Open Koran Weergave
Deze site is in concept en onder zware bewerking. Versie 1 staat gepland voor 1 september 2026.

Soera 75. Al-Qijaama — De Opstanding

Deze vertaling is in bewerking en heeft de status van een concept; de tekst wordt nog gecontroleerd en kan wijzigen.

De Nederlandse weergave van soera 75 (Al-Qijaama, “De Opstanding”), 40 verzen, naar de Engelse vertaling van Abdullah Yusuf Ali (1934, publiek domein). Lees deze soera interactief met het Arabische origineel, transliteratie, voorleesfunctie en toelichting.

De opstanding en het samenvoegen van de beenderen

1

Ik roep tot getuige de dag van de opstanding;

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ لَآ أُقْسِمُ بِيَوْمِ ٱلْقِيَٰمَةِ

2

En Ik roep tot getuige de zichzelf verwijtende ziel: (mijd het kwade).

وَلَآ أُقْسِمُ بِٱلنَّفْسِ ٱللَّوَّامَةِ

3

Denkt de mens dat Wij zijn beenderen niet kunnen samenvoegen?

أَيَحْسَبُ ٱلْإِنسَٰنُ أَلَّن نَّجْمَعَ عِظَامَهُۥ

4

Ja, Wij zijn in staat zelfs de toppen van zijn vingers in volmaakte orde samen te voegen.

بَلَىٰ قَٰدِرِينَ عَلَىٰٓ أَن نُّسَوِّىَ بَنَانَهُۥ

5

Maar de mens wenst kwaad te doen (zelfs) in de tijd die vóór hem ligt.

بَلْ يُرِيدُ ٱلْإِنسَٰنُ لِيَفْجُرَ أَمَامَهُۥ

6

Hij vraagt: "Wanneer is de dag van de opstanding?"

يَسْـَٔلُ أَيَّانَ يَوْمُ ٱلْقِيَٰمَةِ

7

Ten slotte, wanneer het gezicht verbijsterd is,

فَإِذَا بَرِقَ ٱلْبَصَرُ

8

En de maan in duisternis begraven is,

وَخَسَفَ ٱلْقَمَرُ

9

En de zon en de maan samengevoegd worden,-

وَجُمِعَ ٱلشَّمْسُ وَٱلْقَمَرُ

10

Op die dag zal de mens zeggen: "Waar is de toevlucht?"

يَقُولُ ٱلْإِنسَٰنُ يَوْمَئِذٍ أَيْنَ ٱلْمَفَرُّ

11

Geenszins! Geen veilige plaats!

كَلَّا لَا وَزَرَ

12

Bij uw Heer (alleen) zal op die dag de rustplaats zijn.

إِلَىٰ رَبِّكَ يَوْمَئِذٍ ٱلْمُسْتَقَرُّ

13

Op die dag zal aan de mens verkondigd worden (alles) wat hij vooruitgezonden heeft, en alles wat hij achtergelaten heeft.

يُنَبَّؤُا۟ ٱلْإِنسَٰنُ يَوْمَئِذٍۭ بِمَا قَدَّمَ وَأَخَّرَ

14

Ja, de mens zal getuige zijn tegen zichzelf,

بَلِ ٱلْإِنسَٰنُ عَلَىٰ نَفْسِهِۦ بَصِيرَةٌ

15

Zelfs al zou hij zijn verontschuldigingen aanvoeren.

وَلَوْ أَلْقَىٰ مَعَاذِيرَهُۥ

Aanwijzing over het voordragen van de Koran

16

Beweeg uw tong niet aangaande de (Koran) om u daarmee te haasten.

