Open Koran Weergave
Deze site is in concept en onder zware bewerking. Versie 1 staat gepland voor 1 september 2026.

Soera 54. Al-Qamar — De Maan

Deze vertaling is in bewerking en heeft de status van een concept; de tekst wordt nog gecontroleerd en kan wijzigen.

De Nederlandse weergave van soera 54 (Al-Qamar, “De Maan”), 55 verzen, naar de Engelse vertaling van Abdullah Yusuf Ali (1934, publiek domein). Lees deze soera interactief met het Arabische origineel, transliteratie, voorleesfunctie en toelichting.

De gespleten maan en de spot van de ongelovigen

1

Het uur (van het oordeel) is nabij, en de maan is gespleten.

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ ٱقْتَرَبَتِ ٱلسَّاعَةُ وَٱنشَقَّ ٱلْقَمَرُ

2

Maar indien zij een teken zien, wenden zij zich af en zeggen: "Dit is (slechts) voorbijgaande toverij."

وَإِن يَرَوْا۟ ءَايَةً يُعْرِضُوا۟ وَيَقُولُوا۟ سِحْرٌ مُّسْتَمِرٌّ

3

Zij verwerpen (de waarschuwing) en volgen hun (eigen) begeerten, maar iedere zaak heeft haar vastgestelde tijd.

وَكَذَّبُوا۟ وَٱتَّبَعُوٓا۟ أَهْوَآءَهُمْ وَكُلُّ أَمْرٍ مُّسْتَقِرٌّ

4

Er zijn reeds verkondigingen tot hen gekomen waarin (genoeg) is om (hen) te weerhouden,

وَلَقَدْ جَآءَهُم مِّنَ ٱلْأَنۢبَآءِ مَا فِيهِ مُزْدَجَرٌ

5

Rijpe wijsheid;- maar (de prediking van) waarschuwers baat hun niet.

حِكْمَةٌۢ بَٰلِغَةٌ فَمَا تُغْنِ ٱلنُّذُرُ

6

Wend u daarom, (o profeet,) van hen af. De dag dat de roeper (hen) zal roepen tot een verschrikkelijke zaak,

فَتَوَلَّ عَنْهُمْ يَوْمَ يَدْعُ ٱلدَّاعِ إِلَىٰ شَىْءٍ نُّكُرٍ

7

Zullen zij tevoorschijn komen,- met neergeslagen ogen - uit (hun) graven, (verstijfd) als sprinkhanen die wijd en zijd verstrooid zijn,

خُشَّعًا أَبْصَٰرُهُمْ يَخْرُجُونَ مِنَ ٱلْأَجْدَاثِ كَأَنَّهُمْ جَرَادٌ مُّنتَشِرٌ

8

Zich haastend, met starende ogen, naar de roeper!- "Hard is deze dag!", zullen de ongelovigen zeggen.

مُّهْطِعِينَ إِلَى ٱلدَّاعِ يَقُولُ ٱلْكَٰفِرُونَ هَٰذَا يَوْمٌ عَسِرٌ

Noach en de zondvloed

9

Vóór hen verwierp het volk van Noach (hun boodschapper): zij verwierpen Onze dienaar en zeiden: "Zie, een bezetene!", en hij werd verdreven.

كَذَّبَتْ قَبْلَهُمْ قَوْمُ نُوحٍ فَكَذَّبُوا۟ عَبْدَنَا وَقَالُوا۟ مَجْنُونٌ وَٱزْدُجِرَ

10

Toen riep hij tot zijn Heer: "Ik ben overwonnen: helpt U (mij) dan!"

فَدَعَا رَبَّهُۥٓ أَنِّى مَغْلُوبٌ فَٱنتَصِرْ

11

Zo openden Wij de poorten van de hemel, met neerstromend water.

فَفَتَحْنَآ أَبْوَٰبَ ٱلسَّمَآءِ بِمَآءٍ مُّنْهَمِرٍ

12

En Wij deden de aarde uitbarsten in bronnen, zodat de wateren elkaar ontmoetten (en stegen) tot de mate die verordend was.

وَفَجَّرْنَا ٱلْأَرْضَ عُيُونًا فَٱلْتَقَى ٱلْمَآءُ عَلَىٰٓ أَمْرٍ قَدْ قُدِرَ

13

Maar Wij droegen hem op een (ark) gemaakt van brede planken en gebreeuwd met palmvezel:

وَحَمَلْنَٰهُ عَلَىٰ ذَاتِ أَلْوَٰحٍ وَدُسُرٍ

14

Zij drijft onder Onze ogen (en zorg): een vergelding voor een die (met verachting) verworpen was!

تَجْرِى بِأَعْيُنِنَا جَزَآءً لِّمَن كَانَ كُفِرَ

15

En Wij hebben dit als een teken (voor alle tijden) nagelaten: is er dan iemand die vermaning zal aannemen?

وَلَقَد تَّرَكْنَٰهَآ ءَايَةً فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ

16

Maar hoe (verschrikkelijk) was Mijn straf en Mijn waarschuwing?

فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِى وَنُذُرِ

17

En Wij hebben voorwaar de Koran gemakkelijk gemaakt om te begrijpen en te onthouden: is er dan iemand die vermaning zal aannemen?

وَلَقَدْ يَسَّرْنَا ٱلْقُرْءَانَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ

De ondergang van 'Ad

18

De 'Ad (het volk) verwierp (ook) (de waarheid): hoe verschrikkelijk was dan Mijn straf en Mijn waarschuwing?

كَذَّبَتْ عَادٌ فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِى وَنُذُرِ

19

Want Wij zonden tegen hen een razende wind, op een dag van hevige rampspoed,

إِنَّآ أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ رِيحًا صَرْصَرًا فِى يَوْمِ نَحْسٍ مُّسْتَمِرٍّ

20

Die de mensen wegrukte alsof zij wortels van palmbomen waren, (uit de grond) losgescheurd.

تَنزِعُ ٱلنَّاسَ كَأَنَّهُمْ أَعْجَازُ نَخْلٍ مُّنقَعِرٍ

21

Ja, hoe (verschrikkelijk) was Mijn straf en Mijn waarschuwing!

فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِى وَنُذُرِ

22

Maar Wij hebben voorwaar de Koran gemakkelijk gemaakt om te begrijpen en te onthouden: is er dan iemand die vermaning zal aannemen?

وَلَقَدْ يَسَّرْنَا ٱلْقُرْءَانَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ

De ondergang van de Thamoed

23

De Thamoed verwierpen (ook) (hun) waarschuwers.

كَذَّبَتْ ثَمُودُ بِٱلنُّذُرِ

24

Want zij zeiden: "Wat! een mens! een eenling uit ons midden! zullen wij zo iemand volgen? Voorwaar, dan zouden wij verdwaald zijn van geest, en waanzinnig!"

فَقَالُوٓا۟ أَبَشَرًا مِّنَّا وَٰحِدًا نَّتَّبِعُهُۥٓ إِنَّآ إِذًا لَّفِى ضَلَٰلٍ وَسُعُرٍ

25

"Is de boodschap aan hem gezonden, van alle mensen onder ons? Nee, hij is een leugenaar, een onbeschaamde!"

أَءُلْقِىَ ٱلذِّكْرُ عَلَيْهِ مِنۢ بَيْنِنَا بَلْ هُوَ كَذَّابٌ أَشِرٌ

26

Ach! zij zullen morgen weten wie de leugenaar is, de onbeschaamde!

سَيَعْلَمُونَ غَدًا مَّنِ ٱلْكَذَّابُ ٱلْأَشِرُ

27

Want Wij zullen de kamelin zenden als een beproeving voor hen. Sla hen dus gade, (o Salih), en wapen uzelf met geduld!

إِنَّا مُرْسِلُوا۟ ٱلنَّاقَةِ فِتْنَةً لَّهُمْ فَٱرْتَقِبْهُمْ وَٱصْطَبِرْ

28

En zeg hun dat het water tussen hen verdeeld moet worden: eenieders recht om te drinken wordt (bij passende beurten) naar voren gebracht.

وَنَبِّئْهُمْ أَنَّ ٱلْمَآءَ قِسْمَةٌۢ بَيْنَهُمْ كُلُّ شِرْبٍ مُّحْتَضَرٌ

29

Maar zij riepen hun metgezel, en hij nam een zwaard ter hand en sneed (haar) de pezen door.

فَنَادَوْا۟ صَاحِبَهُمْ فَتَعَاطَىٰ فَعَقَرَ

30

Ach! hoe (verschrikkelijk) was Mijn straf en Mijn waarschuwing!

فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِى وَنُذُرِ

31

Want Wij zonden tegen hen één enkele machtige donderslag, en zij werden als de droge stoppels die gebruikt worden door hem die vee omheint.

إِنَّآ أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ صَيْحَةً وَٰحِدَةً فَكَانُوا۟ كَهَشِيمِ ٱلْمُحْتَظِرِ

32

En Wij hebben voorwaar de Koran gemakkelijk gemaakt om te begrijpen en te onthouden: is er dan iemand die vermaning zal aannemen?

وَلَقَدْ يَسَّرْنَا ٱلْقُرْءَانَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ

De ondergang van het volk van Lot

33

Het volk van Lut verwierp (zijn) waarschuwing.

كَذَّبَتْ قَوْمُ لُوطٍۭ بِٱلنُّذُرِ

34

Wij zonden tegen hen een hevige wervelstorm met stenenregens, (die hen verdelgde), behalve het huisgezin van Lut: hen verlosten Wij bij het vroege ochtendgloren,-

إِنَّآ أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ حَاصِبًا إِلَّآ ءَالَ لُوطٍ نَّجَّيْنَٰهُم بِسَحَرٍ

35

Als een genade van Ons: zo belonen Wij hen die dank betuigen.

