Open Koran Weergave
Deze site is in concept en onder zware bewerking. Versie 1 staat gepland voor 1 september 2026.

Soera 68. Al-Qalam — De Pen

Deze vertaling is in bewerking en heeft de status van een concept; de tekst wordt nog gecontroleerd en kan wijzigen.

De Nederlandse weergave van soera 68 (Al-Qalam, “De Pen”), 52 verzen, naar de Engelse vertaling van Abdullah Yusuf Ali (1934, publiek domein). Lees deze soera interactief met het Arabische origineel, transliteratie, voorleesfunctie en toelichting.

De pen en de verdediging van de profeet

1

Nūn (نٓ) Bij de pen en (het schrift) dat (de mensen) schrijven, —

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ نٓ وَٱلْقَلَمِ وَمَا يَسْطُرُونَ

2

U bent, door de genade van uw Heer, niet krankzinnig of bezeten.

مَآ أَنتَ بِنِعْمَةِ رَبِّكَ بِمَجْنُونٍ

3

Nee, voorwaar, voor u is een beloning die niet ophoudt:

وَإِنَّ لَكَ لَأَجْرًا غَيْرَ مَمْنُونٍ

4

En u bezit een verheven karakter.

وَإِنَّكَ لَعَلَىٰ خُلُقٍ عَظِيمٍ

5

Weldra zult u zien, en zullen zij zien,

فَسَتُبْصِرُ وَيُبْصِرُونَ

6

Wie van u met krankzinnigheid geslagen is.

بِأَييِّكُمُ ٱلْمَفْتُونُ

7

Voorwaar, het is uw Heer Die het best weet wie (onder de mensen) van Zijn pad is afgedwaald: en Hij kent het best hen die (ware) leiding ontvangen.

إِنَّ رَبَّكَ هُوَ أَعْلَمُ بِمَن ضَلَّ عَن سَبِيلِهِۦ وَهُوَ أَعْلَمُ بِٱلْمُهْتَدِينَ

Verwijt aan de lasteraar en spotter

8

Luister dus niet naar hen die (de waarheid) loochenen.

فَلَا تُطِعِ ٱلْمُكَذِّبِينَ

9

Hun verlangen is dat u toegeeflijk zou zijn: dan zouden zij toegeeflijk zijn.

وَدُّوا۟ لَوْ تُدْهِنُ فَيُدْهِنُونَ

10

Geef geen gehoor aan het soort verachtelijke mensen,- gereed met eden,

وَلَا تُطِعْ كُلَّ حَلَّافٍ مَّهِينٍ

11

Een lasteraar, die rondgaat met kwaadsprekerij,

هَمَّازٍ مَّشَّآءٍۭ بِنَمِيمٍ

12

Die (voortdurend al) het goede tegenhoudt, die de grenzen overschrijdt, diep in zonde,

مَّنَّاعٍ لِّلْخَيْرِ مُعْتَدٍ أَثِيمٍ

13

Gewelddadig (en wreed),- en bij dat alles van lage afkomst,-

عُتُلٍّۭ بَعْدَ ذَٰلِكَ زَنِيمٍ

14

Omdat hij rijkdom en (talrijke) zonen bezit.

أَن كَانَ ذَا مَالٍ وَبَنِينَ

15

Wanneer hem Onze tekenen worden voorgedragen, roept hij: "Fabelen van de ouden"!

إِذَا تُتْلَىٰ عَلَيْهِ ءَايَٰتُنَا قَالَ أَسَٰطِيرُ ٱلْأَوَّلِينَ

16

Weldra zullen Wij (het beest) op de snuit brandmerken!

سَنَسِمُهُۥ عَلَى ٱلْخُرْطُومِ

De gelijkenis van de eigenaars van de tuin

17

Voorwaar, Wij hebben hen beproefd zoals Wij de mensen van de hof beproefden, toen zij besloten de vruchten van de (hof) in de morgen te plukken.

إِنَّا بَلَوْنَٰهُمْ كَمَا بَلَوْنَآ أَصْحَٰبَ ٱلْجَنَّةِ إِذْ أَقْسَمُوا۟ لَيَصْرِمُنَّهَا مُصْبِحِينَ

18

Maar zij maakten geen voorbehoud, ("Indien het Allahs wil is").

وَلَا يَسْتَثْنُونَ

19

Toen kwam er over de (hof) een bezoeking van uw Heer, (die alles wegvaagde) rondom, terwijl zij sliepen.

