Open Koran Weergave
Deze site is in concept en onder zware bewerking. Versie 1 staat gepland voor 1 september 2026.

Soera 5. Al-Maida — De Tafel

Deze vertaling is in bewerking en heeft de status van een concept; de tekst wordt nog gecontroleerd en kan wijzigen.

De Nederlandse weergave van soera 5 (Al-Maida, “De Tafel”), 120 verzen, naar de Engelse vertaling van Abdullah Yusuf Ali (1934, publiek domein). Lees deze soera interactief met het Arabische origineel, transliteratie, voorleesfunctie en toelichting.

Verplichtingen en de spijswetten

1

O u die gelooft! Vervul (alle) verplichtingen. Geoorloofd voor u (als voedsel) zijn alle viervoetige dieren, met de genoemde uitzonderingen: maar jachtdieren zijn verboden zolang u zich binnen het heilige gebied bevindt of in pelgrimsgewaad: want Allah gebiedt naar Zijn wil en plan.

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ أَوْفُوا۟ بِٱلْعُقُودِ أُحِلَّتْ لَكُم بَهِيمَةُ ٱلْأَنْعَٰمِ إِلَّا مَا يُتْلَىٰ عَلَيْكُمْ غَيْرَ مُحِلِّى ٱلصَّيْدِ وَأَنتُمْ حُرُمٌ إِنَّ ٱللَّهَ يَحْكُمُ مَا يُرِيدُ

2

O u die gelooft! Schend de heiligheid niet van de symbolen van Allah, noch van de heilige maand, noch van de dieren die voor het offer gebracht worden, noch van de kransen die zulke dieren kenmerken, noch van de mensen die zich naar het heilige huis begeven, zoekende de gunst en het welbehagen van hun Heer. Maar wanneer u het heilige gebied en het pelgrimsgewaad verlaten hebt, mag u jagen; en laat de haat van sommige mensen, omdat zij u (eens) de toegang tot de Heilige Moskee ontzegden, u niet tot overtreding brengen (en tot vijandigheid van uw kant). Help elkander in gerechtigheid en godsvrucht, maar help elkander niet in zonde en wrok: vrees Allah: want Allah is streng in de bestraffing.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ لَا تُحِلُّوا۟ شَعَٰٓئِرَ ٱللَّهِ وَلَا ٱلشَّهْرَ ٱلْحَرَامَ وَلَا ٱلْهَدْىَ وَلَا ٱلْقَلَٰٓئِدَ وَلَآ ءَآمِّينَ ٱلْبَيْتَ ٱلْحَرَامَ يَبْتَغُونَ فَضْلًا مِّن رَّبِّهِمْ وَرِضْوَٰنًا وَإِذَا حَلَلْتُمْ فَٱصْطَادُوا۟ وَلَا يَجْرِمَنَّكُمْ شَنَـَٔانُ قَوْمٍ أَن صَدُّوكُمْ عَنِ ٱلْمَسْجِدِ ٱلْحَرَامِ أَن تَعْتَدُوا۟ وَتَعَاوَنُوا۟ عَلَى ٱلْبِرِّ وَٱلتَّقْوَىٰ وَلَا تَعَاوَنُوا۟ عَلَى ٱلْإِثْمِ وَٱلْعُدْوَٰنِ وَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ إِنَّ ٱللَّهَ شَدِيدُ ٱلْعِقَابِ

3

Verboden voor u (als voedsel) zijn: dood vlees, bloed, het vlees van zwijnen, en dat waarover de naam van een ander dan Allah is aangeroepen; hetgeen gedood is door wurging, of door een hevige slag, of door een val van boven, of door doodgestoten te zijn met de horens; hetgeen (gedeeltelijk) gegeten is door een wild dier; tenzij u in staat bent het (naar behoren) te slachten; hetgeen geofferd is op stenen (altaren); (verboden) is ook de verdeling (van vlees) door loting met pijlen: dat is goddeloosheid. Op deze dag hebben zij die het geloof verwerpen alle hoop op uw godsdienst opgegeven: vrees hen dan niet, maar vrees Mij. Op deze dag heb Ik uw godsdienst voor u vervolmaakt, Mijn gunst aan u voltooid, en de islam voor u als uw godsdienst verkozen. Maar indien iemand door honger gedwongen wordt, zonder neiging tot overtreding, dan is Allah voorwaar Veelvergevend, Meest Barmhartig.

حُرِّمَتْ عَلَيْكُمُ ٱلْمَيْتَةُ وَٱلدَّمُ وَلَحْمُ ٱلْخِنزِيرِ وَمَآ أُهِلَّ لِغَيْرِ ٱللَّهِ بِهِۦ وَٱلْمُنْخَنِقَةُ وَٱلْمَوْقُوذَةُ وَٱلْمُتَرَدِّيَةُ وَٱلنَّطِيحَةُ وَمَآ أَكَلَ ٱلسَّبُعُ إِلَّا مَا ذَكَّيْتُمْ وَمَا ذُبِحَ عَلَى ٱلنُّصُبِ وَأَن تَسْتَقْسِمُوا۟ بِٱلْأَزْلَٰمِ ذَٰلِكُمْ فِسْقٌ ٱلْيَوْمَ يَئِسَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِن دِينِكُمْ فَلَا تَخْشَوْهُمْ وَٱخْشَوْنِ ٱلْيَوْمَ أَكْمَلْتُ لَكُمْ دِينَكُمْ وَأَتْمَمْتُ عَلَيْكُمْ نِعْمَتِى وَرَضِيتُ لَكُمُ ٱلْإِسْلَٰمَ دِينًا فَمَنِ ٱضْطُرَّ فِى مَخْمَصَةٍ غَيْرَ مُتَجَانِفٍ لِّإِثْمٍ فَإِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٌ رَّحِيمٌ

4

Zij vragen u wat hun geoorloofd is (als voedsel). Zeg: geoorloofd voor u zijn (alle) goede en reine dingen: en wat u uw afgerichte jachtdieren geleerd hebt (te vangen) op de wijze die Allah u gewezen heeft: eet wat zij voor u vangen, maar spreek de naam van Allah erover uit: en vrees Allah; want Allah is snel in het opmaken van de rekening.

يَسْـَٔلُونَكَ مَاذَآ أُحِلَّ لَهُمْ قُلْ أُحِلَّ لَكُمُ ٱلطَّيِّبَٰتُ وَمَا عَلَّمْتُم مِّنَ ٱلْجَوَارِحِ مُكَلِّبِينَ تُعَلِّمُونَهُنَّ مِمَّا عَلَّمَكُمُ ٱللَّهُ فَكُلُوا۟ مِمَّآ أَمْسَكْنَ عَلَيْكُمْ وَٱذْكُرُوا۟ ٱسْمَ ٱللَّهِ عَلَيْهِ وَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ إِنَّ ٱللَّهَ سَرِيعُ ٱلْحِسَابِ

5

Op deze dag zijn (alle) goede en reine dingen u geoorloofd verklaard. Het voedsel van de mensen van het Boek is u geoorloofd en het uwe is hun geoorloofd. (Geoorloofd voor u ten huwelijk) zijn (niet alleen) kuise vrouwen die gelovig zijn, maar ook kuise vrouwen onder de mensen van het Boek, geopenbaard vóór uw tijd, — wanneer u haar de haar toekomende bruidsschat geeft, en kuisheid begeert, geen ontucht, noch heimelijke verhoudingen. Indien iemand het geloof verwerpt, vruchteloos is zijn werk, en in het hiernamaals zal hij behoren tot hen die (alle geestelijk goed) verloren hebben.

ٱلْيَوْمَ أُحِلَّ لَكُمُ ٱلطَّيِّبَٰتُ وَطَعَامُ ٱلَّذِينَ أُوتُوا۟ ٱلْكِتَٰبَ حِلٌّ لَّكُمْ وَطَعَامُكُمْ حِلٌّ لَّهُمْ وَٱلْمُحْصَنَٰتُ مِنَ ٱلْمُؤْمِنَٰتِ وَٱلْمُحْصَنَٰتُ مِنَ ٱلَّذِينَ أُوتُوا۟ ٱلْكِتَٰبَ مِن قَبْلِكُمْ إِذَآ ءَاتَيْتُمُوهُنَّ أُجُورَهُنَّ مُحْصِنِينَ غَيْرَ مُسَٰفِحِينَ وَلَا مُتَّخِذِىٓ أَخْدَانٍ وَمَن يَكْفُرْ بِٱلْإِيمَٰنِ فَقَدْ حَبِطَ عَمَلُهُۥ وَهُوَ فِى ٱلْـَٔاخِرَةِ مِنَ ٱلْخَٰسِرِينَ

De rituele reiniging en het verbond

6

O u die gelooft! Wanneer u zich voorbereidt op het gebed, was dan uw gezicht en uw handen (en armen) tot de ellebogen; wrijf uw hoofd (met water); en (was) uw voeten tot de enkels. Indien u in een staat van ceremoniële onreinheid verkeert, was dan uw gehele lichaam. Maar indien u ziek bent, of op reis, of een van u komt van de plaats waar men zijn behoefte doet, of u hebt vrouwen aangeraakt, en u vindt geen water, neem dan voor uzelf schoon zand of aarde, en wrijf daarmee uw gezicht en handen. Allah wenst u niet in moeilijkheid te brengen, maar u rein te maken, en Zijn gunst aan u te voltooien, opdat u dankbaar zou zijn.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ إِذَا قُمْتُمْ إِلَى ٱلصَّلَوٰةِ فَٱغْسِلُوا۟ وُجُوهَكُمْ وَأَيْدِيَكُمْ إِلَى ٱلْمَرَافِقِ وَٱمْسَحُوا۟ بِرُءُوسِكُمْ وَأَرْجُلَكُمْ إِلَى ٱلْكَعْبَيْنِ وَإِن كُنتُمْ جُنُبًا فَٱطَّهَّرُوا۟ وَإِن كُنتُم مَّرْضَىٰٓ أَوْ عَلَىٰ سَفَرٍ أَوْ جَآءَ أَحَدٌ مِّنكُم مِّنَ ٱلْغَآئِطِ أَوْ لَٰمَسْتُمُ ٱلنِّسَآءَ فَلَمْ تَجِدُوا۟ مَآءً فَتَيَمَّمُوا۟ صَعِيدًا طَيِّبًا فَٱمْسَحُوا۟ بِوُجُوهِكُمْ وَأَيْدِيكُم مِّنْهُ مَا يُرِيدُ ٱللَّهُ لِيَجْعَلَ عَلَيْكُم مِّنْ حَرَجٍ وَلَٰكِن يُرِيدُ لِيُطَهِّرَكُمْ وَلِيُتِمَّ نِعْمَتَهُۥ عَلَيْكُمْ لَعَلَّكُمْ تَشْكُرُونَ

7

En gedenk de gunst van Allah aan u, en Zijn verbond, dat Hij met u bekrachtigd heeft, toen u zei: "Wij horen en wij gehoorzamen": en vrees Allah, want Allah kent de geheimen van uw hart zeer wel.

وَٱذْكُرُوا۟ نِعْمَةَ ٱللَّهِ عَلَيْكُمْ وَمِيثَٰقَهُ ٱلَّذِى وَاثَقَكُم بِهِۦٓ إِذْ قُلْتُمْ سَمِعْنَا وَأَطَعْنَا وَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ إِنَّ ٱللَّهَ عَلِيمٌۢ بِذَاتِ ٱلصُّدُورِ

8

O u die gelooft! Sta vastberaden op voor Allah, als getuigen van rechtvaardig handelen, en laat de haat van anderen jegens u u niet doen afwijken tot het kwade en van de gerechtigheid doen afdwalen. Wees rechtvaardig: dat komt de godsvrucht het meest nabij: en vrees Allah. Want Allah is zeer goed bekend met alles wat u doet.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ كُونُوا۟ قَوَّٰمِينَ لِلَّهِ شُهَدَآءَ بِٱلْقِسْطِ وَلَا يَجْرِمَنَّكُمْ شَنَـَٔانُ قَوْمٍ عَلَىٰٓ أَلَّا تَعْدِلُوا۟ ٱعْدِلُوا۟ هُوَ أَقْرَبُ لِلتَّقْوَىٰ وَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ إِنَّ ٱللَّهَ خَبِيرٌۢ بِمَا تَعْمَلُونَ

9

Aan hen die geloven en goede daden verrichten heeft Allah vergeving beloofd en een groot loon.

