Open Koran Weergave
Deze site is in concept en onder zware bewerking. Versie 1 staat gepland voor 1 september 2026.

Soera 41. Foessilat — Duidelijk Uiteengezet

Deze vertaling is in bewerking en heeft de status van een concept; de tekst wordt nog gecontroleerd en kan wijzigen.

De Nederlandse weergave van soera 41 (Foessilat, “Duidelijk Uiteengezet”), 54 verzen, naar de Engelse vertaling van Abdullah Yusuf Ali (1934, publiek domein). Lees deze soera interactief met het Arabische origineel, transliteratie, voorleesfunctie en toelichting.

Het Arabische Boek en de afkerige ongelovigen

1

Ḥā, Mīm (حمٓ)

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ حمٓ

2

Een openbaring van (Allah), de Meest Genadevolle, de Meest Barmhartige;-

تَنزِيلٌ مِّنَ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ

3

Een Boek, waarvan de verzen in bijzonderheden zijn uitgelegd;- een Koran in het Arabisch, voor mensen die verstaan;-

كِتَٰبٌ فُصِّلَتْ ءَايَٰتُهُۥ قُرْءَانًا عَرَبِيًّا لِّقَوْمٍ يَعْلَمُونَ

4

Dat goed nieuws en vermaning geeft: maar de meesten van hen wenden zich af, en zo horen zij niet.

بَشِيرًا وَنَذِيرًا فَأَعْرَضَ أَكْثَرُهُمْ فَهُمْ لَا يَسْمَعُونَ

5

Zij zeggen: "Onze harten zijn onder sluiers, (verborgen) voor dat waartoe u ons uitnodigt, en in onze oren is een doofheid, en tussen ons en u is een afscheiding: doe dus (wat u wilt); wij, wij zullen doen (wat wij willen!)"

وَقَالُوا۟ قُلُوبُنَا فِىٓ أَكِنَّةٍ مِّمَّا تَدْعُونَآ إِلَيْهِ وَفِىٓ ءَاذَانِنَا وَقْرٌ وَمِنۢ بَيْنِنَا وَبَيْنِكَ حِجَابٌ فَٱعْمَلْ إِنَّنَا عَٰمِلُونَ

6

Zeg: "Ik ben slechts een mens zoals u: het is mij door ingeving geopenbaard dat uw Allah één Allah is: sta dus oprecht voor Hem, en vraag om Zijn vergeving." En wee hun die goden aan Allah toevoegen,-

قُلْ إِنَّمَآ أَنَا۠ بَشَرٌ مِّثْلُكُمْ يُوحَىٰٓ إِلَىَّ أَنَّمَآ إِلَٰهُكُمْ إِلَٰهٌ وَٰحِدٌ فَٱسْتَقِيمُوٓا۟ إِلَيْهِ وَٱسْتَغْفِرُوهُ وَوَيْلٌ لِّلْمُشْرِكِينَ

7

Zij die niet geregeld aalmoezen geven, en die zelfs het hiernamaals ontkennen.

ٱلَّذِينَ لَا يُؤْتُونَ ٱلزَّكَوٰةَ وَهُم بِٱلْـَٔاخِرَةِ هُمْ كَٰفِرُونَ

8

Voor hen die geloven en goede daden verrichten, is er een beloning die nooit zal falen.

إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ لَهُمْ أَجْرٌ غَيْرُ مَمْنُونٍ

De schepping van hemel en aarde

9

Zeg: Ontkent u Hem Die de aarde in twee dagen geschapen heeft? En stelt u gelijken naast Hem? Hij is de Heer van (al) de werelden.

قُلْ أَئِنَّكُمْ لَتَكْفُرُونَ بِٱلَّذِى خَلَقَ ٱلْأَرْضَ فِى يَوْمَيْنِ وَتَجْعَلُونَ لَهُۥٓ أَندَادًا ذَٰلِكَ رَبُّ ٱلْعَٰلَمِينَ

10

Hij zette op de (aarde) bergen, die vaststaan, hoog daarboven, en schonk zegeningen aan de aarde, en bepaalde daarin de maat van alle dingen om hun voedsel te geven naar juiste verhouding, in vier dagen, overeenkomstig (de behoeften van) hen die (onderhoud) zoeken.

