذْكُرُونَ

14

En wanneer zij een teken zien, maken zij het tot spot,

وَإِذَا رَأَوْا۟ ءَايَةً يَسْتَسْخِرُونَ

15

En zeggen: "Dit is niets dan klaarblijkelijke tovenarij!"

وَقَالُوٓا۟ إِنْ هَٰذَآ إِلَّا سِحْرٌ مُّبِينٌ

16

"Wat! wanneer wij sterven en stof en beenderen worden, zullen wij (dan) (weer) worden opgewekt?"

أَءِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَٰمًا أَءِنَّا لَمَبْعُوثُونَ

17

"En ook onze vaderen vanouds?"

أَوَءَابَآؤُنَا ٱلْأَوَّلُونَ

18

Zeg: "Ja, en u zult dan vernederd worden (vanwege uw kwaad)."

قُلْ نَعَمْ وَأَنتُمْ دَٰخِرُونَ

19

Dan zal het één enkele (dwingende) kreet zijn; en zie, zij zullen beginnen te zien!

فَإِنَّمَا هِىَ زَجْرَةٌ وَٰحِدَةٌ فَإِذَا هُمْ يَنظُرُونَ

20

Zij zullen zeggen: "Ach! Wee ons! Dit is de dag van het oordeel!"

وَقَالُوا۟ يَٰوَيْلَنَا هَٰذَا يَوْمُ ٱلدِّينِ

21

(Een stem zal zeggen:) "Dit is de dag van de scheiding, waarvan u de waarheid (eens) geloochend hebt!"

هَٰذَا يَوْمُ ٱلْفَصْلِ ٱلَّذِى كُنتُم بِهِۦ تُكَذِّبُونَ

22

"Breng op", zal er gezegd worden, "de onrechtdoeners en hun vrouwen, en de dingen die zij aanbaden-"

ٱحْشُرُوا۟ ٱلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ وَأَزْوَٰجَهُمْ وَمَا كَانُوا۟ يَعْبُدُونَ

23

"Naast Allah, en leid hen naar de weg naar het (felle) vuur!"

مِن دُونِ ٱللَّهِ فَٱهْدُوهُمْ إِلَىٰ صِرَٰطِ ٱلْجَحِيمِ

24

"Maar houd hen staande, want zij moeten ondervraagd worden:"

وَقِفُوهُمْ إِنَّهُم مَّسْـُٔولُونَ

25

"'Wat is er met u, dat u elkander niet helpt?'"

مَا لَكُمْ لَا تَنَاصَرُونَ

26

Nee, maar op die dag zullen zij zich onderwerpen (aan het oordeel);

بَلْ هُمُ ٱلْيَوْمَ مُسْتَسْلِمُونَ

27

En zij zullen zich tot elkander wenden en elkander ondervragen.

وَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ يَتَسَآءَلُونَ

28

Zij zullen zeggen: "U was het die tot ons placht te komen van de rechterhand (van macht en gezag)!"

قَالُوٓا۟ إِنَّكُمْ كُنتُمْ تَأْتُونَنَا عَنِ ٱلْيَمِينِ

29

Zij zullen antwoorden: "Nee, u zelf had geen geloof!"

قَالُوا۟ بَل لَّمْ تَكُونُوا۟ مُؤْمِنِينَ

30

"En wij hadden geen gezag over u. Nee, u was het die een volk in halsstarrige opstand was!"

وَمَا كَانَ لَنَا عَلَيْكُم مِّن سُلْطَٰنٍۭ بَلْ كُنتُمْ قَوْمًا طَٰغِينَ

31

"Zo is nu tegen ons het woord van onze Heer bewaarheid, dat wij voorzeker (de straf van onze zonden) zullen (moeten) proeven."

فَحَقَّ عَلَيْنَا قَوْلُ رَبِّنَآ إِنَّا لَذَآئِقُونَ

32

"Wij hebben u doen afdwalen, want waarlijk, wij waren zelf afgedwaald."