لَا تُحَرِّكْ بِهِۦ لِسَانَكَ لِتَعْجَلَ بِهِۦٓ

17

Het is aan Ons hem te verzamelen en hem te verkondigen:

إِنَّ عَلَيْنَا جَمْعَهُۥ وَقُرْءَانَهُۥ

18

Maar wanneer Wij hem verkondigd hebben, volg dan zijn voordracht (zoals verkondigd):

فَإِذَا قَرَأْنَٰهُ فَٱتَّبِعْ قُرْءَانَهُۥ

19

Ja meer, het is aan Ons hem uit te leggen (en duidelijk te maken):

ثُمَّ إِنَّ عَلَيْنَا بَيَانَهُۥ

Liefde voor dit leven en het stervensuur

20

Ja, (o mensen!) maar u hebt het vluchtige leven lief,

كَلَّا بَلْ تُحِبُّونَ ٱلْعَاجِلَةَ

21

En laat het hiernamaals achterwege.

وَتَذَرُونَ ٱلْـَٔاخِرَةَ

22

Sommige gezichten zullen op die dag stralen (van glans en schoonheid);-

وُجُوهٌ يَوْمَئِذٍ نَّاضِرَةٌ

23

Ziende naar hun Heer;

إِلَىٰ رَبِّهَا نَاظِرَةٌ

24

En sommige gezichten zullen op die dag treurig en somber zijn,

وَوُجُوهٌ يَوْمَئِذٍۭ بَاسِرَةٌ

25

In de gedachte dat een verpletterende ramp hun spoedig aangedaan zou worden;

تَظُنُّ أَن يُفْعَلَ بِهَا فَاقِرَةٌ

26

Ja, wanneer (de ziel) tot het sleutelbeen reikt (bij haar uitgang),

كَلَّآ إِذَا بَلَغَتِ ٱلتَّرَاقِىَ

27

En er een roep zal zijn: "Wie is een tovenaar (om hem te herstellen)?"

وَقِيلَ مَنْ رَاقٍ

28

En hij zal beseffen dat het (de tijd) van het afscheid was;

وَظَنَّ أَنَّهُ ٱلْفِرَاقُ

29

En het ene been zal met het andere samengevoegd worden:

وَٱلْتَفَّتِ ٱلسَّاقُ بِٱلسَّاقِ

30

Op die dag zal men (geheel) tot uw Heer gedreven worden!

إِلَىٰ رَبِّكَ يَوْمَئِذٍ ٱلْمَسَاقُ

De ontkenner en het bewijs van de opwekking

31

Hij gaf dus geen aalmoezen, en hij bad ook niet!-

فَلَا صَدَّقَ وَلَا صَلَّىٰ

32

Maar integendeel, hij verwierp de waarheid en keerde zich af!

وَلَٰكِن كَذَّبَ وَتَوَلَّىٰ

33

Toen ging hij met trotse tred naar zijn familie, vol verwaandheid!

ثُمَّ ذَهَبَ إِلَىٰٓ أَهْلِهِۦ يَتَمَطَّىٰٓ

34

Wee u, (o mensen!), ja, wee!

أَوْلَىٰ لَكَ فَأَوْلَىٰ

35

Wederom, wee u, (o mensen!), ja, wee!

ثُمَّ أَوْلَىٰ لَكَ فَأَوْلَىٰٓ

36

Denkt de mens dat hij zonder toezicht gelaten zal worden, (zonder doel)?

أَيَحْسَبُ ٱلْإِنسَٰنُ أَن يُتْرَكَ سُدًى

37

Was hij niet een druppel uitgestort zaad (in nederige vorm)?

أَلَمْ يَكُ نُطْفَةً مِّن مَّنِىٍّ يُمْنَىٰ

38

Daarna werd hij een bloedklomp gelijk een bloedzuiger; toen maakte en vormde (Allah) (hem) in de juiste verhouding.

ثُمَّ كَانَ عَلَقَةً فَخَلَقَ فَسَوَّىٰ

39

En van hem maakte Hij twee geslachten, mannelijk en vrouwelijk.

فَجَعَلَ مِنْهُ ٱلزَّوْجَيْنِ ٱلذَّكَرَ وَٱلْأُنثَىٰٓ

40

Heeft Hij, (Dezelfde), niet de macht om de doden levend te maken?

أَلَيْسَ ذَٰلِكَ بِقَٰدِرٍ عَلَىٰٓ أَن يُحْـِۧىَ ٱلْمَوْتَىٰ