وَعَدَ ٱللَّهُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ لَهُم مَّغْفِرَةٌ وَأَجْرٌ عَظِيمٌ

10

Zij die het geloof verwerpen en Onze tekenen loochenen, zullen metgezellen van het hellevuur zijn.

وَٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ وَكَذَّبُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَآ أُو۟لَٰٓئِكَ أَصْحَٰبُ ٱلْجَحِيمِ

11

O u die gelooft! Gedenk de gunst van Allah aan u, toen zekere mannen het plan vormden hun handen tegen u uit te strekken, maar (Allah) hun handen van u weerhield: vrees dan Allah. En op Allah moeten de gelovigen (heel) hun vertrouwen stellen.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ ٱذْكُرُوا۟ نِعْمَتَ ٱللَّهِ عَلَيْكُمْ إِذْ هَمَّ قَوْمٌ أَن يَبْسُطُوٓا۟ إِلَيْكُمْ أَيْدِيَهُمْ فَكَفَّ أَيْدِيَهُمْ عَنكُمْ وَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ وَعَلَى ٱللَّهِ فَلْيَتَوَكَّلِ ٱلْمُؤْمِنُونَ

Het verbond met Israël en de christenen

12

Allah heeft weleer een verbond gesloten met de kinderen van Israël, en Wij stelden twaalf aanvoerders onder hen aan. En Allah zei: "Ik ben met u: indien u (slechts) het gebed onderhoudt, geregeld aalmoezen geeft, in Mijn boodschappers gelooft, hen eert en bijstaat, en aan Allah een schone lening leent, voorwaar, Ik zal uw kwade daden van u uitwissen, en u toelaten tot hoven waar de rivieren onderdoor stromen; maar indien iemand van u, hierna, het geloof weerstaat, dan is hij waarlijk afgedwaald van het pad van de rechtschapenheid."

وَلَقَدْ أَخَذَ ٱللَّهُ مِيثَٰقَ بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ وَبَعَثْنَا مِنْهُمُ ٱثْنَىْ عَشَرَ نَقِيبًا وَقَالَ ٱللَّهُ إِنِّى مَعَكُمْ لَئِنْ أَقَمْتُمُ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتَيْتُمُ ٱلزَّكَوٰةَ وَءَامَنتُم بِرُسُلِى وَعَزَّرْتُمُوهُمْ وَأَقْرَضْتُمُ ٱللَّهَ قَرْضًا حَسَنًا لَّأُكَفِّرَنَّ عَنكُمْ سَيِّـَٔاتِكُمْ وَلَأُدْخِلَنَّكُمْ جَنَّٰتٍ تَجْرِى مِن تَحْتِهَا ٱلْأَنْهَٰرُ فَمَن كَفَرَ بَعْدَ ذَٰلِكَ مِنكُمْ فَقَدْ ضَلَّ سَوَآءَ ٱلسَّبِيلِ

13

Maar vanwege hun breuk van hun verbond hebben Wij hen vervloekt, en hun hart hard laten worden; zij veranderen de woorden van hun (rechte) plaatsen en vergeten een goed deel van de boodschap die hun gezonden was; en u zult niet ophouden te bevinden dat zij — op enkelen na — steeds op (nieuw) bedrog uit zijn: maar vergeef hun, en zie (hun misdaden) door de vingers: want Allah heeft hen lief die goedertieren zijn.

فَبِمَا نَقْضِهِم مِّيثَٰقَهُمْ لَعَنَّٰهُمْ وَجَعَلْنَا قُلُوبَهُمْ قَٰسِيَةً يُحَرِّفُونَ ٱلْكَلِمَ عَن مَّوَاضِعِهِۦ وَنَسُوا۟ حَظًّا مِّمَّا ذُكِّرُوا۟ بِهِۦ وَلَا تَزَالُ تَطَّلِعُ عَلَىٰ خَآئِنَةٍ مِّنْهُمْ إِلَّا قَلِيلًا مِّنْهُمْ فَٱعْفُ عَنْهُمْ وَٱصْفَحْ إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلْمُحْسِنِينَ

14

Ook van hen die zichzelf christenen noemen, hebben Wij een verbond aangenomen, maar zij vergaten een goed deel van de boodschap die hun gezonden was: daarom hebben Wij hen van elkaar vervreemd, met vijandschap en haat tussen de een en de ander, tot de dag van het oordeel. En spoedig zal Allah hun tonen wat het is dat zij gedaan hebben.

وَمِنَ ٱلَّذِينَ قَالُوٓا۟ إِنَّا نَصَٰرَىٰٓ أَخَذْنَا مِيثَٰقَهُمْ فَنَسُوا۟ حَظًّا مِّمَّا ذُكِّرُوا۟ بِهِۦ فَأَغْرَيْنَا بَيْنَهُمُ ٱلْعَدَاوَةَ وَٱلْبَغْضَآءَ إِلَىٰ يَوْمِ ٱلْقِيَٰمَةِ وَسَوْفَ يُنَبِّئُهُمُ ٱللَّهُ بِمَا كَانُوا۟ يَصْنَعُونَ

De boodschapper en het licht voor de mensen van het Boek

15

O mensen van het Boek! Tot u is Onze boodschapper gekomen, die u veel openbaart van hetgeen u placht te verbergen in het Boek, en veel voorbijgaat (dat nu onnodig is): tot u is van Allah een (nieuw) licht gekomen en een helder Boek, —

يَٰٓأَهْلَ ٱلْكِتَٰبِ قَدْ جَآءَكُمْ رَسُولُنَا يُبَيِّنُ لَكُمْ كَثِيرًا مِّمَّا كُنتُمْ تُخْفُونَ مِنَ ٱلْكِتَٰبِ وَيَعْفُوا۟ عَن كَثِيرٍ قَدْ جَآءَكُم مِّنَ ٱللَّهِ نُورٌ وَكِتَٰبٌ مُّبِينٌ

16

Waarmee Allah allen die Zijn welbehagen zoeken leidt tot wegen van vrede en veiligheid, en hen uit de duisternis leidt, door Zijn wil, tot het licht, — hen leidt tot een pad dat recht is.

يَهْدِى بِهِ ٱللَّهُ مَنِ ٱتَّبَعَ رِضْوَٰنَهُۥ سُبُلَ ٱلسَّلَٰمِ وَيُخْرِجُهُم مِّنَ ٱلظُّلُمَٰتِ إِلَى ٱلنُّورِ بِإِذْنِهِۦ وَيَهْدِيهِمْ إِلَىٰ صِرَٰطٍ مُّسْتَقِيمٍ

17

In godslastering zijn voorwaar zij die zeggen dat Allah Christus de zoon van Maria is. Zeg: "Wie heeft dan ook maar de minste macht tegen Allah, indien het Zijn wil ware Christus de zoon van Maria te vernietigen, zijn moeder, en allen — een ieder — die op de aarde is? Want aan Allah behoort de heerschappij van de hemelen en de aarde, en al wat daartussen is. Hij schept wat Hem behaagt. Want Allah heeft macht over alle dingen."

لَّقَدْ كَفَرَ ٱلَّذِينَ قَالُوٓا۟ إِنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلْمَسِيحُ ٱبْنُ مَرْيَمَ قُلْ فَمَن يَمْلِكُ مِنَ ٱللَّهِ شَيْـًٔا إِنْ أَرَادَ أَن يُهْلِكَ ٱلْمَسِيحَ ٱبْنَ مَرْيَمَ وَأُمَّهُۥ وَمَن فِى ٱلْأَرْضِ جَمِيعًا وَلِلَّهِ مُلْكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا يَخْلُقُ مَا يَشَآءُ وَٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍ قَدِيرٌ

18

(Zowel) de Joden als de christenen zeggen: "Wij zijn zonen van Allah, en Zijn geliefden." Zeg: "Waarom straft Hij u dan voor uw zonden? Nee, u bent slechts mensen, — van de mensen die Hij geschapen heeft: Hij vergeeft wie Hem behaagt, en Hij straft wie Hem behaagt: en aan Allah behoort de heerschappij van de hemelen en de aarde, en al wat daartussen is: en tot Hem is het uiteindelijke doel (van alles)."

وَقَالَتِ ٱلْيَهُودُ وَٱلنَّصَٰرَىٰ نَحْنُ أَبْنَٰٓؤُا۟ ٱللَّهِ وَأَحِبَّٰٓؤُهُۥ قُلْ فَلِمَ يُعَذِّبُكُم بِذُنُوبِكُم بَلْ أَنتُم بَشَرٌ مِّمَّنْ خَلَقَ يَغْفِرُ لِمَن يَشَآءُ وَيُعَذِّبُ مَن يَشَآءُ وَلِلَّهِ مُلْكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا وَإِلَيْهِ ٱلْمَصِيرُ

19

O mensen van het Boek! Nu is tot u gekomen, om u (de dingen) duidelijk te maken, Onze boodschapper, na de onderbreking in (de reeks van) Onze boodschappers, opdat u niet zou zeggen: "Er is tot ons geen brenger van blijde tijdingen gekomen en geen waarschuwer (voor het kwaad)": maar nu is tot u gekomen een brenger van blijde tijdingen en een waarschuwer (voor het kwaad). En Allah heeft macht over alle dingen.

يَٰٓأَهْلَ ٱلْكِتَٰبِ قَدْ جَآءَكُمْ رَسُولُنَا يُبَيِّنُ لَكُمْ عَلَىٰ فَتْرَةٍ مِّنَ ٱلرُّسُلِ أَن تَقُولُوا۟ مَا جَآءَنَا مِنۢ بَشِيرٍ وَلَا نَذِيرٍ فَقَدْ جَآءَكُم بَشِيرٌ وَنَذِيرٌ وَٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍ قَدِيرٌ

Mozes en de weigering het heilige land binnen te gaan

20

Gedenk dat Mozes tot zijn volk zei: "O mijn volk! Gedenk de gunst van Allah aan u, toen Hij profeten onder u voortbracht, u koningen maakte, en u gaf wat Hij aan geen ander onder de volken gegeven had."

وَإِذْ قَالَ مُوسَىٰ لِقَوْمِهِۦ يَٰقَوْمِ ٱذْكُرُوا۟ نِعْمَةَ ٱللَّهِ عَلَيْكُمْ إِذْ جَعَلَ فِيكُمْ أَنۢبِيَآءَ وَجَعَلَكُم مُّلُوكًا وَءَاتَىٰكُم مَّا لَمْ يُؤْتِ أَحَدًا مِّنَ ٱلْعَٰلَمِينَ

21

"O mijn volk! Ga het heilige land binnen dat Allah u toegewezen heeft, en keer niet smadelijk terug, want dan zult u ten val gebracht worden, tot uw eigen ondergang."

يَٰقَوْمِ ٱدْخُلُوا۟ ٱلْأَرْضَ ٱلْمُقَدَّسَةَ ٱلَّتِى كَتَبَ ٱللَّهُ لَكُمْ وَلَا تَرْتَدُّوا۟ عَلَىٰٓ أَدْبَارِكُمْ فَتَنقَلِبُوا۟ خَٰسِرِينَ

22

Zij zeiden: "O Mozes! In dit land is een volk van geweldige kracht: nooit zullen wij het binnengaan totdat zij het verlaten: indien zij het (eenmaal) verlaten, dan zullen wij binnengaan."

قَالُوا۟ يَٰمُوسَىٰٓ إِنَّ فِيهَا قَوْمًا جَبَّارِينَ وَإِنَّا لَن نَّدْخُلَهَا حَتَّىٰ يَخْرُجُوا۟ مِنْهَا فَإِن يَخْرُجُوا۟ مِنْهَا فَإِنَّا دَٰخِلُونَ

23

(Maar) onder (hun) godvrezende mannen waren er twee aan wie Allah Zijn genade geschonken had: zij zeiden: "Val hen aan bij de (juiste) poort: wanneer u eenmaal binnen bent, zal de overwinning de uwe zijn; maar stel op Allah uw vertrouwen, indien u geloof hebt."

قَالَ رَجُلَانِ مِنَ ٱلَّذِينَ يَخَافُونَ أَنْعَمَ ٱللَّهُ عَلَيْهِمَا ٱدْخُلُوا۟ عَلَيْهِمُ ٱلْبَابَ فَإِذَا دَخَلْتُمُوهُ فَإِنَّكُمْ غَٰلِبُونَ وَعَلَى ٱللَّهِ فَتَوَكَّلُوٓا۟ إِن كُنتُم مُّؤْمِنِينَ

24

Zij zeiden: "O Mozes! Zolang zij daar blijven, zullen wij nooit kunnen binnengaan, tot het einde van de tijd. Ga heen, u en uw Heer, en strijdt u beiden, terwijl wij hier zitten (en toezien)."