وَجَعَلَ فِيهَا رَوَٰسِىَ مِن فَوْقِهَا وَبَٰرَكَ فِيهَا وَقَدَّرَ فِيهَآ أَقْوَٰتَهَا فِىٓ أَرْبَعَةِ أَيَّامٍ سَوَآءً لِّلسَّآئِلِينَ

11

Bovendien omvatte Hij in Zijn plan de hemel, en die was (als) rook geweest: Hij zei tot hem en tot de aarde: "Kom tezamen, gewillig of ongewillig." Zij zeiden: "Wij komen (tezamen), in gewillige gehoorzaamheid."

ثُمَّ ٱسْتَوَىٰٓ إِلَى ٱلسَّمَآءِ وَهِىَ دُخَانٌ فَقَالَ لَهَا وَلِلْأَرْضِ ٱئْتِيَا طَوْعًا أَوْ كَرْهًا قَالَتَآ أَتَيْنَا طَآئِعِينَ

12

Zo voltooide Hij ze als zeven hemelgewelven in twee dagen, en Hij wees aan iedere hemel zijn taak en bevel toe. En Wij versierden de laagste hemel met lichten, en (voorzagen hem) van bewaking. Zodanig is het besluit van (Hem) de Verhevene in macht, vol van kennis.

فَقَضَىٰهُنَّ سَبْعَ سَمَٰوَاتٍ فِى يَوْمَيْنِ وَأَوْحَىٰ فِى كُلِّ سَمَآءٍ أَمْرَهَا وَزَيَّنَّا ٱلسَّمَآءَ ٱلدُّنْيَا بِمَصَٰبِيحَ وَحِفْظًا ذَٰلِكَ تَقْدِيرُ ٱلْعَزِيزِ ٱلْعَلِيمِ

De ondergang van Ad en Thamoed

13

Maar indien zij zich afwenden, zeg dan: "Ik heb u gewaarschuwd voor een verpletterende straf (als van donder en bliksem) gelijk die welke de 'Ad en de Thamud (overviel)!"

فَإِنْ أَعْرَضُوا۟ فَقُلْ أَنذَرْتُكُمْ صَٰعِقَةً مِّثْلَ صَٰعِقَةِ عَادٍ وَثَمُودَ

14

Zie, de boodschappers kwamen tot hen, van vóór hen en van achter hen, (predikend): "Dien niemand dan Allah." Zij zeiden: "Indien het onze Heer zo behaagd had, zou Hij zeker engelen hebben neergezonden (om te prediken). Nu verwerpen wij uw zending (geheel)."

إِذْ جَآءَتْهُمُ ٱلرُّسُلُ مِنۢ بَيْنِ أَيْدِيهِمْ وَمِنْ خَلْفِهِمْ أَلَّا تَعْبُدُوٓا۟ إِلَّا ٱللَّهَ قَالُوا۟ لَوْ شَآءَ رَبُّنَا لَأَنزَلَ مَلَٰٓئِكَةً فَإِنَّا بِمَآ أُرْسِلْتُم بِهِۦ كَٰفِرُونَ

15

Nu gedroegen de 'Ad zich hoogmoedig in het land, tegen (alle) waarheid en rede in, en zeiden: "Wie overtreft ons in kracht?" Wat! zagen zij niet dat Allah, Die hen geschapen had, hen in kracht overtrof? Maar zij bleven Onze tekenen verwerpen!

فَأَمَّا عَادٌ فَٱسْتَكْبَرُوا۟ فِى ٱلْأَرْضِ بِغَيْرِ ٱلْحَقِّ وَقَالُوا۟ مَنْ أَشَدُّ مِنَّا قُوَّةً أَوَلَمْ يَرَوْا۟ أَنَّ ٱللَّهَ ٱلَّذِى خَلَقَهُمْ هُوَ أَشَدُّ مِنْهُمْ قُوَّةً وَكَانُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَا يَجْحَدُونَ

16

Daarom zonden Wij tegen hen een razende wind gedurende dagen van onheil, opdat Wij hun een straf van vernedering zouden doen proeven in dit leven; maar de straf van het hiernamaals zal nog vernederender zijn: en zij zullen geen hulp vinden.

فَأَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ رِيحًا صَرْصَرًا فِىٓ أَيَّامٍ نَّحِسَاتٍ لِّنُذِيقَهُمْ عَذَابَ ٱلْخِزْىِ فِى ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا وَلَعَذَابُ ٱلْـَٔاخِرَةِ أَخْزَىٰ وَهُمْ لَا يُنصَرُونَ

17

Wat de Thamud betreft, Wij gaven hun leiding, maar zij verkozen blindheid (van hart) boven leiding: daarom greep de verpletterende straf van vernedering hen, vanwege wat zij verworven hadden.