فَطَافَ عَلَيْهَا طَآئِفٌ مِّن رَّبِّكَ وَهُمْ نَآئِمُونَ

20

Zo werd de (hof) tegen de morgen als een donkere en verlaten plek, (waarvan de vrucht geplukt was).

فَأَصْبَحَتْ كَٱلصَّرِيمِ

21

Toen de morgen aanbrak, riepen zij elkaar toe,-

فَتَنَادَوْا۟ مُصْبِحِينَ

22

"Ga (vroeg) in de morgen naar uw akker, indien u de vruchten wilt plukken."

أَنِ ٱغْدُوا۟ عَلَىٰ حَرْثِكُمْ إِن كُنتُمْ صَٰرِمِينَ

23

Zo vertrokken zij, terwijl zij op zachte toon in het geheim met elkaar spraken, (zeggende)-

فَٱنطَلَقُوا۟ وَهُمْ يَتَخَٰفَتُونَ

24

"Laat op deze dag geen enkele behoeftige bij u de (hof) binnendringen."

أَن لَّا يَدْخُلَنَّهَا ٱلْيَوْمَ عَلَيْكُم مِّسْكِينٌ

25

En zij begonnen de morgen, sterk in een (onrechtvaardig) voornemen.

وَغَدَوْا۟ عَلَىٰ حَرْدٍ قَٰدِرِينَ

26

Maar toen zij de (hof) zagen, zeiden zij: "Wij zijn zeker verdwaald:"

فَلَمَّا رَأَوْهَا قَالُوٓا۟ إِنَّا لَضَآلُّونَ

27

"Voorwaar, wij zijn buitengesloten (van de vruchten van onze arbeid)!"

بَلْ نَحْنُ مَحْرُومُونَ

28

Een van hen, rechtvaardiger (dan de overigen), zei: "Heb ik u niet gezegd: 'Waarom verheerlijkt u (Allah) niet?'"

قَالَ أَوْسَطُهُمْ أَلَمْ أَقُل لَّكُمْ لَوْلَا تُسَبِّحُونَ

29

Zij zeiden: "Ere zij onze Heer! Voorwaar, wij hebben onrecht gedaan!"

قَالُوا۟ سُبْحَٰنَ رَبِّنَآ إِنَّا كُنَّا ظَٰلِمِينَ

30

Toen keerden zij zich tot elkaar, in verwijt.

فَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ يَتَلَٰوَمُونَ

31

Zij zeiden: "Wee ons! Wij hebben voorwaar overtreden!"

قَالُوا۟ يَٰوَيْلَنَآ إِنَّا كُنَّا طَٰغِينَ

32

"Het kan zijn dat onze Heer ons in ruil een betere (hof) zal geven dan deze: want wij keren ons tot Hem (in berouw)!"

عَسَىٰ رَبُّنَآ أَن يُبْدِلَنَا خَيْرًا مِّنْهَآ إِنَّآ إِلَىٰ رَبِّنَا رَٰغِبُونَ

33

Zodanig is de straf (in dit leven); maar groter is de straf in het hiernamaals,- wisten zij het maar!

كَذَٰلِكَ ٱلْعَذَابُ وَلَعَذَابُ ٱلْـَٔاخِرَةِ أَكْبَرُ لَوْ كَانُوا۟ يَعْلَمُونَ

Beloning, straf en de dag van het oordeel

34

Voorwaar, voor de rechtvaardigen zijn er hoven van verrukking, bij hun Heer.

إِنَّ لِلْمُتَّقِينَ عِندَ رَبِّهِمْ جَنَّٰتِ ٱلنَّعِيمِ

35

Zullen Wij dan de mensen van het geloof behandelen als de mensen van de zonde?

أَفَنَجْعَلُ ٱلْمُسْلِمِينَ كَٱلْمُجْرِمِينَ

36

Wat is er met u? Hoe oordeelt u?

مَا لَكُمْ كَيْفَ تَحْكُمُونَ

37

Of hebt u een boek waaruit u leert-

أَمْ لَكُمْ كِتَٰبٌ فِيهِ تَدْرُسُونَ

38

Dat u daardoor zult hebben al wat u verkiest?

إِنَّ لَكُمْ فِيهِ لَمَا تَخَيَّرُونَ

39

Of hebt u met eden bekrachtigde verbonden met Ons, reikend tot de dag van het oordeel, (die bepalen) dat u zult hebben al wat u zult eisen?