قَالُوا۟ يَٰمُوسَىٰٓ إِنَّا لَن نَّدْخُلَهَآ أَبَدًا مَّا دَامُوا۟ فِيهَا فَٱذْهَبْ أَنتَ وَرَبُّكَ فَقَٰتِلَآ إِنَّا هَٰهُنَا قَٰعِدُونَ

25

Hij zei: "O mijn Heer! Ik heb slechts macht over mijzelf en mijn broeder: scheid ons dan af van dit weerspannige volk!"

قَالَ رَبِّ إِنِّى لَآ أَمْلِكُ إِلَّا نَفْسِى وَأَخِى فَٱفْرُقْ بَيْنَنَا وَبَيْنَ ٱلْقَوْمِ ٱلْفَٰسِقِينَ

26

Allah zei: "Daarom zal het land voor hen onbereikbaar zijn, veertig jaar lang: in verbijstering zullen zij door het land dolen: maar treur niet over dit weerspannige volk."

قَالَ فَإِنَّهَا مُحَرَّمَةٌ عَلَيْهِمْ أَرْبَعِينَ سَنَةً يَتِيهُونَ فِى ٱلْأَرْضِ فَلَا تَأْسَ عَلَى ٱلْقَوْمِ ٱلْفَٰسِقِينَ

De twee zonen van Adam

27

Draag hun naar waarheid het verhaal voor van de twee zonen van Adam. Zie! Zij brachten elk een offer (aan Allah): het werd van de een aangenomen, maar niet van de ander. De laatste zei: "Wees er zeker van dat ik u zal doden." "Voorzeker," zei de eerste, "Allah neemt het offer aan van hen die rechtvaardig zijn."

وَٱتْلُ عَلَيْهِمْ نَبَأَ ٱبْنَىْ ءَادَمَ بِٱلْحَقِّ إِذْ قَرَّبَا قُرْبَانًا فَتُقُبِّلَ مِنْ أَحَدِهِمَا وَلَمْ يُتَقَبَّلْ مِنَ ٱلْـَٔاخَرِ قَالَ لَأَقْتُلَنَّكَ قَالَ إِنَّمَا يَتَقَبَّلُ ٱللَّهُ مِنَ ٱلْمُتَّقِينَ

28

"Indien u uw hand tegen mij uitstrekt om mij te doden, is het niet aan mij mijn hand tegen u uit te strekken om u te doden: want ik vrees Allah, de Onderhouder van de werelden."

لَئِنۢ بَسَطتَ إِلَىَّ يَدَكَ لِتَقْتُلَنِى مَآ أَنَا۠ بِبَاسِطٍ يَدِىَ إِلَيْكَ لِأَقْتُلَكَ إِنِّىٓ أَخَافُ ٱللَّهَ رَبَّ ٱلْعَٰلَمِينَ

29

"Wat mij betreft, ik ben van zins u mijn zonde alsook de uwe op uzelf te laten laden, want u zult tot de bewoners van het Vuur behoren, en dat is het loon van hen die onrecht doen."

إِنِّىٓ أُرِيدُ أَن تَبُوٓأَ بِإِثْمِى وَإِثْمِكَ فَتَكُونَ مِنْ أَصْحَٰبِ ٱلنَّارِ وَذَٰلِكَ جَزَٰٓؤُا۟ ٱلظَّٰلِمِينَ

30

De (zelfzuchtige) ziel van de ander bracht hem tot de moord op zijn broeder: hij vermoordde hem, en werd (zelf) een van de verlorenen.

فَطَوَّعَتْ لَهُۥ نَفْسُهُۥ قَتْلَ أَخِيهِ فَقَتَلَهُۥ فَأَصْبَحَ مِنَ ٱلْخَٰسِرِينَ

31

Toen zond Allah een raaf, die in de grond krabde, om hem te tonen hoe de schande van zijn broeder te verbergen. "Wee mij!" zei hij; "Was ik niet eens in staat te zijn als deze raaf, en de schande van mijn broeder te verbergen?" Toen werd hij vervuld van berouw —

فَبَعَثَ ٱللَّهُ غُرَابًا يَبْحَثُ فِى ٱلْأَرْضِ لِيُرِيَهُۥ كَيْفَ يُوَٰرِى سَوْءَةَ أَخِيهِ قَالَ يَٰوَيْلَتَىٰٓ أَعَجَزْتُ أَنْ أَكُونَ مِثْلَ هَٰذَا ٱلْغُرَابِ فَأُوَٰرِىَ سَوْءَةَ أَخِى فَأَصْبَحَ مِنَ ٱلنَّٰدِمِينَ

32

Om die reden: Wij verordenden voor de kinderen van Israël dat indien iemand een mens doodde — tenzij het ware wegens moord of wegens het verspreiden van verderf in het land — het zou zijn alsof hij het gehele volk gedood had: en indien iemand een leven redde, het zou zijn alsof hij het leven van het gehele volk gered had. Hoewel er daarna Onze boodschappers tot hen kwamen met duidelijke tekenen, gingen velen van hen zelfs daarna voort met buitensporigheden te begaan in het land.

مِنْ أَجْلِ ذَٰلِكَ كَتَبْنَا عَلَىٰ بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ أَنَّهُۥ مَن قَتَلَ نَفْسًۢا بِغَيْرِ نَفْسٍ أَوْ فَسَادٍ فِى ٱلْأَرْضِ فَكَأَنَّمَا قَتَلَ ٱلنَّاسَ جَمِيعًا وَمَنْ أَحْيَاهَا فَكَأَنَّمَآ أَحْيَا ٱلنَّاسَ جَمِيعًا وَلَقَدْ جَآءَتْهُمْ رُسُلُنَا بِٱلْبَيِّنَٰتِ ثُمَّ إِنَّ كَثِيرًا مِّنْهُم بَعْدَ ذَٰلِكَ فِى ٱلْأَرْضِ لَمُسْرِفُونَ

Straffen voor oproer en diefstal

33

De straf van hen die oorlog voeren tegen Allah en Zijn boodschapper, en met macht en kracht streven naar verderf in het land, is: terechtstelling, of kruisiging, of het afhouwen van handen en voeten aan tegenovergestelde zijden, of verbanning uit het land: dat is hun schande in deze wereld, en een zware straf is de hunne in het hiernamaals;

إِنَّمَا جَزَٰٓؤُا۟ ٱلَّذِينَ يُحَارِبُونَ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ وَيَسْعَوْنَ فِى ٱلْأَرْضِ فَسَادًا أَن يُقَتَّلُوٓا۟ أَوْ يُصَلَّبُوٓا۟ أَوْ تُقَطَّعَ أَيْدِيهِمْ وَأَرْجُلُهُم مِّنْ خِلَٰفٍ أَوْ يُنفَوْا۟ مِنَ ٱلْأَرْضِ ذَٰلِكَ لَهُمْ خِزْىٌ فِى ٱلدُّنْيَا وَلَهُمْ فِى ٱلْـَٔاخِرَةِ عَذَابٌ عَظِيمٌ

34

Behalve voor hen die berouw tonen voordat zij in uw macht vallen: weet in dat geval dat Allah Veelvergevend is, Meest Barmhartig.

إِلَّا ٱلَّذِينَ تَابُوا۟ مِن قَبْلِ أَن تَقْدِرُوا۟ عَلَيْهِمْ فَٱعْلَمُوٓا۟ أَنَّ ٱللَّهَ غَفُورٌ رَّحِيمٌ

35

O u die gelooft! Doe uw plicht jegens Allah, zoek de middelen tot toenadering tot Hem, en streef met macht en kracht op Zijn weg: opdat u voorspoedig zou zijn.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ ٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ وَٱبْتَغُوٓا۟ إِلَيْهِ ٱلْوَسِيلَةَ وَجَٰهِدُوا۟ فِى سَبِيلِهِۦ لَعَلَّكُمْ تُفْلِحُونَ

36

Wat betreft hen die het geloof verwerpen, — indien zij alles op aarde hadden, en nog eens zoveel, om als losprijs te geven voor de straf van de dag van het oordeel, het zou nooit van hen aangenomen worden; hun zal een smartelijke straf ten deel vallen.

إِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ لَوْ أَنَّ لَهُم مَّا فِى ٱلْأَرْضِ جَمِيعًا وَمِثْلَهُۥ مَعَهُۥ لِيَفْتَدُوا۟ بِهِۦ مِنْ عَذَابِ يَوْمِ ٱلْقِيَٰمَةِ مَا تُقُبِّلَ مِنْهُمْ وَلَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ

37

Hun wens zal zijn uit het vuur te komen, maar nooit zullen zij daaruit komen: hun straf zal een blijvende zijn.

يُرِيدُونَ أَن يَخْرُجُوا۟ مِنَ ٱلنَّارِ وَمَا هُم بِخَٰرِجِينَ مِنْهَا وَلَهُمْ عَذَابٌ مُّقِيمٌ

38

Wat betreft de dief, man of vrouw, houw hem of haar de handen af: een straf bij wijze van voorbeeld, van Allah, voor hun misdaad: en Allah is Verheven in macht.

وَٱلسَّارِقُ وَٱلسَّارِقَةُ فَٱقْطَعُوٓا۟ أَيْدِيَهُمَا جَزَآءًۢ بِمَا كَسَبَا نَكَٰلًا مِّنَ ٱللَّهِ وَٱللَّهُ عَزِيزٌ حَكِيمٌ

39

Maar indien de dief berouw toont na zijn misdaad, en zijn gedrag betert, dan wendt Allah Zich tot hem in vergeving; want Allah is Veelvergevend, Meest Barmhartig.

فَمَن تَابَ مِنۢ بَعْدِ ظُلْمِهِۦ وَأَصْلَحَ فَإِنَّ ٱللَّهَ يَتُوبُ عَلَيْهِ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٌ رَّحِيمٌ

40

Weet u niet dat aan Allah (alleen) de heerschappij van de hemelen en de aarde behoort? Hij straft wie Hem behaagt, en Hij vergeeft wie Hem behaagt: en Allah heeft macht over alle dingen.

أَلَمْ تَعْلَمْ أَنَّ ٱللَّهَ لَهُۥ مُلْكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ يُعَذِّبُ مَن يَشَآءُ وَيَغْفِرُ لِمَن يَشَآءُ وَٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍ قَدِيرٌ

Het oordeel naar de Thora en het Evangelie

41

O boodschapper! Laten zij u niet bedroeven, die zich haasten naar het ongeloof: (hetzij) onder hen die zeggen "Wij geloven" met hun lippen, maar wier hart geen geloof heeft; of onder de Joden, — mannen die naar iedere leugen luisteren, — die zelfs luisteren naar anderen die nog nooit tot u gekomen zijn. Zij veranderen de woorden van hun (rechte) tijden en plaatsen: zij zeggen: "Indien u dit gegeven wordt, neem het aan, maar zo niet, wees op uw hoede!" Indien iemands beproeving door Allah bedoeld is, hebt u niet de minste macht voor hem tegen Allah. Wat dezen betreft — het is niet Allahs wil hun hart te reinigen. Voor hen is er schande in deze wereld, en in het hiernamaals een zware straf.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلرَّسُولُ لَا يَحْزُنكَ ٱلَّذِينَ يُسَٰرِعُونَ فِى ٱلْكُفْرِ مِنَ ٱلَّذِينَ قَالُوٓا۟ ءَامَنَّا بِأَفْوَٰهِهِمْ وَلَمْ تُؤْمِن قُلُوبُهُمْ وَمِنَ ٱلَّذِينَ هَادُوا۟ سَمَّٰعُونَ لِلْكَذِبِ سَمَّٰعُونَ لِقَوْمٍ ءَاخَرِينَ لَمْ يَأْتُوكَ يُحَرِّفُونَ ٱلْكَلِمَ مِنۢ بَعْدِ مَوَاضِعِهِۦ يَقُولُونَ إِنْ أُوتِيتُمْ هَٰذَا فَخُذُوهُ وَإِن لَّمْ تُؤْتَوْهُ فَٱحْذَرُوا۟ وَمَن يُرِدِ ٱللَّهُ فِتْنَتَهُۥ فَلَن تَمْلِكَ لَهُۥ مِنَ ٱللَّهِ شَيْـًٔا أُو۟لَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ لَمْ يُرِدِ ٱللَّهُ أَن يُطَهِّرَ قُلُوبَهُمْ لَهُمْ فِى ٱلدُّنْيَا خِزْىٌ وَلَهُمْ فِى ٱلْـَٔاخِرَةِ عَذَابٌ عَظِيمٌ

42

(Zij zijn verzot op) het luisteren naar leugen, op het verslinden van al wat verboden is. Indien zij tot u komen, oordeel dan tussen hen, of onthoud u ervan tussenbeide te komen. Indien u zich onthoudt, kunnen zij u niet in het minst deren. Indien u oordeelt, oordeel dan met billijkheid tussen hen. Want Allah heeft hen lief die met billijkheid oordelen.