وَأَمَّا ثَمُودُ فَهَدَيْنَٰهُمْ فَٱسْتَحَبُّوا۟ ٱلْعَمَىٰ عَلَى ٱلْهُدَىٰ فَأَخَذَتْهُمْ صَٰعِقَةُ ٱلْعَذَابِ ٱلْهُونِ بِمَا كَانُوا۟ يَكْسِبُونَ

18

Maar Wij redden hen die geloofden en gerechtigheid betrachtten.

وَنَجَّيْنَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَكَانُوا۟ يَتَّقُونَ

De ledematen getuigen tegen de ongelovigen

19

Op de dag dat de vijanden van Allah tezamen verzameld zullen worden tot het vuur, zullen zij in rijen worden voortgeleid.

وَيَوْمَ يُحْشَرُ أَعْدَآءُ ٱللَّهِ إِلَى ٱلنَّارِ فَهُمْ يُوزَعُونَ

20

Wanneer zij ten slotte het (vuur) bereiken, zullen hun gehoor, hun gezicht en hun huiden tegen hen getuigen, aangaande (al) hun daden.

حَتَّىٰٓ إِذَا مَا جَآءُوهَا شَهِدَ عَلَيْهِمْ سَمْعُهُمْ وَأَبْصَٰرُهُمْ وَجُلُودُهُم بِمَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ

21

Zij zullen tot hun huiden zeggen: "Waarom getuigt u tegen ons?" Zij zullen zeggen: "Allah heeft ons spraak gegeven,- (Hij) Die aan alles spraak geeft: Hij schiep u de eerste maal, en tot Hem zou u terugkeren."

وَقَالُوا۟ لِجُلُودِهِمْ لِمَ شَهِدتُّمْ عَلَيْنَا قَالُوٓا۟ أَنطَقَنَا ٱللَّهُ ٱلَّذِىٓ أَنطَقَ كُلَّ شَىْءٍ وَهُوَ خَلَقَكُمْ أَوَّلَ مَرَّةٍ وَإِلَيْهِ تُرْجَعُونَ

22

"U trachtte u niet te verbergen, omdat u niet dacht dat uw gehoor, uw gezicht en uw huiden tegen u zouden getuigen! Maar u dacht dat Allah veel van de dingen die u placht te doen niet wist!"

وَمَا كُنتُمْ تَسْتَتِرُونَ أَن يَشْهَدَ عَلَيْكُمْ سَمْعُكُمْ وَلَآ أَبْصَٰرُكُمْ وَلَا جُلُودُكُمْ وَلَٰكِن ظَنَنتُمْ أَنَّ ٱللَّهَ لَا يَعْلَمُ كَثِيرًا مِّمَّا تَعْمَلُونَ

23

"Maar deze gedachte van u, die u koesterde aangaande uw Heer, heeft u tot het verderf gebracht, en (nu) bent u geworden tot hen die geheel verloren zijn!"

وَذَٰلِكُمْ ظَنُّكُمُ ٱلَّذِى ظَنَنتُم بِرَبِّكُمْ أَرْدَىٰكُمْ فَأَصْبَحْتُم مِّنَ ٱلْخَٰسِرِينَ

24

Indien zij dan geduld hebben, zal het vuur een woning voor hen zijn! en indien zij smeken om in genade te worden aangenomen, zullen zij (dan) niet in genade worden aangenomen.

فَإِن يَصْبِرُوا۟ فَٱلنَّارُ مَثْوًى لَّهُمْ وَإِن يَسْتَعْتِبُوا۟ فَمَا هُم مِّنَ ٱلْمُعْتَبِينَ

25

En Wij hebben voor hen vertrouwelijke metgezellen (van gelijke aard) bestemd, die voor hen aanlokkelijk maakten wat vóór hen en achter hen was; en het vonnis onder de voorgaande geslachten van djinn en mensen, die zijn heengegaan, is tegen hen bewezen; want zij zijn geheel verloren.