فَأَغْوَيْنَٰكُمْ إِنَّا كُنَّا غَٰوِينَ

33

Waarlijk, op die dag zullen zij (allen) delen in de straf.

فَإِنَّهُمْ يَوْمَئِذٍ فِى ٱلْعَذَابِ مُشْتَرِكُونَ

34

Voorwaar, zo zullen Wij met de zondaren handelen.

إِنَّا كَذَٰلِكَ نَفْعَلُ بِٱلْمُجْرِمِينَ

35

Want zij, wanneer hun gezegd werd dat er geen god is behalve Allah, bliezen zich op in hoogmoed,

إِنَّهُمْ كَانُوٓا۟ إِذَا قِيلَ لَهُمْ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا ٱللَّهُ يَسْتَكْبِرُونَ

36

En zeiden: "Wat! zullen wij onze goden opgeven ter wille van een bezeten dichter?"

وَيَقُولُونَ أَئِنَّا لَتَارِكُوٓا۟ ءَالِهَتِنَا لِشَاعِرٍ مَّجْنُونٍۭ

37

Nee! hij is gekomen met de (zuivere) waarheid, en hij bevestigt (de boodschap van) de boodschappers (vóór hem).

بَلْ جَآءَ بِٱلْحَقِّ وَصَدَّقَ ٱلْمُرْسَلِينَ

38

U zult voorzeker van de smartelijke straf proeven;-

إِنَّكُمْ لَذَآئِقُوا۟ ٱلْعَذَابِ ٱلْأَلِيمِ

39

Maar het zal niet meer zijn dan de vergelding van (het kwaad) dat u bedreven hebt;-

وَمَا تُجْزَوْنَ إِلَّا مَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ

De beloning van de gelovigen in het paradijs

40

Maar de oprechte (en toegewijde) dienaren van Allah,-

إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ

41

Voor hen is er een vastgestelde voorziening,

أُو۟لَٰٓئِكَ لَهُمْ رِزْقٌ مَّعْلُومٌ

42

Vruchten (verrukkingen); en zij (zullen) eer en waardigheid (genieten),

فَوَٰكِهُ وَهُم مُّكْرَمُونَ

43

In hoven van gelukzaligheid,

فِى جَنَّٰتِ ٱلنَّعِيمِ

44

Tegenover elkander op tronen (van waardigheid):

عَلَىٰ سُرُرٍ مُّتَقَٰبِلِينَ

45

Rondgereikt zal hun worden een beker uit een helder stromende bron,

يُطَافُ عَلَيْهِم بِكَأْسٍ مِّن مَّعِينٍۭ

46

Kristalwit, van een smaak heerlijk voor hen die (daarvan) drinken,

بَيْضَآءَ لَذَّةٍ لِّلشَّٰرِبِينَ

47

Vrij van bedwelming; en zij zullen daardoor niet beneveld worden.

لَا فِيهَا غَوْلٌ وَلَا هُمْ عَنْهَا يُنزَفُونَ

48

En bij hen zullen kuise vrouwen zijn, die haar blikken neerslaan, met grote ogen (van verwondering en schoonheid).

وَعِندَهُمْ قَٰصِرَٰتُ ٱلطَّرْفِ عِينٌ

49

Alsof zij (tere) eieren waren, zorgvuldig bewaard.

كَأَنَّهُنَّ بَيْضٌ مَّكْنُونٌ

Het gesprek over de ongelovige boezemvriend

50

Dan zullen zij zich tot elkander wenden en elkander ondervragen.

فَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ يَتَسَآءَلُونَ

51

Een van hen zal het gesprek beginnen en zeggen: "Ik had een boezemvriend (op de aarde),"

قَالَ قَآئِلٌ مِّنْهُمْ إِنِّى كَانَ لِى قَرِينٌ

52

"Die placht te zeggen: 'wat! behoort u tot hen die getuigen van de waarheid (van de boodschap)?"

يَقُولُ أَءِنَّكَ لَمِنَ ٱلْمُصَدِّقِينَ

53

"'Wanneer wij sterven en stof en beenderen worden, zullen wij dan voorzeker beloningen en straffen ontvangen?'"

أَءِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَٰمًا أَءِنَّا لَمَدِينُونَ

54

(Een stem) zei: "Wilt u naar beneden zien?"

قَالَ هَلْ أَنتُم مُّطَّلِعُونَ

55

Hij zag naar beneden en zag hem in het midden van het vuur.

فَٱطَّلَعَ فَرَءَاهُ فِى سَوَآءِ ٱلْجَحِيمِ

56

Hij zei: "Bij Allah! het scheelde weinig of u had mij in het verderf gestort!"

قَالَ تَٱللَّهِ إِن كِدتَّ لَتُرْدِينِ

57

"Ware het niet om de genade van mijn Heer geweest, ik zou zeker behoord hebben tot hen die (daarheen) gebracht zijn!"

وَلَوْلَا نِعْمَةُ رَبِّى لَكُنتُ مِنَ ٱلْمُحْضَرِينَ

58

"Is het (zo) dat wij niet zullen sterven,"

أَفَمَا نَحْنُ بِمَيِّتِينَ

59

"Behalve onze eerste dood, en dat wij niet gestraft zullen worden?"

إِلَّا مَوْتَتَنَا ٱلْأُولَىٰ وَمَا نَحْنُ بِمُعَذَّبِينَ

60

Voorwaar, dit is de allerhoogste zegepraal!

إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ ٱلْفَوْزُ ٱلْعَظِيمُ

61

Laat om iets als dit allen streven, die streven willen.

لِمِثْلِ هَٰذَا فَلْيَعْمَلِ ٱلْعَٰمِلُونَ

De boom Zaqqoem en de straf

62

Is dat het betere onthaal, of de boom van Zaqqum?

أَذَٰلِكَ خَيْرٌ نُّزُلًا أَمْ شَجَرَةُ ٱلزَّقُّومِ

63

Want Wij hebben hem waarlijk (als) een beproeving voor de onrechtdoeners gemaakt.

إِنَّا جَعَلْنَٰهَا فِتْنَةً لِّلظَّٰلِمِينَ

64

Want het is een boom die opschiet uit de bodem van het hellevuur:

إِنَّهَا شَجَرَةٌ تَخْرُجُ فِىٓ أَصْلِ ٱلْجَحِيمِ

65

De scheuten van zijn vruchtstelen zijn als de koppen van duivels:

طَلْعُهَا كَأَنَّهُۥ رُءُوسُ ٱلشَّيَٰطِينِ

66

Waarlijk, zij zullen daarvan eten en hun buiken daarmee vullen.

فَإِنَّهُمْ لَـَٔاكِلُونَ مِنْهَا فَمَالِـُٔونَ مِنْهَا ٱلْبُطُونَ

67

Daarna zal hun daarbovenop een mengsel van kokend water gegeven worden.

ثُمَّ إِنَّ لَهُمْ عَلَيْهَا لَشَوْبًا مِّنْ حَمِيمٍ

68

Dan zal hun terugkeer tot het (laaiende) vuur zijn.

ثُمَّ إِنَّ مَرْجِعَهُمْ لَإِلَى ٱلْجَحِيمِ

69

Waarlijk, zij vonden hun vaderen op het verkeerde pad;

إِنَّهُمْ أَلْفَوْا۟ ءَابَآءَهُمْ ضَآلِّينَ

70

Dus werden zij (ook) voortgejaagd in hun voetstappen!

فَهُمْ عَلَىٰٓ ءَاثَٰرِهِمْ يُهْرَعُونَ

71

En waarlijk, vóór hen dwaalden velen van de ouden af;-

وَلَقَدْ ضَلَّ قَبْلَهُمْ أَكْثَرُ ٱلْأَوَّلِينَ

72

Maar Wij zonden voorheen onder hen (boodschappers) om hen te vermanen;-

وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا فِيهِم مُّنذِرِينَ

73

Zie dan wat het einde was van hen die vermaand werden (maar geen acht sloegen),-

فَٱنظُرْ كَيْفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلْمُنذَرِينَ

74

Behalve de oprechte (en toegewijde) dienaren van Allah.

إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ

Noach gered uit de vloed

75

(In de dagen vanouds) riep Noach tot Ons, en Wij zijn de beste om het gebed te horen.

وَلَقَدْ نَادَىٰنَا نُوحٌ فَلَنِعْمَ ٱلْمُجِيبُونَ

76

En Wij verlosten hem en zijn volk uit de grote ramp,

وَنَجَّيْنَٰهُ وَأَهْلَهُۥ مِنَ ٱلْكَرْبِ ٱلْعَظِيمِ

77

En Wij deden zijn nageslacht voortbestaan (op deze aarde);

وَجَعَلْنَا ذُرِّيَّتَهُۥ هُمُ ٱلْبَاقِينَ

78

En Wij lieten (deze zegen) voor hem na onder de geslachten die zouden komen in latere tijden:

وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ

79

"Vrede en heilgroet over Noach onder de volken!"

سَلَٰمٌ عَلَىٰ نُوحٍ فِى ٱلْعَٰلَمِينَ

80

Zo belonen Wij voorzeker hen die goeddoen.

إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ

81

Want hij was een van Onze gelovige dienaren.

إِنَّهُۥ مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ

82

Daarna bedolven Wij de overigen in de vloed.

ثُمَّ أَغْرَقْنَا ٱلْـَٔاخَرِينَ

Abraham breekt met de afgoden

83

Voorwaar, onder hen die zijn weg volgden, was Abraham.

وَإِنَّ مِن شِيعَتِهِۦ لَإِبْرَٰهِيمَ

84

Zie! hij naderde tot zijn Heer met een gaaf hart.

إِذْ جَآءَ رَبَّهُۥ بِقَلْبٍ سَلِيمٍ

85

Zie! hij zei tot zijn vader en tot zijn volk: "Wat is dat wat u aanbidt?"

إِذْ قَالَ لِأَبِيهِ وَقَوْمِهِۦ مَاذَا تَعْبُدُونَ

86

"Is het een leugen- goden buiten Allah- die u begeert?"

أَئِفْكًا ءَالِهَةً دُونَ ٱللَّهِ تُرِيدُونَ

87

"Wat is dan uw gedachte over de Heer van de werelden?"

فَمَا ظَنُّكُم بِرَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ

88

Toen wierp hij een blik op de sterren.

فَنَظَرَ نَظْرَةً فِى ٱلنُّجُومِ

89

En hij zei: "Ik ben voorzeker ziek (van hart)!"

فَقَالَ إِنِّى سَقِيمٌ

90

Dus keerden zij zich van hem af en gingen heen.

فَتَوَلَّوْا۟ عَنْهُ مُدْبِرِينَ

91

Toen wendde hij zich tot hun goden en zei: "Wilt u niet eten (van de offergaven vóór u)?..."

فَرَاغَ إِلَىٰٓ ءَالِهَتِهِمْ فَقَالَ أَلَا تَأْكُلُونَ

92

"Wat is er met u, dat u niet (verstandig) spreekt?"

مَا لَكُمْ لَا تَنطِقُونَ

93

Toen keerde hij zich tegen hen, (hen) slaande met de rechterhand.

فَرَاغَ عَلَيْهِمْ ضَرْبًۢا بِٱلْيَمِينِ

94

Toen kwamen (de aanbidders) met haastige schreden en traden (hem) tegemoet.

فَأَقْبَلُوٓا۟ إِلَيْهِ يَزِفُّونَ

95

Hij zei: "Aanbidt u dat wat u (zelf) gehouwen hebt?"

قَالَ أَتَعْبُدُونَ مَا تَنْحِتُونَ

96

"Maar Allah heeft u geschapen en uw handwerk!"

وَٱللَّهُ خَلَقَكُمْ وَمَا تَعْمَلُونَ

97

Zij zeiden: "Bouw voor hem een oven, en werp hem in het laaiende vuur!"