سَمَّٰعُونَ لِلْكَذِبِ أَكَّٰلُونَ لِلسُّحْتِ فَإِن جَآءُوكَ فَٱحْكُم بَيْنَهُمْ أَوْ أَعْرِضْ عَنْهُمْ وَإِن تُعْرِضْ عَنْهُمْ فَلَن يَضُرُّوكَ شَيْـًٔا وَإِنْ حَكَمْتَ فَٱحْكُم بَيْنَهُم بِٱلْقِسْطِ إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلْمُقْسِطِينَ

43

Maar waarom komen zij tot u om een beslissing, terwijl zij (hun eigen) wet vóór zich hebben? — daarin is het (duidelijke) gebod van Allah; toch keren zij zich zelfs daarna af. Want zij zijn niet (werkelijk) mensen van het geloof.

وَكَيْفَ يُحَكِّمُونَكَ وَعِندَهُمُ ٱلتَّوْرَىٰةُ فِيهَا حُكْمُ ٱللَّهِ ثُمَّ يَتَوَلَّوْنَ مِنۢ بَعْدِ ذَٰلِكَ وَمَآ أُو۟لَٰٓئِكَ بِٱلْمُؤْمِنِينَ

44

Wij waren het die de Thora geopenbaard hebben (aan Mozes): daarin was leiding en licht. Naar haar maatstaf zijn de Joden geoordeeld, door de profeten die zich (als in de islam) bogen voor Allahs wil, door de rabbijnen en de wetgeleerden: want aan hen was de bescherming van Allahs Boek toevertrouwd, en zij waren daarvan getuigen: vrees daarom niet de mensen, maar vrees Mij, en verkoop Mijn tekenen niet voor een armzalige prijs. Wie nalaat te oordelen naar (het licht van) wat Allah geopenbaard heeft, behoort tot de ongelovigen.

إِنَّآ أَنزَلْنَا ٱلتَّوْرَىٰةَ فِيهَا هُدًى وَنُورٌ يَحْكُمُ بِهَا ٱلنَّبِيُّونَ ٱلَّذِينَ أَسْلَمُوا۟ لِلَّذِينَ هَادُوا۟ وَٱلرَّبَّٰنِيُّونَ وَٱلْأَحْبَارُ بِمَا ٱسْتُحْفِظُوا۟ مِن كِتَٰبِ ٱللَّهِ وَكَانُوا۟ عَلَيْهِ شُهَدَآءَ فَلَا تَخْشَوُا۟ ٱلنَّاسَ وَٱخْشَوْنِ وَلَا تَشْتَرُوا۟ بِـَٔايَٰتِى ثَمَنًا قَلِيلًا وَمَن لَّمْ يَحْكُم بِمَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ فَأُو۟لَٰٓئِكَ هُمُ ٱلْكَٰفِرُونَ

45

Wij verordenden daarin voor hen: "Leven om leven, oog om oog, neus om neus, oor om oor, tand om tand, en wonden gelijk om gelijk." Maar indien iemand de vergelding kwijtscheldt bij wijze van liefdadigheid, is het een daad van verzoening voor hemzelf. En wie nalaat te oordelen naar (het licht van) wat Allah geopenbaard heeft, behoort tot de onrechtplegers.

وَكَتَبْنَا عَلَيْهِمْ فِيهَآ أَنَّ ٱلنَّفْسَ بِٱلنَّفْسِ وَٱلْعَيْنَ بِٱلْعَيْنِ وَٱلْأَنفَ بِٱلْأَنفِ وَٱلْأُذُنَ بِٱلْأُذُنِ وَٱلسِّنَّ بِٱلسِّنِّ وَٱلْجُرُوحَ قِصَاصٌ فَمَن تَصَدَّقَ بِهِۦ فَهُوَ كَفَّارَةٌ لَّهُۥ وَمَن لَّمْ يَحْكُم بِمَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ فَأُو۟لَٰٓئِكَ هُمُ ٱلظَّٰلِمُونَ

46

En in hun voetsporen zonden Wij Jezus de zoon van Maria, ter bevestiging van de Thora die vóór hem gekomen was: Wij zonden hem het Evangelie: daarin was leiding en licht, en bevestiging van de Thora die vóór hem gekomen was: een leiding en een vermaning voor hen die Allah vrezen.

وَقَفَّيْنَا عَلَىٰٓ ءَاثَٰرِهِم بِعِيسَى ٱبْنِ مَرْيَمَ مُصَدِّقًا لِّمَا بَيْنَ يَدَيْهِ مِنَ ٱلتَّوْرَىٰةِ وَءَاتَيْنَٰهُ ٱلْإِنجِيلَ فِيهِ هُدًى وَنُورٌ وَمُصَدِّقًا لِّمَا بَيْنَ يَدَيْهِ مِنَ ٱلتَّوْرَىٰةِ وَهُدًى وَمَوْعِظَةً لِّلْمُتَّقِينَ

47

Laten de mensen van het Evangelie oordelen naar wat Allah daarin geopenbaard heeft. Indien iemand nalaat te oordelen naar (het licht van) wat Allah geopenbaard heeft, zijn zij (niet beter dan) zij die opstandig zijn.

وَلْيَحْكُمْ أَهْلُ ٱلْإِنجِيلِ بِمَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ فِيهِ وَمَن لَّمْ يَحْكُم بِمَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ فَأُو۟لَٰٓئِكَ هُمُ ٱلْفَٰسِقُونَ

48

Tot u zonden Wij de Schrift in waarheid, ter bevestiging van de schrift die daarvóór gekomen was, en om haar in veiligheid te bewaren: oordeel dan tussen hen naar wat Allah geopenbaard heeft, en volg niet hun ijdele begeerten, afwijkende van de waarheid die tot u gekomen is. Voor een ieder onder u hebben Wij een wet en een open weg voorgeschreven. Indien Allah het gewild had, zou Hij u tot één volk gemaakt hebben, maar (Zijn plan is) u te beproeven in wat Hij u gegeven heeft: wedijver dan als in een wedloop in alle deugden. Het doel van u allen is tot Allah; Hij is het die u de waarheid zal tonen van de zaken waarover u twist;

وَأَنزَلْنَآ إِلَيْكَ ٱلْكِتَٰبَ بِٱلْحَقِّ مُصَدِّقًا لِّمَا بَيْنَ يَدَيْهِ مِنَ ٱلْكِتَٰبِ وَمُهَيْمِنًا عَلَيْهِ فَٱحْكُم بَيْنَهُم بِمَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ وَلَا تَتَّبِعْ أَهْوَآءَهُمْ عَمَّا جَآءَكَ مِنَ ٱلْحَقِّ لِكُلٍّ جَعَلْنَا مِنكُمْ شِرْعَةً وَمِنْهَاجًا وَلَوْ شَآءَ ٱللَّهُ لَجَعَلَكُمْ أُمَّةً وَٰحِدَةً وَلَٰكِن لِّيَبْلُوَكُمْ فِى مَآ ءَاتَىٰكُمْ فَٱسْتَبِقُوا۟ ٱلْخَيْرَٰتِ إِلَى ٱللَّهِ مَرْجِعُكُمْ جَمِيعًا فَيُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمْ فِيهِ تَخْتَلِفُونَ

49

En dit (gebiedt Hij): oordeel tussen hen naar wat Allah geopenbaard heeft, en volg niet hun ijdele begeerten, maar wees op uw hoede voor hen, opdat zij u niet afleiden van iets van hetgeen (van de leer) dat Allah tot u heeft neergezonden. En indien zij zich afkeren, wees er dan van verzekerd dat het Allahs bedoeling is hen voor een deel van hun misdaad te straffen. En waarlijk, de meeste mensen zijn opstandig.

وَأَنِ ٱحْكُم بَيْنَهُم بِمَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ وَلَا تَتَّبِعْ أَهْوَآءَهُمْ وَٱحْذَرْهُمْ أَن يَفْتِنُوكَ عَنۢ بَعْضِ مَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ إِلَيْكَ فَإِن تَوَلَّوْا۟ فَٱعْلَمْ أَنَّمَا يُرِيدُ ٱللَّهُ أَن يُصِيبَهُم بِبَعْضِ ذُنُوبِهِمْ وَإِنَّ كَثِيرًا مِّنَ ٱلنَّاسِ لَفَٰسِقُونَ

50

Zoeken zij dan een oordeel van (de dagen van) de onwetendheid? Maar wie kan, voor een volk welks geloof verzekerd is, een beter oordeel geven dan Allah?

أَفَحُكْمَ ٱلْجَٰهِلِيَّةِ يَبْغُونَ وَمَنْ أَحْسَنُ مِنَ ٱللَّهِ حُكْمًا لِّقَوْمٍ يُوقِنُونَ

Geen Joden en christenen tot vrienden nemen

51

O u die gelooft! Neem de Joden en de christenen niet tot uw vrienden en beschermers: zij zijn slechts elkaars vrienden en beschermers. En wie onder u zich tot hen wendt (om vriendschap), behoort tot hen. Voorwaar, Allah leidt geen onrechtvaardig volk.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ لَا تَتَّخِذُوا۟ ٱلْيَهُودَ وَٱلنَّصَٰرَىٰٓ أَوْلِيَآءَ بَعْضُهُمْ أَوْلِيَآءُ بَعْضٍ وَمَن يَتَوَلَّهُم مِّنكُمْ فَإِنَّهُۥ مِنْهُمْ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَهْدِى ٱلْقَوْمَ ٱلظَّٰلِمِينَ

52

Zij in wier hart een ziekte is — u ziet hoe zij zich haastig onder hen begeven, zeggende: "Wij vrezen dat een keer van het lot ons onheil zal brengen." Ach! Wellicht zal Allah (u) de overwinning geven, of een beslissing naar Zijn wil. Dan zullen zij berouw hebben van de gedachten die zij heimelijk in hun hart koesterden.

فَتَرَى ٱلَّذِينَ فِى قُلُوبِهِم مَّرَضٌ يُسَٰرِعُونَ فِيهِمْ يَقُولُونَ نَخْشَىٰٓ أَن تُصِيبَنَا دَآئِرَةٌ فَعَسَى ٱللَّهُ أَن يَأْتِىَ بِٱلْفَتْحِ أَوْ أَمْرٍ مِّنْ عِندِهِۦ فَيُصْبِحُوا۟ عَلَىٰ مَآ أَسَرُّوا۟ فِىٓ أَنفُسِهِمْ نَٰدِمِينَ

53

En zij die geloven zullen zeggen: "Zijn dit de mannen die hun krachtigste eden bij Allah zwoeren, dat zij met u waren?" Al wat zij doen zal ijdel zijn, en zij zullen in (niets dan) ondergang vallen.

وَيَقُولُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ أَهَٰٓؤُلَآءِ ٱلَّذِينَ أَقْسَمُوا۟ بِٱللَّهِ جَهْدَ أَيْمَٰنِهِمْ إِنَّهُمْ لَمَعَكُمْ حَبِطَتْ أَعْمَٰلُهُمْ فَأَصْبَحُوا۟ خَٰسِرِينَ

54

O u die gelooft! Indien iemand van u zich van zijn geloof afkeert, spoedig zal Allah een volk voortbrengen dat Hij zal liefhebben zoals zij Hem zullen liefhebben, — nederig jegens de gelovigen, machtig tegen de verwerpers, strijdend op de weg van Allah, en nooit bevreesd voor de verwijten van wie aanmerkingen maakt. Dat is de genade van Allah, die Hij schenkt aan wie Hem behaagt. En Allah omvat alles, en Hij weet alle dingen.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ مَن يَرْتَدَّ مِنكُمْ عَن دِينِهِۦ فَسَوْفَ يَأْتِى ٱللَّهُ بِقَوْمٍ يُحِبُّهُمْ وَيُحِبُّونَهُۥٓ أَذِلَّةٍ عَلَى ٱلْمُؤْمِنِينَ أَعِزَّةٍ عَلَى ٱلْكَٰفِرِينَ يُجَٰهِدُونَ فِى سَبِيلِ ٱللَّهِ وَلَا يَخَافُونَ لَوْمَةَ لَآئِمٍ ذَٰلِكَ فَضْلُ ٱللَّهِ يُؤْتِيهِ مَن يَشَآءُ وَٱللَّهُ وَٰسِعٌ عَلِيمٌ

55

Uw (ware) vrienden zijn (niemand minder dan) Allah, Zijn boodschapper, en de (gemeenschap van de) gelovigen, — zij die het gebed onderhouden en geregeld aalmoezen geven, en zij buigen zich nederig neer (in aanbidding).