وَقَيَّضْنَا لَهُمْ قُرَنَآءَ فَزَيَّنُوا۟ لَهُم مَّا بَيْنَ أَيْدِيهِمْ وَمَا خَلْفَهُمْ وَحَقَّ عَلَيْهِمُ ٱلْقَوْلُ فِىٓ أُمَمٍ قَدْ خَلَتْ مِن قَبْلِهِم مِّنَ ٱلْجِنِّ وَٱلْإِنسِ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ خَٰسِرِينَ

26

De ongelovigen zeggen: "Luister niet naar deze Koran, maar spreek er lukraak doorheen te midden van zijn (voorlezing), opdat u de overhand moogt krijgen!"

وَقَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ لَا تَسْمَعُوا۟ لِهَٰذَا ٱلْقُرْءَانِ وَٱلْغَوْا۟ فِيهِ لَعَلَّكُمْ تَغْلِبُونَ

27

Maar Wij zullen de ongelovigen zeker een zware straf doen proeven, en Wij zullen hun vergelden naar het slechtste van hun daden.

فَلَنُذِيقَنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ عَذَابًا شَدِيدًا وَلَنَجْزِيَنَّهُمْ أَسْوَأَ ٱلَّذِى كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ

28

Zodanig is de vergelding van de vijanden van Allah,- het vuur: daarin zal voor hen het eeuwige tehuis zijn: een (passende) vergelding, omdat zij Onze tekenen plachten te verwerpen.

ذَٰلِكَ جَزَآءُ أَعْدَآءِ ٱللَّهِ ٱلنَّارُ لَهُمْ فِيهَا دَارُ ٱلْخُلْدِ جَزَآءًۢ بِمَا كَانُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَا يَجْحَدُونَ

29

En de ongelovigen zullen zeggen: "Onze Heer! Toon ons hen, onder djinn en mensen, die ons misleid hebben: wij zullen hen onder onze voeten verpletteren, opdat zij de laagsten worden (voor allen)."

وَقَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ رَبَّنَآ أَرِنَا ٱلَّذَيْنِ أَضَلَّانَا مِنَ ٱلْجِنِّ وَٱلْإِنسِ نَجْعَلْهُمَا تَحْتَ أَقْدَامِنَا لِيَكُونَا مِنَ ٱلْأَسْفَلِينَ

De belofte aan wie standvastig blijven

30

Wat betreft hen die zeggen: "Onze Heer is Allah", en die voorts recht en standvastig staan, op hen dalen de engelen neer (van tijd tot tijd): "Vrees niet!" (geven zij in), "en treur niet! maar ontvang de blijde tijding van de hof (van gelukzaligheid), die u beloofd was!"

إِنَّ ٱلَّذِينَ قَالُوا۟ رَبُّنَا ٱللَّهُ ثُمَّ ٱسْتَقَٰمُوا۟ تَتَنَزَّلُ عَلَيْهِمُ ٱلْمَلَٰٓئِكَةُ أَلَّا تَخَافُوا۟ وَلَا تَحْزَنُوا۟ وَأَبْشِرُوا۟ بِٱلْجَنَّةِ ٱلَّتِى كُنتُمْ تُوعَدُونَ

31

"Wij zijn uw beschermers in dit leven en in het hiernamaals: daarin zult u alles hebben wat uw ziel zal begeren; daarin zult u alles hebben waarom u vraagt!"-

نَحْنُ أَوْلِيَآؤُكُمْ فِى ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا وَفِى ٱلْـَٔاخِرَةِ وَلَكُمْ فِيهَا مَا تَشْتَهِىٓ أَنفُسُكُمْ وَلَكُمْ فِيهَا مَا تَدَّعُونَ

32

"Een gastvrije gave van Eén Die Veelvergevend is, Meest Barmhartig!"

نُزُلًا مِّنْ غَفُورٍ رَّحِيمٍ

33

Wie is beter in het spreken dan hij die (de mensen) tot Allah roept, gerechtigheid doet en zegt: "Ik ben van hen die zich buigen in de islam"?

وَمَنْ أَحْسَنُ قَوْلًا مِّمَّن دَعَآ إِلَى ٱللَّهِ وَعَمِلَ صَٰلِحًا وَقَالَ إِنَّنِى مِنَ ٱلْمُسْلِمِينَ

34

En het goede en het kwade kunnen niet gelijk zijn. Weer (het kwade) af met wat beter is: dan zal hij tussen wie en u vijandschap was, worden als ware hij uw vriend en vertrouweling!