قَالُوا۟ ٱبْنُوا۟ لَهُۥ بُنْيَٰنًا فَأَلْقُوهُ فِى ٱلْجَحِيمِ

98

(Toen dit mislukte) zochten zij vervolgens een list tegen hem, maar Wij maakten hen tot de meest vernederden!

فَأَرَادُوا۟ بِهِۦ كَيْدًا فَجَعَلْنَٰهُمُ ٱلْأَسْفَلِينَ

Het offer van Abrahams zoon

99

Hij zei: "Ik zal tot mijn Heer gaan! Hij zal mij zeker leiden!"

وَقَالَ إِنِّى ذَاهِبٌ إِلَىٰ رَبِّى سَيَهْدِينِ

100

"O mijn Heer! Schenk mij een rechtvaardige (zoon)!"

رَبِّ هَبْ لِى مِنَ ٱلصَّٰلِحِينَ

101

Dus gaven Wij hem de goede tijding van een jongen, bereid om te lijden en te verdragen.

فَبَشَّرْنَٰهُ بِغُلَٰمٍ حَلِيمٍ

102

Toen, toen (de zoon) (de leeftijd van) (ernstig) werk met hem bereikte, zei hij: "O mijn zoon! Ik zie in een visioen dat ik u offer: zie nu wat uw mening is!" (De zoon) zei: "O mijn vader! Doe zoals u bevolen is: u zult mij, indien Allah het zo wil, vinden als een die geduld en standvastigheid betracht!"

فَلَمَّا بَلَغَ مَعَهُ ٱلسَّعْىَ قَالَ يَٰبُنَىَّ إِنِّىٓ أَرَىٰ فِى ٱلْمَنَامِ أَنِّىٓ أَذْبَحُكَ فَٱنظُرْ مَاذَا تَرَىٰ قَالَ يَٰٓأَبَتِ ٱفْعَلْ مَا تُؤْمَرُ سَتَجِدُنِىٓ إِن شَآءَ ٱللَّهُ مِنَ ٱلصَّٰبِرِينَ

103

Toen zij dan beiden hun wil (aan Allah) onderworpen hadden, en hij hem voorover op zijn voorhoofd had neergelegd (voor het offer),

فَلَمَّآ أَسْلَمَا وَتَلَّهُۥ لِلْجَبِينِ

104

Riepen Wij hem toe: "O Abraham!"

وَنَٰدَيْنَٰهُ أَن يَٰٓإِبْرَٰهِيمُ

105

"U hebt het visioen reeds vervuld!" - zo belonen Wij voorzeker hen die goeddoen.

قَدْ صَدَّقْتَ ٱلرُّءْيَآ إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ

106

Want dit was klaarblijkelijk een beproeving-

إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ ٱلْبَلَٰٓؤُا۟ ٱلْمُبِينُ

107

En Wij kochten hem vrij met een geweldig offer:

وَفَدَيْنَٰهُ بِذِبْحٍ عَظِيمٍ

108

En Wij lieten (deze zegen) voor hem na onder de geslachten (die zouden komen) in latere tijden:

وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ

109

"Vrede en heilgroet over Abraham!"

سَلَٰمٌ عَلَىٰٓ إِبْرَٰهِيمَ

110

Zo belonen Wij voorzeker hen die goeddoen.

كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ

111

Want hij was een van Onze gelovige dienaren.

إِنَّهُۥ مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ

112

En Wij gaven hem de goede tijding van Izak - een profeet,- een van de rechtvaardigen.

وَبَشَّرْنَٰهُ بِإِسْحَٰقَ نَبِيًّا مِّنَ ٱلصَّٰلِحِينَ

113

Wij zegenden hem en Izak: maar onder hun nageslacht zijn er (sommigen) die goeddoen, en (sommigen) die klaarblijkelijk kwaad doen, tegen hun eigen ziel.