إِنَّمَا وَلِيُّكُمُ ٱللَّهُ وَرَسُولُهُۥ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ ٱلَّذِينَ يُقِيمُونَ ٱلصَّلَوٰةَ وَيُؤْتُونَ ٱلزَّكَوٰةَ وَهُمْ رَٰكِعُونَ

56

Wat betreft hen die zich (om vriendschap) wenden tot Allah, Zijn boodschapper, en de (gemeenschap van de) gelovigen, — het is de gemeenschap van Allah die zeker moet zegevieren.

وَمَن يَتَوَلَّ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ فَإِنَّ حِزْبَ ٱللَّهِ هُمُ ٱلْغَٰلِبُونَ

57

O u die gelooft! Neem niet tot vrienden en beschermers hen die uw godsdienst tot een spot of spel nemen, — hetzij onder hen die de Schrift vóór u ontvangen hebben, hetzij onder hen die het geloof verwerpen; maar vrees Allah, indien u (waarlijk) geloof hebt.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ لَا تَتَّخِذُوا۟ ٱلَّذِينَ ٱتَّخَذُوا۟ دِينَكُمْ هُزُوًا وَلَعِبًا مِّنَ ٱلَّذِينَ أُوتُوا۟ ٱلْكِتَٰبَ مِن قَبْلِكُمْ وَٱلْكُفَّارَ أَوْلِيَآءَ وَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ إِن كُنتُم مُّؤْمِنِينَ

58

Wanneer u uw oproep tot het gebed verkondigt, nemen zij die (slechts) tot spot en spel; dat is omdat zij een volk zonder verstand zijn.

وَإِذَا نَادَيْتُمْ إِلَى ٱلصَّلَوٰةِ ٱتَّخَذُوهَا هُزُوًا وَلَعِبًا ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمْ قَوْمٌ لَّا يَعْقِلُونَ

Spot en godslastering van de mensen van het Boek

59

Zeg: "O mensen van het Boek! Keurt u ons af om geen andere reden dan dat wij geloven in Allah, en in de openbaring die tot ons gekomen is en in hetgeen dat vóór (ons) gekomen is, en (wellicht) omdat de meesten van u opstandig en ongehoorzaam zijn?"

قُلْ يَٰٓأَهْلَ ٱلْكِتَٰبِ هَلْ تَنقِمُونَ مِنَّآ إِلَّآ أَنْ ءَامَنَّا بِٱللَّهِ وَمَآ أُنزِلَ إِلَيْنَا وَمَآ أُنزِلَ مِن قَبْلُ وَأَنَّ أَكْثَرَكُمْ فَٰسِقُونَ

60

Zeg: "Zal ik u iets aanwijzen dat veel erger is dan dit, (geoordeeld) naar de behandeling die het van Allah ontving? Zij die de vloek van Allah en Zijn toorn over zich brachten, zij van wie Hij sommigen in apen en zwijnen veranderde, zij die het kwaad aanbaden; — dezen zijn (vele malen) erger in rang, en veel verder afgedwaald van het effen pad!"

قُلْ هَلْ أُنَبِّئُكُم بِشَرٍّ مِّن ذَٰلِكَ مَثُوبَةً عِندَ ٱللَّهِ مَن لَّعَنَهُ ٱللَّهُ وَغَضِبَ عَلَيْهِ وَجَعَلَ مِنْهُمُ ٱلْقِرَدَةَ وَٱلْخَنَازِيرَ وَعَبَدَ ٱلطَّٰغُوتَ أُو۟لَٰٓئِكَ شَرٌّ مَّكَانًا وَأَضَلُّ عَن سَوَآءِ ٱلسَّبِيلِ

61

Wanneer zij tot u komen, zeggen zij: "Wij geloven": maar in werkelijkheid gaan zij binnen met een gemoed dat tegen het geloof is, en zij gaan naar buiten met hetzelfde. Maar Allah weet ten volle alles wat zij verbergen.

وَإِذَا جَآءُوكُمْ قَالُوٓا۟ ءَامَنَّا وَقَد دَّخَلُوا۟ بِٱلْكُفْرِ وَهُمْ قَدْ خَرَجُوا۟ بِهِۦ وَٱللَّهُ أَعْلَمُ بِمَا كَانُوا۟ يَكْتُمُونَ

62

Velen van hen ziet u zich haasten, met elkaar wedijverend, in zonde en wrok, en in hun eten van verboden dingen. Kwaad voorwaar zijn de dingen die zij doen.

وَتَرَىٰ كَثِيرًا مِّنْهُمْ يُسَٰرِعُونَ فِى ٱلْإِثْمِ وَٱلْعُدْوَٰنِ وَأَكْلِهِمُ ٱلسُّحْتَ لَبِئْسَ مَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ

63

Waarom verbieden de rabbijnen en de wetgeleerden hun niet hun (gewoonte van) het spreken van zondige woorden en het eten van verboden dingen? Kwaad voorwaar zijn hun werken.

لَوْلَا يَنْهَىٰهُمُ ٱلرَّبَّٰنِيُّونَ وَٱلْأَحْبَارُ عَن قَوْلِهِمُ ٱلْإِثْمَ وَأَكْلِهِمُ ٱلسُّحْتَ لَبِئْسَ مَا كَانُوا۟ يَصْنَعُونَ

64

De Joden zeggen: "Allahs hand is gebonden." Mogen hun handen gebonden zijn en mogen zij vervloekt zijn om de (godslastering) die zij uiten. Nee, Zijn beide handen zijn wijd uitgestrekt: Hij geeft en schenkt (van Zijn overvloed) zoals Hem behaagt. Maar de openbaring die tot u komt van Allah doet bij de meesten van hen hun hardnekkige opstandigheid en godslastering toenemen. Onder hen hebben Wij vijandschap en haat geplaatst tot de dag van het oordeel. Iedere keer dat zij het vuur van de oorlog ontsteken, dooft Allah het; maar zij streven er (steeds) naar verderf te stichten op aarde. En Allah heeft hen niet lief die verderf stichten.

وَقَالَتِ ٱلْيَهُودُ يَدُ ٱللَّهِ مَغْلُولَةٌ غُلَّتْ أَيْدِيهِمْ وَلُعِنُوا۟ بِمَا قَالُوا۟ بَلْ يَدَاهُ مَبْسُوطَتَانِ يُنفِقُ كَيْفَ يَشَآءُ وَلَيَزِيدَنَّ كَثِيرًا مِّنْهُم مَّآ أُنزِلَ إِلَيْكَ مِن رَّبِّكَ طُغْيَٰنًا وَكُفْرًا وَأَلْقَيْنَا بَيْنَهُمُ ٱلْعَدَٰوَةَ وَٱلْبَغْضَآءَ إِلَىٰ يَوْمِ ٱلْقِيَٰمَةِ كُلَّمَآ أَوْقَدُوا۟ نَارًا لِّلْحَرْبِ أَطْفَأَهَا ٱللَّهُ وَيَسْعَوْنَ فِى ٱلْأَرْضِ فَسَادًا وَٱللَّهُ لَا يُحِبُّ ٱلْمُفْسِدِينَ

65

Indien de mensen van het Boek slechts geloofd hadden en rechtvaardig geweest waren, dan zouden Wij voorwaar hun ongerechtigheden uitgewist hebben en hen toegelaten hebben tot hoven van gelukzaligheid.

وَلَوْ أَنَّ أَهْلَ ٱلْكِتَٰبِ ءَامَنُوا۟ وَٱتَّقَوْا۟ لَكَفَّرْنَا عَنْهُمْ سَيِّـَٔاتِهِمْ وَلَأَدْخَلْنَٰهُمْ جَنَّٰتِ ٱلنَّعِيمِ

66

Indien zij slechts standvastig vastgehouden hadden aan de Thora, het Evangelie, en heel de openbaring die hun van hun Heer gezonden was, dan zouden zij van alle zijden geluk genoten hebben. Er is onder hen een groep op de rechte koers: maar velen van hen volgen een koers die kwaad is.

وَلَوْ أَنَّهُمْ أَقَامُوا۟ ٱلتَّوْرَىٰةَ وَٱلْإِنجِيلَ وَمَآ أُنزِلَ إِلَيْهِم مِّن رَّبِّهِمْ لَأَكَلُوا۟ مِن فَوْقِهِمْ وَمِن تَحْتِ أَرْجُلِهِم مِّنْهُمْ أُمَّةٌ مُّقْتَصِدَةٌ وَكَثِيرٌ مِّنْهُمْ سَآءَ مَا يَعْمَلُونَ

De plicht van de boodschapper en het ware geloof

67

O boodschapper! Verkondig de (boodschap) die tot u gezonden is van uw Heer. Indien u het niet deed, dan zou u Zijn opdracht niet vervuld en verkondigd hebben. En Allah zal u verdedigen tegen de mensen (die kwaad in de zin hebben). Want Allah leidt niet hen die het geloof verwerpen.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلرَّسُولُ بَلِّغْ مَآ أُنزِلَ إِلَيْكَ مِن رَّبِّكَ وَإِن لَّمْ تَفْعَلْ فَمَا بَلَّغْتَ رِسَالَتَهُۥ وَٱللَّهُ يَعْصِمُكَ مِنَ ٱلنَّاسِ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَهْدِى ٱلْقَوْمَ ٱلْكَٰفِرِينَ

68

Zeg: "O mensen van het Boek! U hebt geen grond om op te staan, tenzij u standvastig vasthoudt aan de Thora, het Evangelie, en heel de openbaring die van uw Heer tot u gekomen is." Het is de openbaring die van uw Heer tot u komt, die bij de meesten van hen hun hardnekkige opstandigheid en godslastering doet toenemen. Maar treur niet over (deze) mensen zonder geloof.

قُلْ يَٰٓأَهْلَ ٱلْكِتَٰبِ لَسْتُمْ عَلَىٰ شَىْءٍ حَتَّىٰ تُقِيمُوا۟ ٱلتَّوْرَىٰةَ وَٱلْإِنجِيلَ وَمَآ أُنزِلَ إِلَيْكُم مِّن رَّبِّكُمْ وَلَيَزِيدَنَّ كَثِيرًا مِّنْهُم مَّآ أُنزِلَ إِلَيْكَ مِن رَّبِّكَ طُغْيَٰنًا وَكُفْرًا فَلَا تَأْسَ عَلَى ٱلْقَوْمِ ٱلْكَٰفِرِينَ

69

Zij die geloven (in de Koran), zij die de Joodse (geschriften) volgen, en de Sabiërs en de christenen, — al wie gelooft in Allah en de laatste dag, en gerechtigheid werkt, — over hen zal geen vrees komen, noch zullen zij treuren.

إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَٱلَّذِينَ هَادُوا۟ وَٱلصَّٰبِـُٔونَ وَٱلنَّصَٰرَىٰ مَنْ ءَامَنَ بِٱللَّهِ وَٱلْيَوْمِ ٱلْـَٔاخِرِ وَعَمِلَ صَٰلِحًا فَلَا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلَا هُمْ يَحْزَنُونَ

70

Wij hebben het verbond van de kinderen van Israël aangenomen en hun boodschappers gezonden; iedere keer dat er een boodschapper tot hen kwam met hetgeen zijzelf niet begeerden, — noemden zij sommigen (van dezen) bedriegers, en sommigen (gingen zij zo ver te) doden.

لَقَدْ أَخَذْنَا مِيثَٰقَ بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ وَأَرْسَلْنَآ إِلَيْهِمْ رُسُلًا كُلَّمَا جَآءَهُمْ رَسُولٌۢ بِمَا لَا تَهْوَىٰٓ أَنفُسُهُمْ فَرِيقًا كَذَّبُوا۟ وَفَرِيقًا يَقْتُلُونَ

71

Zij dachten dat er geen beproeving (of straf) zou zijn; zo werden zij blind en doof; toch wendde Allah (in barmhartigheid) Zich tot hen; toch werden wederom velen van hen blind en doof. Maar Allah ziet zeer wel alles wat zij doen.