أَمْ لَكُمْ أَيْمَٰنٌ عَلَيْنَا بَٰلِغَةٌ إِلَىٰ يَوْمِ ٱلْقِيَٰمَةِ إِنَّ لَكُمْ لَمَا تَحْكُمُونَ

40

Vraag hun, wie van hen daarvoor borg zal staan!

سَلْهُمْ أَيُّهُم بِذَٰلِكَ زَعِيمٌ

41

Of hebben zij enige "deelgenoten" (in de godheid)? Laten zij dan hun "deelgenoten" voortbrengen, indien zij waarachtig zijn!

أَمْ لَهُمْ شُرَكَآءُ فَلْيَأْتُوا۟ بِشُرَكَآئِهِمْ إِن كَانُوا۟ صَٰدِقِينَ

42

De dag waarop het scheenbeen ontbloot zal worden, en zij opgeroepen zullen worden om zich in aanbidding neer te buigen, maar zij zullen het niet kunnen,-

يَوْمَ يُكْشَفُ عَن سَاقٍ وَيُدْعَوْنَ إِلَى ٱلسُّجُودِ فَلَا يَسْتَطِيعُونَ

43

Hun ogen zullen neergeslagen zijn,- schande zal hen bedekken; aangezien zij tevoren opgeroepen waren om zich in aanbidding neer te buigen, toen zij gezond waren, (en geweigerd hadden).

خَٰشِعَةً أَبْصَٰرُهُمْ تَرْهَقُهُمْ ذِلَّةٌ وَقَدْ كَانُوا۟ يُدْعَوْنَ إِلَى ٱلسُّجُودِ وَهُمْ سَٰلِمُونَ

Geduld naar het voorbeeld van Jona

44

Laat Mij dan alleen met hen die deze boodschap verwerpen: trapsgewijs zullen Wij hen straffen uit richtingen die zij niet bemerken.

فَذَرْنِى وَمَن يُكَذِّبُ بِهَٰذَا ٱلْحَدِيثِ سَنَسْتَدْرِجُهُم مِّنْ حَيْثُ لَا يَعْلَمُونَ

45

Een (lang) uitstel zal Ik hun verlenen: voorwaar, machtig is Mijn plan.

وَأُمْلِى لَهُمْ إِنَّ كَيْدِى مَتِينٌ

46

Of is het dat u hun om een beloning vraagt, zodat zij met een last van schuld beladen worden?-

أَمْ تَسْـَٔلُهُمْ أَجْرًا فَهُم مِّن مَّغْرَمٍ مُّثْقَلُونَ

47

Of dat het onzienlijke in hun handen is, zodat zij het kunnen opschrijven?

أَمْ عِندَهُمُ ٱلْغَيْبُ فَهُمْ يَكْتُبُونَ

48

Wacht dan met geduld op het bevel van uw Heer, en wees niet als de metgezel van de vis,- toen hij het uitriep in benauwdheid.

فَٱصْبِرْ لِحُكْمِ رَبِّكَ وَلَا تَكُن كَصَاحِبِ ٱلْحُوتِ إِذْ نَادَىٰ وَهُوَ مَكْظُومٌ

49

Indien de genade van zijn Heer hem niet bereikt had, zou hij voorwaar op de naakte oever geworpen zijn, in schande.

لَّوْلَآ أَن تَدَٰرَكَهُۥ نِعْمَةٌ مِّن رَّبِّهِۦ لَنُبِذَ بِٱلْعَرَآءِ وَهُوَ مَذْمُومٌ

50

Zo verkoos zijn Heer hem en maakte hem tot een van het gezelschap van de rechtvaardigen.

فَٱجْتَبَٰهُ رَبُّهُۥ فَجَعَلَهُۥ مِنَ ٱلصَّٰلِحِينَ

51

En de ongelovigen zouden u bijna met hun ogen doen struikelen wanneer zij de boodschap horen; en zij zeggen: "Waarlijk, hij is bezeten!"

وَإِن يَكَادُ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ لَيُزْلِقُونَكَ بِأَبْصَٰرِهِمْ لَمَّا سَمِعُوا۟ ٱلذِّكْرَ وَيَقُولُونَ إِنَّهُۥ لَمَجْنُونٌ

52

Maar het is niets minder dan een boodschap voor alle werelden.

وَمَا هُوَ إِلَّا ذِكْرٌ لِّلْعَٰلَمِينَ