وَبَٰرَكْنَا عَلَيْهِ وَعَلَىٰٓ إِسْحَٰقَ وَمِن ذُرِّيَّتِهِمَا مُحْسِنٌ وَظَالِمٌ لِّنَفْسِهِۦ مُبِينٌ

Mozes en Aäron

114

Wederom hebben Wij (vanouds) Onze gunst geschonken aan Mozes en Aäron,

وَلَقَدْ مَنَنَّا عَلَىٰ مُوسَىٰ وَهَٰرُونَ

115

En Wij verlosten hen en hun volk uit (hun) grote ramp;

وَنَجَّيْنَٰهُمَا وَقَوْمَهُمَا مِنَ ٱلْكَرْبِ ٱلْعَظِيمِ

116

En Wij hielpen hen, zodat zij (hun moeilijkheden) overwonnen;

وَنَصَرْنَٰهُمْ فَكَانُوا۟ هُمُ ٱلْغَٰلِبِينَ

117

En Wij gaven hun het Boek dat helpt de dingen duidelijk te maken;

وَءَاتَيْنَٰهُمَا ٱلْكِتَٰبَ ٱلْمُسْتَبِينَ

118

En Wij leidden hen naar de rechte weg.

وَهَدَيْنَٰهُمَا ٱلصِّرَٰطَ ٱلْمُسْتَقِيمَ

119

En Wij lieten (deze zegen) voor hen na onder de geslachten (die zouden komen) in latere tijden:

وَتَرَكْنَا عَلَيْهِمَا فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ

120

"Vrede en heilgroet over Mozes en Aäron!"

سَلَٰمٌ عَلَىٰ مُوسَىٰ وَهَٰرُونَ

121

Zo belonen Wij voorzeker hen die goeddoen.

إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ

122

Want zij waren twee van Onze gelovige dienaren.

إِنَّهُمَا مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ

Elia tegen de Baälsdienst

123

Zo was ook Elia onder hen die (door Ons) gezonden waren.

وَإِنَّ إِلْيَاسَ لَمِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ

124

Zie, hij zei tot zijn volk: "Wilt u (Allah) niet vrezen?"

إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِۦٓ أَلَا تَتَّقُونَ

125

"Wilt u Baäl aanroepen en de Beste van de scheppers verlaten,"-

أَتَدْعُونَ بَعْلًا وَتَذَرُونَ أَحْسَنَ ٱلْخَٰلِقِينَ

126

"Allah, uw Heer en Onderhouder en de Heer en Onderhouder van uw vaderen vanouds?"

ٱللَّهَ رَبَّكُمْ وَرَبَّ ءَابَآئِكُمُ ٱلْأَوَّلِينَ

127

Maar zij verwierpen hem, en zij zullen zeker worden opgeroepen (voor de straf),-

فَكَذَّبُوهُ فَإِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ

128

Behalve de oprechte en toegewijde dienaren van Allah (onder hen).

إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ

129

En Wij lieten (deze zegen) voor hem na onder de geslachten (die zouden komen) in latere tijden:

وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ

130

"Vrede en heilgroet over zulken als Elia!"

سَلَٰمٌ عَلَىٰٓ إِلْ يَاسِينَ

131

Zo belonen Wij voorzeker hen die goeddoen.

إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ

132

Want hij was een van Onze gelovige dienaren.

إِنَّهُۥ مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ

Lot gered uit zijn stad

133

Zo was ook Lut onder hen die (door Ons) gezonden waren.

وَإِنَّ لُوطًا لَّمِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ

134

Zie, Wij verlosten hem en zijn aanhangers, allen,

إِذْ نَجَّيْنَٰهُ وَأَهْلَهُۥٓ أَجْمَعِينَ

135

Behalve een oude vrouw, die behoorde tot hen die achterbleven;

إِلَّا عَجُوزًا فِى ٱلْغَٰبِرِينَ

136

Toen verdelgden Wij de overigen.

ثُمَّ دَمَّرْنَا ٱلْـَٔاخَرِينَ

137

Voorwaar, u gaat aan hun (woonplaatsen) voorbij, bij dag,

وَإِنَّكُمْ لَتَمُرُّونَ عَلَيْهِم مُّصْبِحِينَ

138

En bij nacht: zult u dan niet begrijpen?