وَحَسِبُوٓا۟ أَلَّا تَكُونَ فِتْنَةٌ فَعَمُوا۟ وَصَمُّوا۟ ثُمَّ تَابَ ٱللَّهُ عَلَيْهِمْ ثُمَّ عَمُوا۟ وَصَمُّوا۟ كَثِيرٌ مِّنْهُمْ وَٱللَّهُ بَصِيرٌۢ بِمَا يَعْمَلُونَ

De godslastering over de Drie-eenheid

72

Zij lasteren voorwaar die zeggen: "Allah is Christus de zoon van Maria." Maar Christus zei: "O kinderen van Israël! Aanbid Allah, mijn Heer en uw Heer." Wie andere goden aan Allah toevoegt, — hem zal Allah de hof verbieden, en het vuur zal zijn verblijfplaats zijn. Er zal voor de onrechtplegers niemand zijn om te helpen.

لَقَدْ كَفَرَ ٱلَّذِينَ قَالُوٓا۟ إِنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلْمَسِيحُ ٱبْنُ مَرْيَمَ وَقَالَ ٱلْمَسِيحُ يَٰبَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ ٱعْبُدُوا۟ ٱللَّهَ رَبِّى وَرَبَّكُمْ إِنَّهُۥ مَن يُشْرِكْ بِٱللَّهِ فَقَدْ حَرَّمَ ٱللَّهُ عَلَيْهِ ٱلْجَنَّةَ وَمَأْوَىٰهُ ٱلنَّارُ وَمَا لِلظَّٰلِمِينَ مِنْ أَنصَارٍ

73

Zij lasteren voorwaar die zeggen: Allah is een van drie in een Drie-eenheid: want er is geen god behalve de Ene Allah. Indien zij niet aflaten van hun woord (van godslastering), voorwaar, een smartelijke straf zal de lasteraars onder hen treffen.

لَّقَدْ كَفَرَ ٱلَّذِينَ قَالُوٓا۟ إِنَّ ٱللَّهَ ثَالِثُ ثَلَٰثَةٍ وَمَا مِنْ إِلَٰهٍ إِلَّآ إِلَٰهٌ وَٰحِدٌ وَإِن لَّمْ يَنتَهُوا۟ عَمَّا يَقُولُونَ لَيَمَسَّنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِنْهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ

74

Waarom wenden zij zich niet tot Allah, en zoeken Zijn vergeving? Want Allah is Veelvergevend, Meest Barmhartig.

أَفَلَا يَتُوبُونَ إِلَى ٱللَّهِ وَيَسْتَغْفِرُونَهُۥ وَٱللَّهُ غَفُورٌ رَّحِيمٌ

75

Christus de zoon van Maria was niet meer dan een boodschapper; vele boodschappers zijn vóór hem heengegaan. Zijn moeder was een vrouw van waarheid. Zij moesten beiden hun (dagelijks) voedsel eten. Zie hoe Allah Zijn tekenen voor hen duidelijk maakt; en zie toch op welke wijzen zij van de waarheid weggelokt worden!

مَّا ٱلْمَسِيحُ ٱبْنُ مَرْيَمَ إِلَّا رَسُولٌ قَدْ خَلَتْ مِن قَبْلِهِ ٱلرُّسُلُ وَأُمُّهُۥ صِدِّيقَةٌ كَانَا يَأْكُلَانِ ٱلطَّعَامَ ٱنظُرْ كَيْفَ نُبَيِّنُ لَهُمُ ٱلْـَٔايَٰتِ ثُمَّ ٱنظُرْ أَنَّىٰ يُؤْفَكُونَ

76

Zeg: "Wilt u, naast Allah, iets aanbidden dat geen macht heeft u te schaden of te baten? Maar Allah, — Hij is het die alle dingen hoort en weet."

قُلْ أَتَعْبُدُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ مَا لَا يَمْلِكُ لَكُمْ ضَرًّا وَلَا نَفْعًا وَٱللَّهُ هُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلْعَلِيمُ

77

Zeg: "O mensen van het Boek! Overschrijd in uw godsdienst niet de grenzen (van wat betamelijk is), de waarheid te buiten gaande, en volg niet de ijdele begeerten van mensen die in vroeger tijden gedwaald hebben, — die velen misleid hebben, en (zelf) van de effen weg afgedwaald zijn."

قُلْ يَٰٓأَهْلَ ٱلْكِتَٰبِ لَا تَغْلُوا۟ فِى دِينِكُمْ غَيْرَ ٱلْحَقِّ وَلَا تَتَّبِعُوٓا۟ أَهْوَآءَ قَوْمٍ قَدْ ضَلُّوا۟ مِن قَبْلُ وَأَضَلُّوا۟ كَثِيرًا وَضَلُّوا۟ عَن سَوَآءِ ٱلسَّبِيلِ

De vervloeking van de ongehoorzamen onder Israël

78

Vervloekingen werden uitgesproken over hen onder de kinderen van Israël die het geloof verwierpen, door de tong van David en van Jezus de zoon van Maria: omdat zij ongehoorzaam waren en volhardden in buitensporigheden.

لُعِنَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِنۢ بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ عَلَىٰ لِسَانِ دَاوُۥدَ وَعِيسَى ٱبْنِ مَرْيَمَ ذَٰلِكَ بِمَا عَصَوا۟ وَّكَانُوا۟ يَعْتَدُونَ

79

Evenmin verboden zij (doorgaans) elkander de ongerechtigheden die zij begingen: kwaad voorwaar waren de daden die zij deden.

كَانُوا۟ لَا يَتَنَاهَوْنَ عَن مُّنكَرٍ فَعَلُوهُ لَبِئْسَ مَا كَانُوا۟ يَفْعَلُونَ

80

U ziet velen van hen zich in vriendschap wenden tot de ongelovigen. Kwaad voorwaar zijn (de werken) die hun zielen vóór hen uitgezonden hebben, (met het gevolg) dat Allahs toorn op hen is, en in kwelling zullen zij verblijven.

تَرَىٰ كَثِيرًا مِّنْهُمْ يَتَوَلَّوْنَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ لَبِئْسَ مَا قَدَّمَتْ لَهُمْ أَنفُسُهُمْ أَن سَخِطَ ٱللَّهُ عَلَيْهِمْ وَفِى ٱلْعَذَابِ هُمْ خَٰلِدُونَ

81

Indien zij slechts geloofd hadden in Allah, in de profeet, en in wat hem geopenbaard is, nooit zouden zij hen tot vrienden en beschermers genomen hebben, maar de meesten van hen zijn opstandige onrechtplegers.

وَلَوْ كَانُوا۟ يُؤْمِنُونَ بِٱللَّهِ وَٱلنَّبِىِّ وَمَآ أُنزِلَ إِلَيْهِ مَا ٱتَّخَذُوهُمْ أَوْلِيَآءَ وَلَٰكِنَّ كَثِيرًا مِّنْهُمْ فَٰسِقُونَ

Christenen die de waarheid herkennen

82

De sterksten onder de mensen in vijandschap jegens de gelovigen zult u de Joden en de heidenen vinden; en het dichtst onder hen in liefde tot de gelovigen zult u hen vinden die zeggen: "Wij zijn christenen": omdat er onder dezen mannen zijn die zich aan geleerdheid wijden en mannen die de wereld verzaakt hebben, en zij zijn niet hoogmoedig.

لَتَجِدَنَّ أَشَدَّ ٱلنَّاسِ عَدَٰوَةً لِّلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ ٱلْيَهُودَ وَٱلَّذِينَ أَشْرَكُوا۟ وَلَتَجِدَنَّ أَقْرَبَهُم مَّوَدَّةً لِّلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ ٱلَّذِينَ قَالُوٓا۟ إِنَّا نَصَٰرَىٰ ذَٰلِكَ بِأَنَّ مِنْهُمْ قِسِّيسِينَ وَرُهْبَانًا وَأَنَّهُمْ لَا يَسْتَكْبِرُونَ

83

En wanneer zij luisteren naar de openbaring die de boodschapper ontvangen heeft, zult u hun ogen zien overvloeien van tranen, want zij herkennen de waarheid: zij bidden: "Onze Heer! Wij geloven; schrijf ons op onder de getuigen."

وَإِذَا سَمِعُوا۟ مَآ أُنزِلَ إِلَى ٱلرَّسُولِ تَرَىٰٓ أَعْيُنَهُمْ تَفِيضُ مِنَ ٱلدَّمْعِ مِمَّا عَرَفُوا۟ مِنَ ٱلْحَقِّ يَقُولُونَ رَبَّنَآ ءَامَنَّا فَٱكْتُبْنَا مَعَ ٱلشَّٰهِدِينَ

84

"Welke reden kunnen wij hebben om niet te geloven in Allah en de waarheid die tot ons gekomen is, daar wij ernaar verlangen dat onze Heer ons toelaat tot het gezelschap van de rechtvaardigen?"

وَمَا لَنَا لَا نُؤْمِنُ بِٱللَّهِ وَمَا جَآءَنَا مِنَ ٱلْحَقِّ وَنَطْمَعُ أَن يُدْخِلَنَا رَبُّنَا مَعَ ٱلْقَوْمِ ٱلصَّٰلِحِينَ

85

En voor dit hun gebed heeft Allah hen beloond met hoven, waar de rivieren onderdoor stromen, — hun eeuwig tehuis. Zo is de vergelding van hen die goeddoen.

فَأَثَٰبَهُمُ ٱللَّهُ بِمَا قَالُوا۟ جَنَّٰتٍ تَجْرِى مِن تَحْتِهَا ٱلْأَنْهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا وَذَٰلِكَ جَزَآءُ ٱلْمُحْسِنِينَ

86

Maar zij die het geloof verwerpen en Onze tekenen loochenen, — zij zullen metgezellen van het hellevuur zijn.

وَٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ وَكَذَّبُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَآ أُو۟لَٰٓئِكَ أَصْحَٰبُ ٱلْجَحِيمِ

Eden, wijn en kansspel

87

O u die gelooft! Verklaar de goede dingen die Allah u geoorloofd gemaakt heeft niet ongeoorloofd, maar bega geen buitensporigheid: want Allah heeft niet lief hen die tot buitensporigheid geneigd zijn.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ لَا تُحَرِّمُوا۟ طَيِّبَٰتِ مَآ أَحَلَّ ٱللَّهُ لَكُمْ وَلَا تَعْتَدُوٓا۟ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يُحِبُّ ٱلْمُعْتَدِينَ

88

Eet van de dingen die Allah u verschaft heeft, geoorloofd en goed; maar vrees Allah, in Wie u gelooft.

وَكُلُوا۟ مِمَّا رَزَقَكُمُ ٱللَّهُ حَلَٰلًا طَيِّبًا وَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ ٱلَّذِىٓ أَنتُم بِهِۦ مُؤْمِنُونَ

89

Allah zal u geen rekenschap vragen van wat ijdel is in uw eden, maar Hij zal u rekenschap vragen van uw weloverwogen eden: als boetedoening, spijzig tien behoeftigen, naar de maat van het gemiddelde voedsel van uw gezinnen; of kleed hen; of geef een slaaf zijn vrijheid. Indien dat uw vermogen te boven gaat, vast dan drie dagen. Dat is de boetedoening voor de eden die u gezworen hebt. Maar houd u aan uw eden. Zo maakt Allah u Zijn tekenen duidelijk, opdat u dankbaar zou zijn.

لَا يُؤَاخِذُكُمُ ٱللَّهُ بِٱللَّغْوِ فِىٓ أَيْمَٰنِكُمْ وَلَٰكِن يُؤَاخِذُكُم بِمَا عَقَّدتُّمُ ٱلْأَيْمَٰنَ فَكَفَّٰرَتُهُۥٓ إِطْعَامُ عَشَرَةِ مَسَٰكِينَ مِنْ أَوْسَطِ مَا تُطْعِمُونَ أَهْلِيكُمْ أَوْ كِسْوَتُهُمْ أَوْ تَحْرِيرُ رَقَبَةٍ فَمَن لَّمْ يَجِدْ فَصِيَامُ ثَلَٰثَةِ أَيَّامٍ ذَٰلِكَ كَفَّٰرَةُ أَيْمَٰنِكُمْ إِذَا حَلَفْتُمْ وَٱحْفَظُوٓا۟ أَيْمَٰنَكُمْ كَذَٰلِكَ يُبَيِّنُ ٱللَّهُ لَكُمْ ءَايَٰتِهِۦ لَعَلَّكُمْ تَشْكُرُونَ

90

O u die gelooft! Bedwelmende dranken en kansspel, (het wijden van) stenen, en (het waarzeggen met) pijlen, zijn een gruwel, — van Satans maaksel: mijd zulk (een gruwel), opdat u voorspoedig zou zijn.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ إِنَّمَا ٱلْخَمْرُ وَٱلْمَيْسِرُ وَٱلْأَنصَابُ وَٱلْأَزْلَٰمُ رِجْسٌ مِّنْ عَمَلِ ٱلشَّيْطَٰنِ فَٱجْتَنِبُوهُ لَعَلَّكُمْ تُفْلِحُونَ

91

Satans plan is (slechts) vijandschap en haat tussen u op te wekken, met bedwelmende dranken en kansspel, en u af te houden van de gedachtenis aan Allah, en van het gebed: zult u zich dan niet onthouden?