وَلَا تَسْتَوِى ٱلْحَسَنَةُ وَلَا ٱلسَّيِّئَةُ ٱدْفَعْ بِٱلَّتِى هِىَ أَحْسَنُ فَإِذَا ٱلَّذِى بَيْنَكَ وَبَيْنَهُۥ عَدَٰوَةٌ كَأَنَّهُۥ وَلِىٌّ حَمِيمٌ

35

En aan niemand zal zulk een goedheid worden geschonken dan aan hen die geduld en zelfbeheersing oefenen,- aan niemand dan aan personen van het grootste geluk.

وَمَا يُلَقَّىٰهَآ إِلَّا ٱلَّذِينَ صَبَرُوا۟ وَمَا يُلَقَّىٰهَآ إِلَّا ذُو حَظٍّ عَظِيمٍ

36

En indien (te eniger tijd) een aansporing tot tweedracht tot u komt van de boze, zoek dan uw toevlucht bij Allah. Hij is Degene Die alle dingen hoort en weet.

وَإِمَّا يَنزَغَنَّكَ مِنَ ٱلشَّيْطَٰنِ نَزْغٌ فَٱسْتَعِذْ بِٱللَّهِ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلْعَلِيمُ

37

Onder Zijn tekenen zijn de nacht en de dag, en de zon en de maan. Werp u niet neer voor de zon en de maan, maar werp u neer voor Allah, Die ze geschapen heeft, indien het Hem is Die u wenst te dienen.

وَمِنْ ءَايَٰتِهِ ٱلَّيْلُ وَٱلنَّهَارُ وَٱلشَّمْسُ وَٱلْقَمَرُ لَا تَسْجُدُوا۟ لِلشَّمْسِ وَلَا لِلْقَمَرِ وَٱسْجُدُوا۟ لِلَّهِ ٱلَّذِى خَلَقَهُنَّ إِن كُنتُمْ إِيَّاهُ تَعْبُدُونَ

38

Maar indien zij (de ongelovigen) hoogmoedig zijn, (het doet er niet toe): want bij uw Heer zijn zij die Zijn lof prijzen bij nacht en bij dag. En zij verslappen nooit (noch achten zich daarboven verheven).

فَإِنِ ٱسْتَكْبَرُوا۟ فَٱلَّذِينَ عِندَ رَبِّكَ يُسَبِّحُونَ لَهُۥ بِٱلَّيْلِ وَٱلنَّهَارِ وَهُمْ لَا يَسْـَٔمُونَ

39

En onder Zijn tekenen is dit: u ziet de aarde dor en verlaten; maar wanneer Wij regen op haar neerzenden, wordt zij tot leven gewekt en geeft zij gewas. Voorwaar, Hij Die de (dode) aarde leven geeft, kan zeker leven geven aan (mensen) die dood zijn. Want Hij heeft macht over alle dingen.

وَمِنْ ءَايَٰتِهِۦٓ أَنَّكَ تَرَى ٱلْأَرْضَ خَٰشِعَةً فَإِذَآ أَنزَلْنَا عَلَيْهَا ٱلْمَآءَ ٱهْتَزَّتْ وَرَبَتْ إِنَّ ٱلَّذِىٓ أَحْيَاهَا لَمُحْىِ ٱلْمَوْتَىٰٓ إِنَّهُۥ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍ قَدِيرٌ

De waarheid van het Boek

40

Zij die de waarheid in Onze tekenen verdraaien, zijn niet voor Ons verborgen. Wat is beter?- hij die in het vuur geworpen wordt, of hij die veilig doorkomt, op de dag van het oordeel? Doe wat u wilt: voorwaar, Hij ziet (duidelijk) alles wat u doet.

إِنَّ ٱلَّذِينَ يُلْحِدُونَ فِىٓ ءَايَٰتِنَا لَا يَخْفَوْنَ عَلَيْنَآ أَفَمَن يُلْقَىٰ فِى ٱلنَّارِ خَيْرٌ أَم مَّن يَأْتِىٓ ءَامِنًا يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ ٱعْمَلُوا۟ مَا شِئْتُمْ إِنَّهُۥ بِمَا تَعْمَلُونَ بَصِيرٌ

41

Zij die de boodschap verwerpen wanneer die tot hen komt (zijn niet voor Ons verborgen). En het is voorzeker een Boek van verheven macht.

إِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ بِٱلذِّكْرِ لَمَّا جَآءَهُمْ وَإِنَّهُۥ لَكِتَٰبٌ عَزِيزٌ

42

Geen leugen kan het naderen, van vóór of van achter: het is neergezonden door Eén vol van wijsheid, alle lof waardig.

لَّا يَأْتِيهِ ٱلْبَٰطِلُ مِنۢ بَيْنِ يَدَيْهِ وَلَا مِنْ خَلْفِهِۦ تَنزِيلٌ مِّنْ حَكِيمٍ حَمِيدٍ

43

Niets wordt tot u gezegd dat niet gezegd is tot de boodschappers vóór u: dat uw Heer tot Zijn beschikking heeft (alle) vergeving alsook een zeer smartelijke straf.

مَّا يُقَالُ لَكَ إِلَّا مَا قَدْ قِيلَ لِلرُّسُلِ مِن قَبْلِكَ إِنَّ رَبَّكَ لَذُو مَغْفِرَةٍ وَذُو عِقَابٍ أَلِيمٍ

44

Hadden Wij dit gezonden als een Koran (in een taal) anders dan het Arabisch, dan zouden zij gezegd hebben: "Waarom zijn zijn verzen niet in bijzonderheden uitgelegd? Wat! (een Boek) niet in het Arabisch en (een boodschapper) een Arabier?" Zeg: "Het is een leiding en een genezing voor hen die geloven; en voor hen die niet geloven, is er een doofheid in hun oren, en het is blindheid in hun (ogen): zij worden (als het ware) geroepen van een ver verwijderde plaats!"

وَلَوْ جَعَلْنَٰهُ قُرْءَانًا أَعْجَمِيًّا لَّقَالُوا۟ لَوْلَا فُصِّلَتْ ءَايَٰتُهُۥٓ ءَا۬عْجَمِىٌّ وَعَرَبِىٌّ قُلْ هُوَ لِلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ هُدًى وَشِفَآءٌ وَٱلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ فِىٓ ءَاذَانِهِمْ وَقْرٌ وَهُوَ عَلَيْهِمْ عَمًى أُو۟لَٰٓئِكَ يُنَادَوْنَ مِن مَّكَانٍۭ بَعِيدٍ

45

Wij gaven voorzeker eertijds aan Mozes het Boek: maar er ontstonden geschillen daarover. Ware het niet vanwege een Woord dat tevoren van uw Heer was uitgegaan, dan zouden (hun geschillen) tussen hen beslecht zijn: maar zij bleven daarover in achterdochtige, verontrustende twijfel.

وَلَقَدْ ءَاتَيْنَا مُوسَى ٱلْكِتَٰبَ فَٱخْتُلِفَ فِيهِ وَلَوْلَا كَلِمَةٌ سَبَقَتْ مِن رَّبِّكَ لَقُضِىَ بَيْنَهُمْ وَإِنَّهُمْ لَفِى شَكٍّ مِّنْهُ مُرِيبٍ

46

Wie gerechtigheid doet, doet dat ten bate van zijn eigen ziel; wie kwaad doet, het is tegen zijn eigen ziel: en uw Heer is nooit onrechtvaardig (in het minst) jegens Zijn dienaren.

مَّنْ عَمِلَ صَٰلِحًا فَلِنَفْسِهِۦ وَمَنْ أَسَآءَ فَعَلَيْهَا وَمَا رَبُّكَ بِظَلَّٰمٍ لِّلْعَبِيدِ

Allah alleen kent het uur; de wispelturige mens

47

Aan Hem wordt de kennis van het uur (van het oordeel) toevertrouwd (Hij weet alles): geen dadelvrucht komt uit haar schede, en geen vrouw ontvangt (in haar schoot) of brengt (een kind) voort, dan door Zijn kennis. De dag dat (Allah) hun de (vraag) zal voorleggen: "Waar zijn de deelgenoten (die u) aan Mij (toeschreef)?" zullen zij zeggen: "Wij verzekeren U, niet één van ons kan getuigen!"