نِّعْمَةً مِّنْ عِندِنَا كَذَٰلِكَ نَجْزِى مَن شَكَرَ

36

En (Lut) waarschuwde hen wel voor Onze straf, maar zij twistten over de waarschuwing.

وَلَقَدْ أَنذَرَهُم بَطْشَتَنَا فَتَمَارَوْا۟ بِٱلنُّذُرِ

37

En zij trachtten zelfs zijn gasten van hem weg te rukken, maar Wij verblindden hun ogen. (Zij hoorden:) "Proef nu Mijn toorn en Mijn waarschuwing."

وَلَقَدْ رَٰوَدُوهُ عَن ضَيْفِهِۦ فَطَمَسْنَآ أَعْيُنَهُمْ فَذُوقُوا۟ عَذَابِى وَنُذُرِ

38

Vroeg in de ochtend greep hen een blijvende straf:

وَلَقَدْ صَبَّحَهُم بُكْرَةً عَذَابٌ مُّسْتَقِرٌّ

39

"Proef dan Mijn toorn en Mijn waarschuwing."

فَذُوقُوا۟ عَذَابِى وَنُذُرِ

40

En Wij hebben voorwaar de Koran gemakkelijk gemaakt om te begrijpen en te onthouden: is er dan iemand die vermaning zal aannemen?

وَلَقَدْ يَسَّرْنَا ٱلْقُرْءَانَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ

Farao en waarschuwing aan de Quraish

41

Tot het volk van Farao kwamen eertijds ook waarschuwers (van Allah).

وَلَقَدْ جَآءَ ءَالَ فِرْعَوْنَ ٱلنُّذُرُ

42

Het (volk) verwierp al Onze tekenen; maar Wij grepen hen met zulk een straf (als komt) van Een die verheven is in macht, in staat om Zijn wil te volvoeren.

كَذَّبُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَا كُلِّهَا فَأَخَذْنَٰهُمْ أَخْذَ عَزِيزٍ مُّقْتَدِرٍ

43

Zijn uw ongelovigen, (o Quraish), beter dan zij? Of hebt u een vrijbrief in de heilige boeken?

أَكُفَّارُكُمْ خَيْرٌ مِّنْ أُو۟لَٰٓئِكُمْ أَمْ لَكُم بَرَآءَةٌ فِى ٱلزُّبُرِ

44

Of zeggen zij: "Wij, gezamenlijk handelend, kunnen onszelf verdedigen"?

أَمْ يَقُولُونَ نَحْنُ جَمِيعٌ مُّنتَصِرٌ

45

Weldra zal hun menigte op de vlucht gedreven worden, en zij zullen de rug toekeren.

سَيُهْزَمُ ٱلْجَمْعُ وَيُوَلُّونَ ٱلدُّبُرَ

46

Nee, het uur (van het oordeel) is de tijd die hun beloofd is (voor hun volle vergelding): en dat uur zal zeer smartelijk en zeer bitter zijn.

بَلِ ٱلسَّاعَةُ مَوْعِدُهُمْ وَٱلسَّاعَةُ أَدْهَىٰ وَأَمَرُّ

47

Voorwaar, zij die in zonde zijn, zijn de verdwaalden van geest, en waanzinnig.

إِنَّ ٱلْمُجْرِمِينَ فِى ضَلَٰلٍ وَسُعُرٍ

48

De dag dat zij op hun aangezicht door het vuur gesleept zullen worden, (zullen zij horen:) "Proef de aanraking van de hel!"

يَوْمَ يُسْحَبُونَ فِى ٱلنَّارِ عَلَىٰ وُجُوهِهِمْ ذُوقُوا۟ مَسَّ سَقَرَ

49

Voorwaar, alle dingen hebben Wij geschapen naar verhouding en maat.

إِنَّا كُلَّ شَىْءٍ خَلَقْنَٰهُ بِقَدَرٍ

50

En Ons bevel is slechts één enkele (daad),- als een oogwenk.

وَمَآ أَمْرُنَآ إِلَّا وَٰحِدَةٌ كَلَمْحٍۭ بِٱلْبَصَرِ

51

En (dikwijls) hebben Wij in het verleden benden zoals u verdelgd: is er dan iemand die vermaning zal aannemen?

وَلَقَدْ أَهْلَكْنَآ أَشْيَاعَكُمْ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ

52

Al wat zij doen, staat opgetekend in (hun) boeken (van daden):

وَكُلُّ شَىْءٍ فَعَلُوهُ فِى ٱلزُّبُرِ

53

Iedere zaak, klein en groot, is opgeschreven.

وَكُلُّ صَغِيرٍ وَكَبِيرٍ مُّسْتَطَرٌ

54

Wat de rechtvaardigen betreft, zij zullen te midden van hoven en rivieren zijn,

إِنَّ ٱلْمُتَّقِينَ فِى جَنَّٰتٍ وَنَهَرٍ

55

In een vergadering van waarheid, in de tegenwoordigheid van een almachtige Soeverein.

فِى مَقْعَدِ صِدْقٍ عِندَ مَلِيكٍ مُّقْتَدِرٍۭ