إِنَّمَا يُرِيدُ ٱلشَّيْطَٰنُ أَن يُوقِعَ بَيْنَكُمُ ٱلْعَدَٰوَةَ وَٱلْبَغْضَآءَ فِى ٱلْخَمْرِ وَٱلْمَيْسِرِ وَيَصُدَّكُمْ عَن ذِكْرِ ٱللَّهِ وَعَنِ ٱلصَّلَوٰةِ فَهَلْ أَنتُم مُّنتَهُونَ

92

Gehoorzaam Allah, en gehoorzaam de boodschapper, en wees op uw hoede (voor het kwaad): indien u zich afkeert, weet dan dat het de plicht van Onze boodschapper is (de boodschap) op de duidelijkste wijze te verkondigen.

وَأَطِيعُوا۟ ٱللَّهَ وَأَطِيعُوا۟ ٱلرَّسُولَ وَٱحْذَرُوا۟ فَإِن تَوَلَّيْتُمْ فَٱعْلَمُوٓا۟ أَنَّمَا عَلَىٰ رَسُولِنَا ٱلْبَلَٰغُ ٱلْمُبِينُ

93

Op hen die geloven en goede daden verrichten rust geen blaam voor wat zij (in het verleden) gegeten hebben, wanneer zij zich hoeden voor het kwaad, en geloven, en goede daden verrichten, — (of) wederom, zich hoeden voor het kwaad en geloven, — (of) wederom, zich hoeden voor het kwaad en goeddoen. Want Allah heeft hen lief die goeddoen.

لَيْسَ عَلَى ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ جُنَاحٌ فِيمَا طَعِمُوٓا۟ إِذَا مَا ٱتَّقَوا۟ وَّءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ ثُمَّ ٱتَّقَوا۟ وَّءَامَنُوا۟ ثُمَّ ٱتَّقَوا۟ وَّأَحْسَنُوا۟ وَٱللَّهُ يُحِبُّ ٱلْمُحْسِنِينَ

De jacht tijdens de bedevaart en het Heilige Huis

94

O u die gelooft! Allah stelt u slechts op de proef in een kleine zaak van wild, dat goed binnen het bereik van uw handen en uw lansen is, opdat Hij zou beproeven wie Hem ongezien vreest: wie daarna overtreedt, zal een smartelijke straf hebben.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ لَيَبْلُوَنَّكُمُ ٱللَّهُ بِشَىْءٍ مِّنَ ٱلصَّيْدِ تَنَالُهُۥٓ أَيْدِيكُمْ وَرِمَاحُكُمْ لِيَعْلَمَ ٱللَّهُ مَن يَخَافُهُۥ بِٱلْغَيْبِ فَمَنِ ٱعْتَدَىٰ بَعْدَ ذَٰلِكَ فَلَهُۥ عَذَابٌ أَلِيمٌ

95

O u die gelooft! Dood geen wild terwijl u zich binnen het heilige gebied bevindt of in pelgrimsgewaad. Indien iemand van u dat opzettelijk doet, is de vergoeding een offergave, gebracht naar de Ka'ba, van een tam dier gelijkwaardig aan het dier dat hij gedood heeft, naar het oordeel van twee rechtvaardige mannen onder u; of bij wijze van boetedoening, het spijzigen van de behoeftigen; of het gelijkwaardige daarvan in vasten: opdat hij de straf van zijn daad zou proeven. Allah vergeeft wat voorbij is: bij herhaling zal Allah de straf van hem eisen. Want Allah is Verheven, en Heer van de vergelding.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ لَا تَقْتُلُوا۟ ٱلصَّيْدَ وَأَنتُمْ حُرُمٌ وَمَن قَتَلَهُۥ مِنكُم مُّتَعَمِّدًا فَجَزَآءٌ مِّثْلُ مَا قَتَلَ مِنَ ٱلنَّعَمِ يَحْكُمُ بِهِۦ ذَوَا عَدْلٍ مِّنكُمْ هَدْيًۢا بَٰلِغَ ٱلْكَعْبَةِ أَوْ كَفَّٰرَةٌ طَعَامُ مَسَٰكِينَ أَوْ عَدْلُ ذَٰلِكَ صِيَامًا لِّيَذُوقَ وَبَالَ أَمْرِهِۦ عَفَا ٱللَّهُ عَمَّا سَلَفَ وَمَنْ عَادَ فَيَنتَقِمُ ٱللَّهُ مِنْهُ وَٱللَّهُ عَزِيزٌ ذُو ٱنتِقَامٍ

96

Geoorloofd voor u is de vangst van waterwild en het gebruik daarvan als voedsel, — ten bate van uzelf en van hen die reizen; maar verboden is de jacht op landwild, — zolang u zich binnen het heilige gebied bevindt of in pelgrimsgewaad. En vrees Allah, tot Wie u teruggebracht zult worden.

أُحِلَّ لَكُمْ صَيْدُ ٱلْبَحْرِ وَطَعَامُهُۥ مَتَٰعًا لَّكُمْ وَلِلسَّيَّارَةِ وَحُرِّمَ عَلَيْكُمْ صَيْدُ ٱلْبَرِّ مَا دُمْتُمْ حُرُمًا وَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ ٱلَّذِىٓ إِلَيْهِ تُحْشَرُونَ

97

Allah heeft de Ka'ba, het Heilige Huis, gemaakt tot een vrijplaats van veiligheid voor de mensen, alsook de heilige maanden, de dieren voor de offergaven, en de kransen die hen kenmerken: opdat u zou weten dat Allah kennis heeft van wat in de hemelen en op aarde is en dat Allah met alle dingen zeer goed bekend is.

جَعَلَ ٱللَّهُ ٱلْكَعْبَةَ ٱلْبَيْتَ ٱلْحَرَامَ قِيَٰمًا لِّلنَّاسِ وَٱلشَّهْرَ ٱلْحَرَامَ وَٱلْهَدْىَ وَٱلْقَلَٰٓئِدَ ذَٰلِكَ لِتَعْلَمُوٓا۟ أَنَّ ٱللَّهَ يَعْلَمُ مَا فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِى ٱلْأَرْضِ وَأَنَّ ٱللَّهَ بِكُلِّ شَىْءٍ عَلِيمٌ

98

Weet dat Allah streng is in de bestraffing en dat Allah Veelvergevend is, Meest Barmhartig.

ٱعْلَمُوٓا۟ أَنَّ ٱللَّهَ شَدِيدُ ٱلْعِقَابِ وَأَنَّ ٱللَّهَ غَفُورٌ رَّحِيمٌ

99

De plicht van de boodschapper is slechts (de boodschap) te verkondigen. Maar Allah weet alles wat u openbaart en wat u verbergt.

مَّا عَلَى ٱلرَّسُولِ إِلَّا ٱلْبَلَٰغُ وَٱللَّهُ يَعْلَمُ مَا تُبْدُونَ وَمَا تَكْتُمُونَ

Vragen stellen en de gewoonten der voorvaderen

100

Zeg: "Niet gelijk zijn de dingen die slecht zijn en de dingen die goed zijn, ook al zou de overvloed van het slechte u verblinden; vrees dan Allah, o u die verstand hebt; opdat u (zo) voorspoedig zou zijn."

قُل لَّا يَسْتَوِى ٱلْخَبِيثُ وَٱلطَّيِّبُ وَلَوْ أَعْجَبَكَ كَثْرَةُ ٱلْخَبِيثِ فَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ يَٰٓأُو۟لِى ٱلْأَلْبَٰبِ لَعَلَّكُمْ تُفْلِحُونَ

101

O u die gelooft! Stel geen vragen over dingen die, indien zij u duidelijk gemaakt werden, u moeite zouden kunnen berokkenen. Maar indien u naar dingen vraagt terwijl de Koran geopenbaard wordt, zullen zij u duidelijk gemaakt worden. Allah zal die vergeven: want Allah is Veelvergevend, Meest Verdraagzaam.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ لَا تَسْـَٔلُوا۟ عَنْ أَشْيَآءَ إِن تُبْدَ لَكُمْ تَسُؤْكُمْ وَإِن تَسْـَٔلُوا۟ عَنْهَا حِينَ يُنَزَّلُ ٱلْقُرْءَانُ تُبْدَ لَكُمْ عَفَا ٱللَّهُ عَنْهَا وَٱللَّهُ غَفُورٌ حَلِيمٌ

102

Sommige mensen vóór u hebben zulke vragen gesteld, en verloren daardoor hun geloof.

قَدْ سَأَلَهَا قَوْمٌ مِّن قَبْلِكُمْ ثُمَّ أَصْبَحُوا۟ بِهَا كَٰفِرِينَ

103

Het was niet Allah die (bijgelovigheden instelde zoals die van) een kameelmerrie met gespleten oor, of een kameelmerrie losgelaten voor vrije weide, of afgodenoffers voor tweelinggeboorten bij dieren, of kameelhengsten vrijgesteld van arbeid: het zijn de lasteraars die een leugen tegen Allah verzinnen; maar de meesten van hen missen wijsheid.

مَا جَعَلَ ٱللَّهُ مِنۢ بَحِيرَةٍ وَلَا سَآئِبَةٍ وَلَا وَصِيلَةٍ وَلَا حَامٍ وَلَٰكِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ يَفْتَرُونَ عَلَى ٱللَّهِ ٱلْكَذِبَ وَأَكْثَرُهُمْ لَا يَعْقِلُونَ

104

Wanneer tot hen gezegd wordt: "Kom tot wat Allah geopenbaard heeft; kom tot de boodschapper": zeggen zij: "Genoeg voor ons zijn de wegen die wij onze vaderen zagen volgen." Wat! Zelfs al waren hun vaderen verstoken van kennis en leiding?

وَإِذَا قِيلَ لَهُمْ تَعَالَوْا۟ إِلَىٰ مَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ وَإِلَى ٱلرَّسُولِ قَالُوا۟ حَسْبُنَا مَا وَجَدْنَا عَلَيْهِ ءَابَآءَنَآ أَوَلَوْ كَانَ ءَابَآؤُهُمْ لَا يَعْلَمُونَ شَيْـًٔا وَلَا يَهْتَدُونَ

Getuigenis bij het testament

105

O u die gelooft! Waak over uw eigen zielen: indien u de (rechte) leiding volgt, kan u geen kwaad overkomen van hen die afdwalen. Het doel van u allen is tot Allah: Hij is het die u de waarheid zal tonen van alles wat u doet.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ عَلَيْكُمْ أَنفُسَكُمْ لَا يَضُرُّكُم مَّن ضَلَّ إِذَا ٱهْتَدَيْتُمْ إِلَى ٱللَّهِ مَرْجِعُكُمْ جَمِيعًا فَيُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ

106

O u die gelooft! Wanneer de dood een van u nadert, (neem dan) getuigen onder uzelf bij het maken van uiterste wilsbeschikkingen, — twee rechtvaardige mannen uit uw eigen (broederschap) of anderen van buiten, indien u door het land reist en het onheil van de dood u (aldus) treft. Indien u twijfelt (aan hun waarheid), houd hen dan beiden vast na het gebed, en laat hen beiden zweren bij Allah: "Wij wensen hierin geen enkel werelds gewin, ook al ware de (begunstigde) onze naaste bloedverwant: wij zullen het getuigenis voor Allah niet verbergen: indien wij dat doen, zie! dan zij de zonde op ons!"