إِلَيْهِ يُرَدُّ عِلْمُ ٱلسَّاعَةِ وَمَا تَخْرُجُ مِن ثَمَرَٰتٍ مِّنْ أَكْمَامِهَا وَمَا تَحْمِلُ مِنْ أُنثَىٰ وَلَا تَضَعُ إِلَّا بِعِلْمِهِۦ وَيَوْمَ يُنَادِيهِمْ أَيْنَ شُرَكَآءِى قَالُوٓا۟ ءَاذَنَّٰكَ مَا مِنَّا مِن شَهِيدٍ

48

De (godheden) die zij eertijds plachten aan te roepen, zullen hen in de steek laten, en zij zullen bemerken dat zij geen weg tot ontkoming hebben.

وَضَلَّ عَنْهُم مَّا كَانُوا۟ يَدْعُونَ مِن قَبْلُ وَظَنُّوا۟ مَا لَهُم مِّن مَّحِيصٍ

49

De mens wordt niet moe van het vragen om goede (dingen), maar indien onheil hem treft, geeft hij alle hoop op (en) is hij verloren in wanhoop.

لَّا يَسْـَٔمُ ٱلْإِنسَٰنُ مِن دُعَآءِ ٱلْخَيْرِ وَإِن مَّسَّهُ ٱلشَّرُّ فَيَـُٔوسٌ قَنُوطٌ

50

Wanneer Wij hem een barmhartigheid van Onszelf doen proeven, nadat enige tegenspoed hem getroffen heeft, zegt hij zeker: "Dit is aan mijn (verdienste) te danken: ik denk niet dat het uur (van het oordeel) (ooit) zal aanbreken; maar indien ik tot mijn Heer word teruggebracht, heb ik (veel) goeds (weggelegd) in Zijn ogen!" Maar Wij zullen de ongelovigen de waarheid tonen van alles wat zij deden, en Wij zullen hun de smaak van een zware straf geven.

وَلَئِنْ أَذَقْنَٰهُ رَحْمَةً مِّنَّا مِنۢ بَعْدِ ضَرَّآءَ مَسَّتْهُ لَيَقُولَنَّ هَٰذَا لِى وَمَآ أَظُنُّ ٱلسَّاعَةَ قَآئِمَةً وَلَئِن رُّجِعْتُ إِلَىٰ رَبِّىٓ إِنَّ لِى عِندَهُۥ لَلْحُسْنَىٰ فَلَنُنَبِّئَنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ بِمَا عَمِلُوا۟ وَلَنُذِيقَنَّهُم مِّنْ عَذَابٍ غَلِيظٍ

51

Wanneer Wij gunsten aan de mens schenken, wendt hij zich af en houdt hij zich afzijdig op een afstand (in plaats van tot Ons te komen); en wanneer het kwade hem grijpt, (komt hij) vol van langdurig gebed!

وَإِذَآ أَنْعَمْنَا عَلَى ٱلْإِنسَٰنِ أَعْرَضَ وَنَـَٔا بِجَانِبِهِۦ وَإِذَا مَسَّهُ ٱلشَّرُّ فَذُو دُعَآءٍ عَرِيضٍ

52

Zeg: "Ziet u, indien de (openbaring) (werkelijk) van Allah is, en u verwerpt haar toch? Wie is verder afgedwaald dan hij die in een scheuring is, ver (van elk doel)?"

قُلْ أَرَءَيْتُمْ إِن كَانَ مِنْ عِندِ ٱللَّهِ ثُمَّ كَفَرْتُم بِهِۦ مَنْ أَضَلُّ مِمَّنْ هُوَ فِى شِقَاقٍۭ بَعِيدٍ

53

Spoedig zullen Wij hun Onze tekenen tonen in de (verste) streken (van de aarde), en in hun eigen zielen, totdat het hun duidelijk wordt dat dit de waarheid is. Is het niet genoeg dat uw Heer getuige is van alle dingen?

سَنُرِيهِمْ ءَايَٰتِنَا فِى ٱلْـَٔافَاقِ وَفِىٓ أَنفُسِهِمْ حَتَّىٰ يَتَبَيَّنَ لَهُمْ أَنَّهُ ٱلْحَقُّ أَوَلَمْ يَكْفِ بِرَبِّكَ أَنَّهُۥ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍ شَهِيدٌ

54

Ach voorwaar! Zijn zij in twijfel aangaande de ontmoeting met hun Heer? Ach voorwaar! Hij is het Die alle dingen omvat!

أَلَآ إِنَّهُمْ فِى مِرْيَةٍ مِّن لِّقَآءِ رَبِّهِمْ أَلَآ إِنَّهُۥ بِكُلِّ شَىْءٍ مُّحِيطٌۢ