وَبِٱلَّيْلِ أَفَلَا تَعْقِلُونَ

Jona en de grote vis

139

Zo was ook Jona onder hen die (door Ons) gezonden waren.

وَإِنَّ يُونُسَ لَمِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ

140

Toen hij wegvluchtte (als een slaaf uit gevangenschap) naar het (geheel) beladen schip,

إِذْ أَبَقَ إِلَى ٱلْفُلْكِ ٱلْمَشْحُونِ

141

(Stemde hij erin toe) het lot te werpen, en hij werd veroordeeld;

فَسَاهَمَ فَكَانَ مِنَ ٱلْمُدْحَضِينَ

142

Toen slokte de grote vis hem op, en hij had daden gedaan die blaam verdienden.

فَٱلْتَقَمَهُ ٱلْحُوتُ وَهُوَ مُلِيمٌ

143

Ware het niet dat hij (berouw had en) Allah verheerlijkte,

فَلَوْلَآ أَنَّهُۥ كَانَ مِنَ ٱلْمُسَبِّحِينَ

144

Dan zou hij zeker in de vis gebleven zijn tot de dag van de opstanding.

لَلَبِثَ فِى بَطْنِهِۦٓ إِلَىٰ يَوْمِ يُبْعَثُونَ

145

Maar Wij wierpen hem uit op de kale oever, terwijl hij ziek was,

فَنَبَذْنَٰهُ بِٱلْعَرَآءِ وَهُوَ سَقِيمٌ

146

En Wij deden over hem een rankende plant van het pompoengeslacht groeien.

وَأَنۢبَتْنَا عَلَيْهِ شَجَرَةً مِّن يَقْطِينٍ

147

En Wij zonden hem (met een zending) tot honderdduizend (mensen) of meer.

وَأَرْسَلْنَٰهُ إِلَىٰ مِا۟ئَةِ أَلْفٍ أَوْ يَزِيدُونَ

148

En zij geloofden; daarom stonden Wij hun toe (hun leven) te genieten voor een tijd.

فَـَٔامَنُوا۟ فَمَتَّعْنَٰهُمْ إِلَىٰ حِينٍ

De laster dat Allah dochters heeft

149

Vraag hun nu hun mening: heeft uw Heer (slechts) dochters, en hebben zij zonen?

فَٱسْتَفْتِهِمْ أَلِرَبِّكَ ٱلْبَنَاتُ وَلَهُمُ ٱلْبَنُونَ

150

Of hebben Wij de engelen als vrouwen geschapen, en zijn zij daar getuigen (van)?

أَمْ خَلَقْنَا ٱلْمَلَٰٓئِكَةَ إِنَٰثًا وَهُمْ شَٰهِدُونَ

151

Is het niet zo dat zij zeggen, uit hun eigen verzinsel:

أَلَآ إِنَّهُم مِّنْ إِفْكِهِمْ لَيَقُولُونَ

152

"Allah heeft kinderen verwekt"? Maar zij zijn leugenaars!

وَلَدَ ٱللَّهُ وَإِنَّهُمْ لَكَٰذِبُونَ

153

Heeft Hij (dan) dochters verkoren boven zonen?

أَصْطَفَى ٱلْبَنَاتِ عَلَى ٱلْبَنِينَ

154

Wat is er met u? Hoe oordeelt u?

مَا لَكُمْ كَيْفَ تَحْكُمُونَ

155

Zult u dan geen vermaning aannemen?

أَفَلَا تَذَكَّرُونَ

156

Of hebt u een duidelijk gezag?

أَمْ لَكُمْ سُلْطَٰنٌ مُّبِينٌ

157

Breng dan uw Boek (van gezag), indien u waarachtig bent!

فَأْتُوا۟ بِكِتَٰبِكُمْ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ

158

En zij hebben een bloedverwantschap verzonnen tussen Hem en de djinn; maar de djinn weten (zeer wel) dat zij voorwaar (voor Zijn rechterstoel) moeten verschijnen!

وَجَعَلُوا۟ بَيْنَهُۥ وَبَيْنَ ٱلْجِنَّةِ نَسَبًا وَلَقَدْ عَلِمَتِ ٱلْجِنَّةُ إِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ

159

Ere zij Allah! (Hij is vrij) van de dingen die zij (Hem) toeschrijven!