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ شَهَٰدَةُ بَيْنِكُمْ إِذَا حَضَرَ أَحَدَكُمُ ٱلْمَوْتُ حِينَ ٱلْوَصِيَّةِ ٱثْنَانِ ذَوَا عَدْلٍ مِّنكُمْ أَوْ ءَاخَرَانِ مِنْ غَيْرِكُمْ إِنْ أَنتُمْ ضَرَبْتُمْ فِى ٱلْأَرْضِ فَأَصَٰبَتْكُم مُّصِيبَةُ ٱلْمَوْتِ تَحْبِسُونَهُمَا مِنۢ بَعْدِ ٱلصَّلَوٰةِ فَيُقْسِمَانِ بِٱللَّهِ إِنِ ٱرْتَبْتُمْ لَا نَشْتَرِى بِهِۦ ثَمَنًا وَلَوْ كَانَ ذَا قُرْبَىٰ وَلَا نَكْتُمُ شَهَٰدَةَ ٱللَّهِ إِنَّآ إِذًا لَّمِنَ ٱلْـَٔاثِمِينَ

107

Maar indien bekend wordt dat deze twee zich schuldig gemaakt hebben aan de zonde (van meineed), laat dan twee anderen in hun plaats opstaan, — de naasten in verwantschap onder hen die een wettig recht doen gelden: laat hen zweren bij Allah: "Wij verklaren dat ons getuigenis waarachtiger is dan dat van die twee, en dat wij (de waarheid) niet te buiten gegaan zijn: indien wij dat deden, zie! dan zij het onrecht op ons!"

فَإِنْ عُثِرَ عَلَىٰٓ أَنَّهُمَا ٱسْتَحَقَّآ إِثْمًا فَـَٔاخَرَانِ يَقُومَانِ مَقَامَهُمَا مِنَ ٱلَّذِينَ ٱسْتَحَقَّ عَلَيْهِمُ ٱلْأَوْلَيَٰنِ فَيُقْسِمَانِ بِٱللَّهِ لَشَهَٰدَتُنَآ أَحَقُّ مِن شَهَٰدَتِهِمَا وَمَا ٱعْتَدَيْنَآ إِنَّآ إِذًا لَّمِنَ ٱلظَّٰلِمِينَ

108

Dat is het meest gepast: opdat zij het getuigenis geven naar zijn ware aard en gedaante, of anders zouden zij vrezen dat andere eden gezworen zouden worden na hun eden. Maar vrees Allah, en luister (naar Zijn raad): want Allah leidt geen opstandig volk:

ذَٰلِكَ أَدْنَىٰٓ أَن يَأْتُوا۟ بِٱلشَّهَٰدَةِ عَلَىٰ وَجْهِهَآ أَوْ يَخَافُوٓا۟ أَن تُرَدَّ أَيْمَٰنٌۢ بَعْدَ أَيْمَٰنِهِمْ وَٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ وَٱسْمَعُوا۟ وَٱللَّهُ لَا يَهْدِى ٱلْقَوْمَ ٱلْفَٰسِقِينَ

Jezus ondervraagd over zijn gunsten en aanbidding

109

Op zekere dag zal Allah de boodschappers bijeenvergaderen, en vragen: "Wat was het antwoord dat u (van de mensen op uw onderricht) ontving?" Zij zullen zeggen: "Wij hebben geen kennis: U bent het die ten volle alles weet wat verborgen is."

يَوْمَ يَجْمَعُ ٱللَّهُ ٱلرُّسُلَ فَيَقُولُ مَاذَآ أُجِبْتُمْ قَالُوا۟ لَا عِلْمَ لَنَآ إِنَّكَ أَنتَ عَلَّٰمُ ٱلْغُيُوبِ

110

Dan zal Allah zeggen: "O Jezus, zoon van Maria! Gedenk Mijn gunst aan u en aan uw moeder. Zie! Ik heb u gesterkt met de heilige geest, zodat u tot de mensen sprak in de kindsheid en in de volwassenheid. Zie! Ik heb u het Boek en de Wijsheid geleerd, de Thora en het Evangelie. En zie! U maakt uit klei, als het ware, de gestalte van een vogel, met Mijn verlof, en u blaast erin en het wordt een vogel met Mijn verlof, en u geneest de blindgeborenen, en de melaatsen, met Mijn verlof. En zie! U brengt de doden tevoorschijn met Mijn verlof. En zie! Ik heb de kinderen van Israël weerhouden van (geweld tegen) u, toen u hun de duidelijke tekenen toonde, en de ongelovigen onder hen zeiden: 'Dit is niets dan klaarblijkelijke toverij.'"

إِذْ قَالَ ٱللَّهُ يَٰعِيسَى ٱبْنَ مَرْيَمَ ٱذْكُرْ نِعْمَتِى عَلَيْكَ وَعَلَىٰ وَٰلِدَتِكَ إِذْ أَيَّدتُّكَ بِرُوحِ ٱلْقُدُسِ تُكَلِّمُ ٱلنَّاسَ فِى ٱلْمَهْدِ وَكَهْلًا وَإِذْ عَلَّمْتُكَ ٱلْكِتَٰبَ وَٱلْحِكْمَةَ وَٱلتَّوْرَىٰةَ وَٱلْإِنجِيلَ وَإِذْ تَخْلُقُ مِنَ ٱلطِّينِ كَهَيْـَٔةِ ٱلطَّيْرِ بِإِذْنِى فَتَنفُخُ فِيهَا فَتَكُونُ طَيْرًۢا بِإِذْنِى وَتُبْرِئُ ٱلْأَكْمَهَ وَٱلْأَبْرَصَ بِإِذْنِى وَإِذْ تُخْرِجُ ٱلْمَوْتَىٰ بِإِذْنِى وَإِذْ كَفَفْتُ بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ عَنكَ إِذْ جِئْتَهُم بِٱلْبَيِّنَٰتِ فَقَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِنْهُمْ إِنْ هَٰذَآ إِلَّا سِحْرٌ مُّبِينٌ

111

"En zie! Ik heb de discipelen ingegeven te geloven in Mij en Mijn boodschapper: zij zeiden: 'Wij geloven, en wees U er getuige van dat wij ons voor Allah buigen als moslims.'"

وَإِذْ أَوْحَيْتُ إِلَى ٱلْحَوَارِيِّـۧنَ أَنْ ءَامِنُوا۟ بِى وَبِرَسُولِى قَالُوٓا۟ ءَامَنَّا وَٱشْهَدْ بِأَنَّنَا مُسْلِمُونَ

112

Zie! De discipelen zeiden: "O Jezus, zoon van Maria! Kan uw Heer ons uit de hemel een gedekte tafel (met spijzen) neerzenden?" Jezus zei: "Vrees Allah, indien u geloof hebt."

إِذْ قَالَ ٱلْحَوَارِيُّونَ يَٰعِيسَى ٱبْنَ مَرْيَمَ هَلْ يَسْتَطِيعُ رَبُّكَ أَن يُنَزِّلَ عَلَيْنَا مَآئِدَةً مِّنَ ٱلسَّمَآءِ قَالَ ٱتَّقُوا۟ ٱللَّهَ إِن كُنتُم مُّؤْمِنِينَ

113

Zij zeiden: "Wij wensen slechts daarvan te eten en ons hart gerust te stellen, en te weten dat u ons voorwaar de waarheid gezegd hebt; en dat wij zelf getuigen mogen zijn van het wonder."

قَالُوا۟ نُرِيدُ أَن نَّأْكُلَ مِنْهَا وَتَطْمَئِنَّ قُلُوبُنَا وَنَعْلَمَ أَن قَدْ صَدَقْتَنَا وَنَكُونَ عَلَيْهَا مِنَ ٱلشَّٰهِدِينَ

114

Jezus, de zoon van Maria, zei: "O Allah, onze Heer! Zend ons uit de hemel een gedekte tafel (met spijzen), opdat er voor ons — voor de eerste en de laatste van ons — een plechtig feest zij en een teken van U; en voorzie in ons levensonderhoud, want U bent de beste Verzorger (in onze noden)."

قَالَ عِيسَى ٱبْنُ مَرْيَمَ ٱللَّهُمَّ رَبَّنَآ أَنزِلْ عَلَيْنَا مَآئِدَةً مِّنَ ٱلسَّمَآءِ تَكُونُ لَنَا عِيدًا لِّأَوَّلِنَا وَءَاخِرِنَا وَءَايَةً مِّنكَ وَٱرْزُقْنَا وَأَنتَ خَيْرُ ٱلرَّٰزِقِينَ

115

Allah zei: "Ik zal haar tot u neerzenden: maar indien iemand van u daarna het geloof weerstaat, zal Ik hem straffen met een straf zoals Ik aan niemand onder alle volken opgelegd heb."

قَالَ ٱللَّهُ إِنِّى مُنَزِّلُهَا عَلَيْكُمْ فَمَن يَكْفُرْ بَعْدُ مِنكُمْ فَإِنِّىٓ أُعَذِّبُهُۥ عَذَابًا لَّآ أُعَذِّبُهُۥٓ أَحَدًا مِّنَ ٱلْعَٰلَمِينَ

116

En zie! Allah zal zeggen: "O Jezus, zoon van Maria! Hebt u tot de mensen gezegd: 'Aanbid mij en mijn moeder als goden naast Allah'?" Hij zal zeggen: "U zij de eer! Nooit zou ik kunnen zeggen waartoe ik geen recht had (te zeggen). Had ik zoiets gezegd, dan zou U het voorwaar geweten hebben. U weet wat in mijn hart is, doch ik weet niet wat in het Uwe is. Want U weet ten volle alles wat verborgen is."

وَإِذْ قَالَ ٱللَّهُ يَٰعِيسَى ٱبْنَ مَرْيَمَ ءَأَنتَ قُلْتَ لِلنَّاسِ ٱتَّخِذُونِى وَأُمِّىَ إِلَٰهَيْنِ مِن دُونِ ٱللَّهِ قَالَ سُبْحَٰنَكَ مَا يَكُونُ لِىٓ أَنْ أَقُولَ مَا لَيْسَ لِى بِحَقٍّ إِن كُنتُ قُلْتُهُۥ فَقَدْ عَلِمْتَهُۥ تَعْلَمُ مَا فِى نَفْسِى وَلَآ أَعْلَمُ مَا فِى نَفْسِكَ إِنَّكَ أَنتَ عَلَّٰمُ ٱلْغُيُوبِ

117

"Nooit heb ik tot hen iets gezegd dan wat U mij geboden hebt te zeggen, te weten: 'Aanbid Allah, mijn Heer en uw Heer'; en ik was getuige over hen zolang ik onder hen verkeerde; toen U mij opnam, was U de Waker over hen, en U bent getuige van alle dingen."

مَا قُلْتُ لَهُمْ إِلَّا مَآ أَمَرْتَنِى بِهِۦٓ أَنِ ٱعْبُدُوا۟ ٱللَّهَ رَبِّى وَرَبَّكُمْ وَكُنتُ عَلَيْهِمْ شَهِيدًا مَّا دُمْتُ فِيهِمْ فَلَمَّا تَوَفَّيْتَنِى كُنتَ أَنتَ ٱلرَّقِيبَ عَلَيْهِمْ وَأَنتَ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍ شَهِيدٌ

118

"Indien U hen straft, zij zijn Uw dienaren: indien U hun vergeeft, U bent de Verhevene in macht, de Wijze."

إِن تُعَذِّبْهُمْ فَإِنَّهُمْ عِبَادُكَ وَإِن تَغْفِرْ لَهُمْ فَإِنَّكَ أَنتَ ٱلْعَزِيزُ ٱلْحَكِيمُ

119

Allah zal zeggen: "Dit is een dag waarop de waarachtigen voordeel zullen hebben van hun waarheid: hun behoren hoven toe, waar de rivieren onderdoor stromen, — hun eeuwig tehuis: Allah heeft welbehagen in hen, en zij in Allah: dat is de grote zaligheid, (de vervulling van alle verlangens)."

قَالَ ٱللَّهُ هَٰذَا يَوْمُ يَنفَعُ ٱلصَّٰدِقِينَ صِدْقُهُمْ لَهُمْ جَنَّٰتٌ تَجْرِى مِن تَحْتِهَا ٱلْأَنْهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَآ أَبَدًا رَّضِىَ ٱللَّهُ عَنْهُمْ وَرَضُوا۟ عَنْهُ ذَٰلِكَ ٱلْفَوْزُ ٱلْعَظِيمُ

120

Aan Allah behoort de heerschappij van de hemelen en de aarde, en al wat daarin is, en Hij is het die macht heeft over alle dingen.

لِلَّهِ مُلْكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ وَمَا فِيهِنَّ وَهُوَ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍ قَدِيرٌۢ