سُبْحَٰنَ ٱللَّهِ عَمَّا يَصِفُونَ

160

Niet (zo doen) de dienaren van Allah, oprecht en toegewijd.

إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ

De afgoden kunnen niemand verleiden

161

Want voorwaar, noch u, noch zij die u aanbidt,

فَإِنَّكُمْ وَمَا تَعْبُدُونَ

162

Kunnen (iemand) in verzoeking leiden aangaande Allah,

مَآ أَنتُمْ عَلَيْهِ بِفَٰتِنِينَ

163

Behalve hen die (zelf) naar het laaiende vuur gaan!

إِلَّا مَنْ هُوَ صَالِ ٱلْجَحِيمِ

164

(Zij die in rijen geschaard staan, zeggen:) "Niet één van ons of hij heeft een aangewezen plaats;"

وَمَا مِنَّآ إِلَّا لَهُۥ مَقَامٌ مَّعْلُومٌ

165

"En wij staan voorwaar in rijen geschaard (voor de dienst);"

وَإِنَّا لَنَحْنُ ٱلصَّآفُّونَ

166

"En wij zijn voorwaar degenen die (Allahs) heerlijkheid verkondigen!"

وَإِنَّا لَنَحْنُ ٱلْمُسَبِّحُونَ

167

En er waren er die zeiden:

وَإِن كَانُوا۟ لَيَقُولُونَ

168

"Hadden wij slechts een boodschap voor ons gehad van de ouden,"

لَوْ أَنَّ عِندَنَا ذِكْرًا مِّنَ ٱلْأَوَّلِينَ

169

"Dan zouden wij zeker dienaren van Allah geweest zijn, oprecht (en toegewijd)!"

لَكُنَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ

170

Maar (nu de Koran gekomen is) verwerpen zij hem: maar spoedig zullen zij het weten!

فَكَفَرُوا۟ بِهِۦ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ

De overwinning van de boodschappers

171

Reeds is Ons Woord voorheen uitgegaan tot Onze dienaren, gezonden (door Ons),

وَلَقَدْ سَبَقَتْ كَلِمَتُنَا لِعِبَادِنَا ٱلْمُرْسَلِينَ

172

Dat zij zeker geholpen zouden worden,

إِنَّهُمْ لَهُمُ ٱلْمَنصُورُونَ

173

En dat Onze legermachten, zij voorzeker moeten overwinnen.

وَإِنَّ جُندَنَا لَهُمُ ٱلْغَٰلِبُونَ

174

Wend u dan van hen af voor een korte tijd,

فَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍ

175

En sla hen gade (hoe het hun vergaat), en spoedig zullen zij zien (hoe het u vergaat)!

وَأَبْصِرْهُمْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ

176

Wensen zij (werkelijk) Onze straf te verhaasten?

أَفَبِعَذَابِنَا يَسْتَعْجِلُونَ

177

Maar wanneer die neerdaalt op het open veld vóór hen, kwaad zal de morgen zijn voor hen die gewaarschuwd waren (en er geen acht op sloegen)!

فَإِذَا نَزَلَ بِسَاحَتِهِمْ فَسَآءَ صَبَاحُ ٱلْمُنذَرِينَ

178

Wend u dan van hen af voor een korte tijd,

وَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍ

179

En sla gade (hoe het hun vergaat), en spoedig zullen zij zien (hoe het u vergaat)!

وَأَبْصِرْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ

180

Ere zij uw Heer, de Heer van eer en macht! (Hij is vrij) van wat zij (Hem) toeschrijven!

سُبْحَٰنَ رَبِّكَ رَبِّ ٱلْعِزَّةِ عَمَّا يَصِفُونَ

181

En vrede zij over de boodschappers!

وَسَلَٰمٌ عَلَى ٱلْمُرْسَلِينَ

182

En lof zij Allah, de Heer en Onderhouder van de werelden.

وَٱلْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